Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4440

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
9253224 CV EXPL 21-8125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verstek
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Verstek. Ambtshalve toetsing. Tussenvonnis. Voornemen tot vernietiging van niet transparant en oneerlijk beding op grond waarvan kredietverstrekker de rente eenzijdig kan wijzigen. Geen grondslag voor contractuele of wettelijke rente. Uitlaten bij akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 9253224 CV EXPL 21-8125

vonnis van: 2 september 2021

fno.: 991

vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

de naamloze vennootschap InterBank N.V.

gevestigd te Amsterdam

eisende partij

gemachtigde: R.W.H. van Dijk

t e g e n

[gedaagde]

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland

gedaagde partij

niet verschenen

Verloop van de procedure

Bij dagvaarding van 1 maart 2021 heeft eisende partij gevorderd een bedrag van € 4.501,69 met nevenvorderingen, zoals nader in die dagvaarding omschreven.

Gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

  1. Eisende partij legt een met gedaagde partij gesloten kredietovereenkomst aan haar vordering ten grondslag. Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn.

  2. Nu de kredietovereenkomst tot stand is gekomen op 28 april 2008 en niet gesteld of gebleken is dat deze op of na 25 mei 2011 is gewijzigd, zijn de bepalingen van de Wet op het Consumentenkrediet (oud) van toepassing (hierna: Wck (oud)).

  3. Om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, is de nationale rechter op grond van vaste rechtspraak verplicht om ambtshalve te onderzoeken of de bedingen die in de overeenkomst staan niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 EG (hierna: de richtlijn oneerlijke bedingen). Dit ambtshalve onderzoek moet ook plaatsvinden als de consument daar geen beroep op doet.

  4. Het hiervoor bedoelde ambtshalve onderzoek behelst in beginsel uitsluitend de bedingen in de overeenkomst die geen kernbedingen zijn, zo volgt uit artikel 4 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen. Kernbedingen kunnen evenwel ook aan ambtshalve toetsing onderhevig zijn indien deze niet duidelijk en niet begrijpelijk zijn geformuleerd en aldus niet transparant zijn. Dit transparantievereiste moet ruim worden uitgelegd en impliceert dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument bij het sluiten van de overeenkomst in staat moet worden gesteld om de concrete werking van het beding te begrijpen, en op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen van het beding voor zijn financiële verplichtingen te beoordelen1. Dat betekent dat de voornaamste gegevens die voor de beoordeling van die financiële verplichtingen nodig zijn, gemakkelijk toegankelijk moeten zijn2.

5. Partijen zijn een doorlopend krediet overeengekomen, waarbij een kredietfaciliteit wordt verleend tot een bedrag van maximaal € 25.000,00. Het krediet en de kredietvergoeding moet op grond van de kredietovereenkomst in maandelijkse termijnen van € 250,00 worden terugbetaald.

6. In de kredietovereenkomst staat het volgende kernbeding:
“Kredietnemer is over de bedragen, die hij op grond van deze overeenkomst schuldig zal zijn, een kredietvergoeding verschuldigd, zoals die telkens door de kredietgever zal worden vastgesteld, welke van dag tot dag wordt berekend, met dien verstande dat de in rekening te brengen vergoeding de volgens de Wet op het Consumentenkrediet toegestane kredietvergoeding nimmer zal overtreffen. (…)
Het kredietvergoedingspercentage bedraagt thans per maand 0,670% (effectief kredietvergoedingspercentage 8,3% per jaar)”

7. In de op de kredietovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden staat het volgende beding:
“De rente, welke door de Kredietgever aan de Kredietnemer over het debetsaldo in rekening wordt gebracht, kan door de Kredietgever worden aangepast. Wijzigingen van het rentepercentage zullen kenbaar gemaakt worden op het overzicht van de Kredietnemer.”

8. Geoordeeld wordt dat het kernbeding geciteerd in rechtsoverweging 6 niet transparant is en het beding in rechtsoverweging 7 oneerlijk, omdat de consument op grond van de bedingen niet in staat wordt gesteld om de concrete werking ervan te begrijpen, laat staan dat hij de economische gevolgen ervan voor zijn financiële verplichtingen kan beoordelen3. Voor de consument is het namelijk geenszins duidelijk wat de hoogte van de kredietvergoeding is. In het beding in rechtsoverweging 6 staat dat de vergoeding van dag tot dag wordt berekend. Eisende partij kan de hoogte van de kredietvergoeding derhalve naar eigen goeddunken dagelijks aanpassen, zonder dat daarbij de verplichting geldt om wijzigingen expliciet en met redenen omkleed aan de consument door te geven. De consument moet eventuele wijzigingen maar zien op het overzicht dat kennelijk wordt verstrekt. Weliswaar is bedongen dat de rente de krachtens de Wck (oud) vastgestelde maximale kredietvergoeding niet mag overschrijden, maar dat maakt de bedingen nog niet transparant c.q. eerlijk, temeer nu in de bedingen zelf niet staat dat de consument de kredietovereenkomst kan beëindigen ingeval van wijziging van de kredietvergoeding. Eisende partij is zonder enige beperking bevoegd om de rentevoet per dag te wijzigen en daardoor haar financiële positie ten opzichte van de consument aanzienlijk te verbeteren. Er lijkt bovendien niets te zijn geregeld over de procedure voor het wijzigen van de rentevoet.

9. Op grond van het voorgaande wordt het hiervoor geciteerde kernbeding als niet transparant aangemerkt en het hiervoor geciteerde beding uit de algemene voorwaarden als oneerlijk. De kantonrechter is voornemens de bedingen ambtshalve te vernietigen. Deze kunnen in dat geval niet dienen als grondslag voor betaling van een kredietvergoeding. Hun inhoud kan niet worden herzien. Evenmin kan de vordering worden aangepast aan het aanvullende recht dat zonder de bedingen van toepassing zou zijn geweest4. De vernietiging van de bedingen noopt niet tot algehele vernietiging van de kredietovereenkomst, maar heeft tot gevolg dat eisende partij geen recht heeft op rente / kredietvergoeding. Dat betekent dat alle betalingen die gedaagde partij aan eisende partij heeft verricht uitsluitend moeten worden toegerekend aan het uitgeleende bedrag.

10. De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen voor een akte aan de zijde van eisende partij, zodat zij zich kan uitlaten over het voornemen tot ambtshalve vernietiging van de hiervoor geciteerde bedingen. Tevens zal eisende partij in de akte uiteen moeten zetten wat vernietiging van de bedingen volgens haar voor de omvang van haar vordering op gedaagde partij betekent. Eisende partij dient in deze akte in ieder geval het totale bedrag te noemen dat zij aan gedaagde partij heeft uitgeleend, welk totaalbedrag aan kredietvergoeding c.q. rente zij in rekening heeft gebracht en welk bedrag gedaagde partij in totaal aan betalingen heeft verricht. Eisende partij dient een afschrift van dit vonnis en van de door haar te nemen akte aan gedaagde partij toe te sturen en gedaagde partij in de gelegenheid te stellen hierop uiterlijk op de na te melden rolzitting te reageren. Eisende partij dient in de akte te vermelden dat zij dit heeft gedaan.

10. In het geval eisende partij geen akte neemt als hiervoor bedoeld, dan zal de vordering worden afgewezen.

10. Iedere verdere beslissing wordt in afwachting van de door eisende partij te nemen akte aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 30 september 2021 te 10.00 uur voor het nemen van een akte door eisende partij als bedoeld in overweging 10;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 HvJEU 21 maart 2013, C-92/11, ECLI:EU:C:2013:180 (RWE); HvJEU 23 april 2015, C-96/14, ECLI:EU:C:2015:262 (Van Hove)

2 HvJEU 30 april 2014, C-26/13, ECLI:EU:C:2014:85 (Kásler); HvJEU 20 september 2017, C‑186/16, ECLI:EU:C:2017:703 (Andriciuc); HvJEU 3 maart 2020, C-125/18, ECLI:EU:C:2020:138 (Gómez del Moral Guasch); HvJEU 9 juli 2020, C-452/18, ECLI:EU:C:2020:538 (Ibercaja); HvJEU 3 september 2020, C-84/19, ECLI:EU:C:2020:631 (Profi Credit Polska); HvJEU 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).

3 Een vergelijkbare situatie en uitkomst als de onderhavige zaak: ECLI:NL:GHAMS:2021:1801

4 HvJEU 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia)