Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4426

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
C/13/694467 / HA ZA 20-1248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Tijdens mondelinge behandeling afspraken gemaakt over een bindend advies. Aangezochte deskundige wil niet bindend adviseren. Naar oordeel rechtbank heeft het advies desondanks tussen partijen wel als bindend te gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2021-0193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/694467 / HA ZA 20-1248

Vonnis van 25 augustus 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.P.D. van Grondelle te Heemstede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.R.J. Mulder te Utrecht.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van 27 januari 2021 in het incident;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties;

  • -

    het vonnis 21 april 2021;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende vermeerdering van eis met productie;

  • -

    het B8 formulier met producties van 24 juni 2021 van de zijde van de man;

  • -

    de akte houdende overlegging producties tevens aanvulling van eis van 25 juni 2021 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het B8-formulier met nagezonden productie van 28 juni 2021 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het B8-formulier met producties van 1 juli 2021 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het B8-formulier met productie van 6 juli 2021 van de zijde van de man;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 8 juli 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest. Hun huwelijk is op 4 juli 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 maart 2017 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen zijn voorafgaand aan hun huwelijk op 26 juni 1997 huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Daarin is voor zover in dezen van belang het volgende opgenomen:

Artikel 1

Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen bestaan.

Artikel 10

1.Indien na afloop van een kalenderjaar blijkt dat inkomen uit arbeid van een van de echtgenoten of van beide echtgenoten gespaard is, zal voor het einde van het daaropvolgende kalenderjaar het gespaarde tussen de echtgenoten worden verrekend, zodanig dat aan iedere echtgenoot de helft van het gespaarde toekomt.

2. Voor de toepassing van lid 1 wordt inkomen uit arbeid geacht te zijn gespaard voor zover dat niet is besteed aan de kosten van de huishouding, premies van levensverzekering als in artikel 7 bedoeld, pensioenpremies en belastingen of andere heffingen krachtens de wet over inkomen of vermogen.

3. Indien de in lid 1 bedoelde verrekening niet tijdig tot stand is gekomen, blijft de verplichting het in het desbetreffende jaar gespaarde inkomen uit arbeid te verrekenen niettemin bestaan.

4. (…)

Artikel 12

1. Bij het einde van het huwelijk, daaronder mede begrepen scheiding van tafel en bed zullen de echtgenoten, dan wel hun erfgenamen, afrekenen alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap goederen waren geduwd.

2. Van die afrekening zijn uitgesloten:

a. de waarde van de goederen welke een echtgenoot door erfopvolging, making en schenking heeft verkregen;

b. de waarde van die goederen die zijn vermeld op de aan deze akte te hechten staat van aanbrengsten;

c. de waarde van hetgeen een echtgenoot door belegging of wederbelegging van zijn onder a, b en d bedoelde goederen heeft verkregen tegen een contraprestatie die ter gelegenheid van de verkrijging voor meer dan de helft ten laste van die goederen is gekomen;

d. de waarde van de vruchten van de onder a, b en c bedoelde goederen;

e. het bedrag van de schulden die betrekking hebben op de in dit lid 2 onder a, b en c bedoelde goederen, voor zover deze niet behoren tot de kosten van de huishouding;

f. De waarde van aanspraken op pensioen, zowel ouderdoms- als nabestaandenpensioen.

3. Waar in dit artikel over “privé-vermogens” wordt gesproken, is daarmee bedoeld het vermogen van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van de in lid 2 bedoelde goederen en schulden, vermeerderd met de door de betrokken echtgenoot betaalde premies van levensverzekering als in artikel 7, lid 1 bedoeld en met een bedrag van een zodanige rente over die premies, dat in het kader van de afrekening voor de voldoening van die premies niets aan het vermogen van anderen echtgenoot is onttrokken.

4. De afrekening geschiedt naar de waarde van de privé-vermogens van ieder van de echtgenoten per de datum van het einde van het huwelijk. In het geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed treedt voor het in de vorige zin bedoelde tijdstip in de plaats de aanvang van de dag waarop het daartoe strekkende verzoek of de daartoe strekkende eis is ingediend.

Die waarde is de waarde die de echtgenoten in onderling overleg overeenkomen.

Indien zij niet tot overeenstemming komen omtrent die waarde, wordt deze geschat door een deskundige die door de echtgenoten wordt benoemd.

Indien zij niet tot overeenstemming komen omtrent die benoeming geschiedt die benoeming op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter in wiens ambtsgebied de goederen zich bevinden. Bevinden de goederen zich in het buitenland, dan is de kantonrechter te Amsterdam bevoegd.

5. De vaststelling van de prive-vermogens, van de waarde van de daartoe behorende goederen en schulden en van de daaruit voortvloeiende omvang van de verplichting tot afrekening zal binnen zes maanden na het einde van het huwelijk bij notariële akte plaatshebben. In geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed zal de in de vorige zin bedoelde vaststelling plaatshebben binnen zes maanden na de dag waarop het daartoe strekkend verzoek of de daartoe strekkende eis is ingediend.

6. Het af te rekenen bedrag wordt in geld voldaan zes maanden na het einde van het huwelijk.

Ingeval de redelijkheid zulks gebiedt – in aanmerking genomen het belang van de betrokken partijen – kan dit bedrag evenwel in maximaal vijf termijnen van een jaar worden voldaan, mits alsdan de wettelijke rente wordt vergoed over het verschuldigde vanaf de datum van het einde van het huwelijk en genoegzame zekerheid voor de voldoening daarvan met rente wordt gesteld. De hoofdsom of het resterend gedeelte daarvan en de lopende rente zijn direct opeisbaar indien de debiteur niet aan zijn verplichtingen voldoet, overlijdt, failliet wordt verklaard of surséance van betaling aanvraagt.

7. Geschillen te dezer zake worden ter verkrijging van een partijen bindend advies onderworpen aan het oordeel van een onpartijdig persoon, te benoemen door partijen in onderling overleg en bij geschil door de kantonrechter binnen wiens ressort de laatste gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten is gelegen.

(…)

Artikel 13

Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden dan wel indien tussen de echtgenoten de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zullen de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken worden verevend conform het bepaalde in de artikel 2 en 3 van de wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

De comparanten verklaren uitdrukkelijk dat de hiervoor vermelde bepalingen onverkort zullen gelden, indien de door hen uitgebrachte keuze voor Nederlands recht voor wat betreft de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk om welke reden ook, niet als geldig mocht worden erkend.

2.3.

Partijen hebben tijdens het huwelijk geen uitvoering gegeven aan het in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodieke verrekenbeding.

2.4.

In voornoemde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank Midden-Nederland in rechtsoverweging 3.10 het volgende overwogen:

´Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat zij de heer [naam 2] (hierna de heer [naam 2] ) van het kantoor Boringa& Lankester Registeraccountants, de opdracht zullen geven een vermogensopstelling te maken van de vermogens van beide partijen en daarbij, conform het bepaalde in artikel 12 lid 7 van hun huwelijkse voorwaarden, hen bindend te adviseren over de waardes van de verschillende bestanddelen. Daarbij hebben partijen zich verplicht om aan de heer [naam 2] de informatie te verstrekken die hij nodig acht voor zijn beoordeling.

(…)’

2.5.

Partijen hebben in de echtscheidingsprocedure hun verzoeken ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ingetrokken.

2.6.

De vrouw is voor 41,5% aandeelhouder van Godshill LLP. De heer [naam 2] heeft het te verrekenen aandeel van de vrouw gewaardeerd op € 3.906.849,-.

2.7.

De vrouw heeft gelet op het advies van de heer [naam 2] een bedrag van

€ 1.528.000,- aan de man betaald in verband met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De man vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de huwelijkse voorwaarden worden afgewikkeld overeenkomstig hetgeen de man in zijn dagvaarding heeft gesteld en te bepalen dat de vrouw dientengevolge aan de man dient te betalen, uiterlijk binnen vier weken na datum afgifte van het vonnis, in hoofdsom € 7.718.170,- dan wel uiterst subsidiair een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente gerekend vanaf 6 januari 2016 dan wel meer subsidiair gerekend vanaf 4 juli 2017 dan wel uiterst subsidiair vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

II. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag in hoofdsom € 84.463,13 uiterlijk binnen vier weken na afgifte van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

III. de vrouw te veroordelen binnen vier weken na afgifte van het vonnis de pensioenverevening bij Aegon UK aan te hebben gevraagd en bewijs hiervan aan de man af te geven binnen deze termijn op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw daarmee in gebreke blijft en voorst aan de man bewijs toe te zenden van de verwerking en uitvoering van de verevening door Aegon UK;

Subsidair )

IV. één of meerdere deskundigen ex artikel 194 Rv te benoemen teneinde het aandeel van de vrouw van 41,5% in Godshill LLP per 31 december 2015 te waarderen uitgaande van de waarde in het economisch verkeer met bepaling dat partijen het door de rechtbank te bepalen voorschot – en indien aan de orde nader voorschot – bij helfte voldoen;

V. de vrouw te veroordelen in de kosten van de proceskosten waaronder begrepen de door de man betaalde griffierechten en deurwaarderskosten.

3.2.

Ter mondelinge behandeling heeft de man zijn eis aangevuld en gevorderd om bij tussenvonnis te bepalen welke bedragen reeds nu over en weer kunnen worden verrekend en betaald inhoudende dat – samengevat – door de vrouw aan de man moet worden betaald € 573.390,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.3.

De vrouw voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

De vrouw vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair

bij tussenvonnis voor recht te verklaren dat de vrouw aan de man uit hoofde van het finaal verrekenbeding dient te voldoen een bedrag van £ 1.435.814,- en de man aan de vrouw uit hoofde van het finaal verrekenbeding dient te voldoen € 37.855,50;

Subsidiair

de finale verrekenvordering van de man op de vrouw en van de vrouw op de man vast te stellen, waarbij deze vorderingen worden vastgesteld door een door de rechtbank te benoemen deskundige die het aandeel van het aandeel van de vrouw in Godshill LLP waardeert tegen de waarde in het economisch verkeer per 31 december 2015;

II. voor recht te verklaren dat de vrouw aan de man heeft voldaan een totaalbedrag van £. 1.335.233,- ter voldoening aan de verplichting uit hoofde van het finaal verrekenbeding;

III. Voorwaarderlijk primair

te bepalen dat de gemeenschappelijke woning aan de [adres] tegen de door de heer [naam 2] vastgestelde waarde van € 1.080.000,- aan de man wordt toegedeeld en geleverd onder de verplichting de helft van de overwaarde aan de vrouw te voldoen en de hypothecaire geldlening bij de ING (nummer [nummer] ) als eigen schuld te voldoen onder de voorwaarde dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen en te bepalen dat de kosten van levering voor rekening van de man komen;

en

Subsidiair

te bepalen dat de gemeenschappelijke woning aan de [adres] tegen de vrije verkoopwaarde in het economisch verkeer wordt getaxeerd door een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke taxateur en te bepalen dat de woning aan de man wordt toegedeeld en geleverd tegen de waarde per taxatiedatum onder de verplichting de helft van de overwaarde aan de vrouw te voldoen en de hypothecaire geldlening bij de ING (nummer [nummer] ) als eigen schuld te voldoen onder de voorwaarde dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen en te bepalen dat de kosten van levering voor rekening van de man komen

IV. Indien de man niet binnen acht weken na toewijzing van het voorwaardelijk primair onder III gevorderde, dan wel binnen acht weken na ontvangst van het taxatierapport als subsidiair gevorderd onder III althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn daaraan voldoet:

Primair

de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres] , waarbij de verkoop ter hand zal worden genomen door een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke makelaar en partijen zich ten aanzien van de vraag- en laatprijs zullen conformeren aan het advies van voornoemde makelaar, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag tot een totaal van € 25.000,- (een gedeelte van een dag als een hele dag gerekend) gedurende welke de man na de betekening van het vonnis weigerachtig blijft te voldoen aan deze veroordeling;

en

Subsidiair

de vrouw te machtigen om namens de man, althans namens de man en de vrouw tezamen en al dan niet onder nadere door de rechtbank te stellen voorwaarden, al datgene te mogen doen wat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de verkoop en levering van de woning aan de [adres] ;

V. te bepalen dat de saldi van de gemeenschappelijke bankrekeningen, als genoemd onder punt 87 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting aan de vrouw te voldoen € 10.254,50;

VI. de man te veroordelen tot afgifte van het schilderij van Segar, de klok die de vrouw van haar vader heeft gekregen en haar collectie kinderboeken, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag tot een totaal van € 25.000,- (een gedeelte van een dag als een hele dag gerekend) gedurende welke de man na betekening van het vonnis weigerachtig blijft te voldoen aan deze veroordeling;

VII. voorwaardelijk: indien de vrouw aan de man uit hoofde van het finale verrekenbeding een bedrag verschuldigd is boven hetgeen zij reeds heeft voldaan, te bepalen dat zij dit bedrag mag voldoen in vijf termijnen van een jaar;

VIII. de man te veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans de dag van het vonnis, althans een door de rechtbank in redelijkheid te bepalen dag tot aan de dag van algehele voldoening.

3.6.

De man voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Advies de heer [naam 2]

4.1.1.

De man heeft gesteld dat partijen tijdens de mondelinge behandeling in de echtscheidingsprocedure zijn overeengekomen dat zij aan de heer [naam 2] gezamenlijk de opdracht zouden verstrekken tot het maken van een vermogensopstelling en dat de heer [naam 2] hen bindend zou adviseren over de waarde van de verschillende bestanddelen waaronder begrepen het aandeel van 41,5% van de vrouw in Godshill LLP. In de herinnering van de man heeft de rechtbank de heer [naam 2] voorgesteld. Het verzoeken om een bindend advies kwam voort uit artikel 12, lid 4 en lid 7 van de huwelijkse voorwaarden. Op 4 december 2017 hebben partijen gezamenlijk opdracht gegeven aan de heer [naam 2] . De heer [naam 2] heeft bij de aanvaarding van de opdracht uitdrukkelijk aangegeven dat hij aan partijen geen bindend advies zou geven. Dit blijkt ook uit het rapport van 12 december 2019. Partijen zijn daarom niet gebonden aan de in dit rapport opgenomen waardes. De man kan zich niet vinden in het advies van de heer [naam 2] . Zijn bezwaar ziet met name op de wijze waarop het aandeel van de vrouw in Godshill LLP is gewaardeerd. Volgens de man is een onjuiste waarderingsmethode tot uitgangspunt genomen en zijn er daarnaast componenten waarmee rekening moet worden gehouden bij de waardering van de aandelen buiten beschouwing gelaten. Nu er geen sprake is van een bindend advies, kan de vrouw zich niet op de waardering door de heer [naam 2] beroepen. De heer [naam 2] is enkel om een opinie gevraagd. Deze opinie was een tussenstap voor partijen om tot een regeling te komen. Partijen hebben daartoe een nadere overeenkomst gesloten en zijn afgestapt van de in de echtscheidingsprocedure gemaakte afspraak dat de heer [naam 2] bindend zou adviseren. De vrouw weet dit althans had dit kunnen weten, omdat zij werd bijgestaan door haar advocaat. De man mag er vanuit dat de vrouw dit met haar toenmalige advocaat heeft besproken. Dat partijen hun verzoeken hebben ingetrokken in de echtscheidingsprocedure betekende niet dat zij niet opnieuw naar de rechter konden gaan en alsnog een bindend adviseur zouden kunnen inschakelen. Nu er geen sprake is van een bindend advies door de heer [naam 2] , terwijl de vrouw enkel conform het advies van de heer [naam 2] wil afrekenen, heeft de man geen andere mogelijkheid dan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden opnieuw aan de rechtbank voor te leggen.

4.1.2.

De vrouw heeft betwist dat partijen een nadere overeenkomst ten aanzien van het advies door de heer [naam 2] hebben gesloten. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling van de rechtbank Midden-Nederland overeengekomen dat de heer [naam 2] hen bindend zou adviseren. Volgens de vrouw betekende de omstandigheid dat de heer [naam 2] niet bindend wilde adviseren niet dat het te geven advies tussen partijen niet meer bindend zou zijn. Door het aanvaarden van deze voorwaarde van de heer [naam 2] hebben partijen wellicht artikel 12, lid 7 van de huwelijkse voorwaarden terzijde geschoven, maar partijen zijn op grond van artikel 12, lid 4 van de huwelijkse voorwaarden wel aan het rapport gebonden. Dit artikel ziet specifiek op het vaststellen van de waarde van het te verrekenen vermogen. De waarde is volgens artikel 12, lid 4 ofwel de waarde die partijen in onderling overleg overeenkomen ofwel de waarde zoals deze door een door partijen tezamen benoemde deskundige is geschat. Gelet daarop moet voor de afwikkeling van het finale verrekenbeding worden uitgegaan van de waardes van alle vermogensbestanddelen, zoals door de heer [naam 2] is bepaald. Volgens de vrouw moet gekeken worden naar de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en naar hetgeen zij over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst (Haviltex).

Het doel van partijen was dat de uitkomst van het rapport van de heer [naam 2] een einde zou maken aan het geschil dat hen verdeeld hield, althans dat zij de waarde van het te verrekenen vermogen zouden laten schatten door een deskundige. Dat partijen een finale afwikkeling voor ogen hadden, blijkt uit het feit dat partijen een bindend advies voor ogen hadden op grond van de huwelijkse voorwaarden. Maar ook door het feit dat partijen hun verzoeken ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ter zitting hebben ingetrokken. Het oordeel van [naam 2] zou tussen partijen een einde maken aan het geschil en was evident niet bedoeld als tussenoplossing. Dit blijkt ook uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling waarin is opgenomen:

Ik zou dan eigenlijk willen zeggen dat die verzoeken vallen onder het bindend advies dat u in artikel 12 lid 7 van de huwelijkse voorwaarden hebben afgesproken. Voor de rechtbank is het dan het makkelijkst als die verzoeken worden ingetrokken.”

Partijen mochten redelijkerwijs ook van elkaar verwachten dat het advies tussen hen bindend zou zijn. Voor de openheid van de gegevens van de onderneming van de vrouw had de vrouw toestemming nodig van haar compagnons. Er zijn non disclousure agreements gesloten. De vrouw hoefde er geen rekening mee te houden dat dit traject nogmaals zou moeten worden doorlopen. Geen van partijen had belang bij een deskundigenrapport dat niet bindend zou zijn. Ook de gedragingen van partijen zijn van belang. De vrouw heeft na het rapport beoordeeld welk bedrag zij nog aan de man moest betalen en heeft dit bedrag ook betaald. Ook al had ook de vrouw wel het een en ander op de uitkomst van het advies van de heer [naam 2] aan te merken. Zij heeft dit echter geaccepteerd met de gedachte dat partijen gebonden zijn aan het advies.

4.1.3.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank Midden-Nederland gemaakte afspraak inhield dat er een bindend advies zou worden gegeven ten aanzien van onder meer de waarde van het aandeel van de vrouw in Godshill LLP. Dit was overeenkomstig artikel 12, lid 7 van de huwelijkse voorwaarden. In dit artikel zijn partijen overeengekomen dat geschillen in het kader van de verrekening ter verkrijging van een partijen bindend advies onderworpen zal zijn aan het oordeel van een onpartijdig persoon, te benoemen door partijen gezamenlijk.. Vast staat dat de overeengekomen onpartijdige persoon, de heer [naam 2] , geen bindend advies heeft willen geven. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze omstandigheid ertoe leidt dat het advies ook in de onderlinge verhouding tussen partijen niet meer als bindend heeft te gelden en dat partijen aldus, zoals de man heeft gesteld, een nadere overeenkomst hebben gesloten met elkaar.

4.1.4.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe wordt als volgt overwogen. De omstandigheid dat de heer [naam 2] om hem moverende redenen geen bindende adviezen meerverstrekt, leidt er niet toe dat het door hem gegeven advies ook tussen partijen niet bindend zou zijn. Partijen zijn immers overeengekomen in artikel 12, lid 7 van de huwelijkse voorwaarden dat partijen gebonden zullen zijn aan het advies van de door hen in te schakelen onpartijdige persoon. Bovendien zijn partijen in artikel 12, lid 4 van de huwelijkse voorwaarden daarnaast nog overeengekomen dat bij een geschil over de waarde deze geschat zal worden door een door partijen aan te wijzen deskundige. Zo er daarom al geen sprake zou van een advies waaraan partijen zijn gebonden, dan is er in ieder geval sprake van een schatting in de zin van artikel 12, lid 4 van de huwelijkse voorwaarden waaraan partijen gebonden zijn. Dat partijen een nadere overeenkomst hebben gesloten waarbij zij zijn overeengekomen in afwijking van artikel 12, lid 4 en lid 7 van de huwelijkse voorwaarden niet gebonden te zijn aan het advies van de heer [naam 2] is door de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd en kan daarom niet worden vastgesteld. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard komt dat de rechtbank ook vreemd voor, omdat partijen immers beide hebben verklaard dat de inschakeling van de heer [naam 2] bedoeld was om het geschil tot een einde te brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het rapport van de heer [naam 2] in de onderlinge verhouding tussen partijen als een bindend advies kan worden gekwalificeerd.

4.1.5.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat een bij een bindend advies in het ongelijk gestelde partij de bestrijding van de bindende kracht van het advies slechts hierop kan gronden dat het advies uit hoofde van zijn inhoud of wijze van totstandkoming zo zeer indruist tegen redelijkheid en billijkheid dat het naar de uit de goede trouw voortvloeiende maatstaven onaanvaardbaar zou zijn dat zij aan dit advies zou kunnen worden gehouden (HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1001). Dit zou zo kunnen zijn als de stelling van de man juist is dat de heer [naam 2] een component, de Carried Interest, bij de waardering heeft overgeslagen. Hetgeen door de vrouw wordt betwist.

4.1.6.

In zijn advies schrijft de heer [naam 2] op pagina 16:

Op basis van deze passage in de beëindigingsovereenkomst heb ik verzocht om de overzichten te verstrekken waaruit de omvang van carried interest per fonds per 31 december 2015 blijkt. In reactie hierop ontving ik een kopie van een e-mailbericht van mevrouw [naam 1] , director van PwC en als account verantwoordelijk voor de controle van de jaarrekeningen van de verschillende beleggingsfondsen van KCP, waarin zij aangeeft dat binnen de fondsen van KCP geen bedragen gereserveerd zijn voor Carried Interest. Aangezien een accountant zich bij de jaarlijkse controlewerkzaamheden een oordeel dient te vormen over de volledigheid van de schuldposities, ga ik er van uit dat PwC heeft vastgesteld dat op basis van de resultaten van de fondsen geen aanspraken gemaakt kunnen worden op Carried Interest.

De rechtbank is van oordeel dat er gelet hierop er geen sprake van is dat de heer [naam 2] vergeten is de Carried Interest bij zijn waardering mee te nemen. De heer [naam 2] heeft immers wel gekeken naar de Carried Interest en heeft vastgesteld dat daarop geen aanspraken gemaakt kunnen worden. Dit komt ook overeen met hetgeen de vrouw heeft gesteld, namelijk dat er geen carried interest is uitgekeerd.

4.1.7.

Gelet op het bovenstaande zijn partijen gebonden aan het advies van [naam 2] en is dit advies het uitgangspunt voor de afwikkeling van het overeengekomen finale verrekenbeding.

4.1.8.

De rechtbank komt dan bij de beantwoording van de vraag óf en welk bedrag de vrouw uit hoofde van het finaal verrekenbeding nog aan de man moet betalen. De vrouw heeft gevorderd voor recht te verklaren dat zij nog een bedrag van £ 1.435.814,- aan de man dient te voldoen en dat de man aan haar dient te voldoen € 37.855,50. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat haar aandeel in Godshill LLP in Britse Ponden dient te worden verrekend.

4.1.9.

De man heeft daartegen verweer gevoerd. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat nu partijen in de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat Nederlands recht van toepassing is, ook in Euro’s dient te worden afgerekend en wel tegen de koers op 31 december 2015. De heer [naam 2] heeft de waarde ook omgerekend naar de koers op 31 december 2015.

4.1.10.

De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank dient al het vermogen in één keer te worden afgewikkeld en wel in Euro’s, nu de betaling ook in Nederland plaats vindt. Dat er sprake is van schommelingen in de wisselkoers, zoals door de vrouw is gesteld, maakt dit niet anders. De rechtbank gaat voor de waarde van het te verrekenen aandeel van de vrouw in Godshill LLP uit van het door [naam 2] genoemde bedrag van € 3.906.849,-.

4.1.11.

Uit het rapport van de heer [naam 2] , waarbij de rechtbank opmerkt dat de heer [naam 2] ten onrechte spreekt over te verdelen vermogen, volgt dan dat partijen de volgende bedragen dienen te verrekenen:

Aan de zijde van de vrouw

Aandeel Godshill LLP € 3.906.849,-

50% overwaarde [adres] € 51.602,50

Mercedes Benz [kenteken 1] € 8.500,-

Audi A6 Avant [kenteken 2] € 10.000,-

50% ABNAMRO [rekeningnummer 19] € 906,-

50% Rabobank [rekeningnummer 2] € 354,-

50% Rabobank [rekeningnummer 3] € 2.314,-

50% ING [rekeningnummer 4] € 2.747,50 (betaalrekening)

50% ING [rekeningnummer 4] € 1.287,- (spaarrekening)

50% PNC [rekeningnummer 6] (US) € 2.646,-

SNS Bank [rekeningnummer 5] € 356,-

Nat West [rekeningnummer 7] (GP) € 9.231,-

Lloyds [rekeningnummer 8] € 5.788,-

50% ABNAMRO [rekeningnummer 9] ( [tnv 1] ) € 67,50

50% ABNAMRO [rekeningnummer 10] ( [tnv 1] ) € 14.818,-

50% ABNAMRO [rekeningnummer 11] ( [tnv 2] ) € 150,-

50% ABNAMRO [rekeningnummer 12] ( [tnv 2] ) € 12.387,50

Schuld aan de man in verband met privé- € 99.983,50 -/-

investering woning ________

Totaal € 3.930.020,50

Aan de zijde van de man

50% overwaarde [adres] € 51.602,50

Ferrari 412 GT [kenteken 3] € 35.100,-

Ferrari 550 Maranello [kenteken 4] ) € 44.850,-

50% ABNAMRO [rekeningnummer 19] € 906,-

50% Rabobank [rekeningnummer 2] € 354,-

50% Rabobank [rekeningnummer 3] € 2.314,-

50% ING [rekeningnummer 4] € 2.747,50 (betaalrekening)

50% ING [rekeningnummer 4] € 1.287,- (spaarrekening)

50% PNC [rekeningnummer 6] (US) € 2.646,-

ABNAMRO [rekeningnummer 13] € 1.399,-

ABNAMRO [rekeningnummer 14] € 1.983,-

ABNAMRO [rekeningnummer 15] € 2.000,-

50% ABNAMRO [rekeningnummer 9] ( [tnv 1] ) € 67,50

50% ABNAMRO [rekeningnummer 10] ( [tnv 1] ) € 14.818,-

50% ABNAMRO [rekeningnummer 11] ( [tnv 2] ) € 150,-

50% ABNAMRO [rekeningnummer 12] ( [tnv 2] ) € 12.387,50

Vordering op vrouw in verband met privé- € 99.983,50

investering woning ______________

Totaal € 274.595,50

4.1.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vrouw uit hoofde van het verrekenbeding een bedrag van € 1.965.010,25 aan de man dient te betalen en dat de man € 137.295,75 aan de vrouw dient te betalen. Dit komt erop neer dat de vrouw nog € 1.827.712,50 aan de man moet betalen. Zij heeft reeds voldaan een bedrag van € 1.528.000,-, zodat zij nog een bedrag van € 299.712,50 aan de man moet betalen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en de vordering van de man tot dit bedrag toewijzen. Hetgeen partijen voor het meerdere of anders hebben gevorderd, wijst de rechtbank af. Wat partijen verder hebben aangevoerd ter zake het finale verrekenbeding behoeft gelet op het voorgaande geen verdere bespreking meer.

4.2.

Betaling in termijnen

4.2.1.

De vrouw heeft voorwaardelijk gevorderd indien zij nog een bedrag verschuldigd is uit hoofde van het finale verrekenbeding, op grond van artikel 12, lid 6 van de huwelijkse voorwaarden te bepalen dat zij het verschuldigde bedrag in termijnen mag voldoen. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat zij afhankelijk van de hoogte van de verrekenvordering hier gebruik van zal maken. Volgens de vrouw is het met het oog op het saldo van de capital account balance en in het licht van de duur van de afwikkeling in strijd met de redelijkheid en billijkheid om van de vrouw te verwachten dat zij een nadere verrekenvordering in één keer voldoet nadat deze opeisbaar is geworden. De vrouw heeft daartoe gesteld dat zij op haar capital account balance een tegoed heeft van £ 833.893,-. Daar tegenover staat echter een schuld van € 2.573.762,-. Dit betreft een verplichting jegens de investeerders en is gebaseerd op contractuele verplichtingen. De vrouw kan zich niet aan deze verplichting onttrekken.

4.2.2.

De man heeft verweer gevoerd. Volgens de man kan alleen sprake zijn van een betaling in termijnen indien er sprake van is dat zij meer zou moeten betalen dan op grond van het rapport van de heer [naam 2] en zou blijken dat de vrouw niet in één keer het bedrag kan voldoen. Dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt, blijkt volgens de man nergens uit. Daar komt bij dat de vrouw zich recent heeft laten uitschrijven uit de basisregistratie natuurlijke personen. Hierdoor wordt de tenuitvoerlegging van dit vonnis bemoeilijkt, aldus de man. Indien het de vrouw wordt toegestaan in termijnen te betalen, acht de man het daarom redelijk dat zij persoonlijke zekerheid verstrekt aan de man ter voldoening van hetgeen de man nog toekomt, inclusief de wettelijke rente, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie dan wel een ander dekkende (hypthecaire) zekerheid).

4.2.3.

De rechtbank overweegt dat partijen in de huwelijkse voorwaarden in artikel 12, lid 6 zijn overeengekomen dat het af te rekenen bedrag wordt voldaan binnen zes maanden na het einde van het huwelijk en dat in geval de redelijkheid dit gebiedt dit bedrag evenwel in maximaal vijf termijnen van een jaar kan worden voldaan. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat de redelijkheid met zich meebrengt dat zij het verschuldigde bedrag niet in één keer kan voldoen, gelet op de hoogte van de schuld aan Keyhaven funds, die door de man op zich zelf niet is betwist.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw het verschuldigde bedrag van € 299.712,50 in vijf termijnen van € 59.942,50 mag betalen, te voldoen voor 1 oktober van ieder jaar en voor het eerst voor 1 oktober 2021. Wel is de vrouw bij voldoening in termijnen op grond van de huwelijkse voorwaarden de wettelijke rente verschuldigd over het verschuldigde vanaf de datum vanaf het einde van het huwelijk, derhalve vanaf 4 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Ook dient de vrouw conform de huwelijkse voorwaarden genoegzaam zekerheid te stellen, bij gebreke waarvan het bedrag ineens opeisbaar zal worden. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Dit laat overigens onverlet dat de vrouw indien zij daartoe in staat is het bedrag ineens kan voldoen voor 1 oktober 2021.

in conventie

4.3.

Wettelijke rente

4.3.1.

De man heeft gevorderd dat de vrouw over de verrekeningsvordering de wettelijke rente verschuldigd is met ingang van 6 januari 2016, subsidiair met ingang van 4 juli 2017 meer subsidiair met ingang van de datum van de dagvaarding. De vordering van de man was per 6 januari 2016 opeisbaar, aldus de man, nu partijen deze datum zijn overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft ook erkend de wettelijke rente verschuldigd te zijn per 6 januari 2016, maar heeft zich beroepen op de redelijkheid en billijkheid. De wettelijke rente is immers geen financiële beloning, maar een financiële compensatie voor het feit dat de man niet vanaf 6 januari 2016 heeft kunnen beschikken over de gelden die hem toekomen. Dat het rapport van [naam 2] op zich heeft laten wachten, kan de man niet worden verweten. Hetzelfde geldt voor de procedures die zijn gevoerd.

4.3.2.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld partijen in de huwelijkse voorwaarden in artikel 12 een bepaling over de wettelijke rente zijn overeengekomen. Daarnaast heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat van de hoofdregel dat de wettelijke rente gaat lopen vanaf de peildatum op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken. Mocht blijken dat de vrouw de man nog een bedrag verschuldigd is uit hoofde van het verrekenbeding dan kan wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid daarover geen wettelijke rente verschuldigd zijn. De man kan zich niet neerleggen bij het bindend advies, waardoor de vermogensrechtelijke afwikkeling niet kan worden afgerond. Deze vertraging mag niet leiden tot een financiële beloning. De vrouw heeft zich ook nog beroepen op de matigingsgrond in artikel 6:109 BW.

4.3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de vaststelling van de opeisbaarheid van de finale verrekenplicht moet zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de oorspronkelijke partijbedoeling. Mede gelet op art. 1:141 lid 2 BW moet om die reden worden aangenomen dat de vordering in beginsel ontstaat op het moment van art. 1:142 lid 1 aanhef en onder b BW: het moment van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding, hetgeen ook de peildatum is voor de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen. Echter, partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden een bepaling ter zake van de wettelijke rente overeengekomen. In artikel 12, lid 6 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat indien de verrekenvordering op basis van de redelijkheid in vijf jaarlijkse termijnen wordt betaald de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van het einde van het huwelijk. Van deze situatie is in dit geval sprake, zodat de rechtbank zoals reeds in rechtsoverweging 4.2.3. is overwogen zal bepalen dat de vrouw de wettelijke rente verschuldigd is met ingang van 4 juli 2017.

4.4.

Vergoedingsrecht

4.4.1.

De man heeft gesteld dat hij in de periode van 6 januari 2016 tot en met 31 december 2019 diverse kosten ten behoeve van de vrouw betaald. Het gaat in om een bedrag van € 84.463,13. De vrouw moet dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan hem vergoeden, aldus de man.

4.4.2.

De vrouw erkent dat de kosten van Nijenrode ad € 18.865,- voor haar rekening dienden te komen en heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dit bedrag in augustus 2021 aan de man te vergoeden. De overige posten worden door de vrouw betwist. De man heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat zijn stellingen juist zijn anders dan een door hem zelf gefabriceerd overzicht. Bij gebreke daarvan kan de vrouw de posten daarom niet controleren. Nu de man niet aan zijn stelplicht heeft voldoen, moet de vordering volgens de vrouw worden afgewezen.

4.4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn vordering tegenover de betwisting door de vrouw niet voldoende onderbouwd. De man heeft alleen een A4-tje overgelegd met daarop verschillende posten en bedragen vermeld. De onderliggende stukken, zoals facturen en betalingsbewijzen, ontbreken, zodat de juistheid van de stellingen van de man niet kan worden nagegaan. Bovendien blijkt uit het door de man overgelegde overzicht dat een deel van de kosten betrekking heeft op de periode dat partijen nog gehuwd waren, hoewel het echtscheidingsverzoek reeds was ingediend. Tijdens het huwelijk hebben partijen op grond van artikel 1:88 BW over en weer de verplichting elkaar het nodige te verschaffen, zodat eventuele voor de vrouw voor 4 juli 2017 betaalde kosten sowieso niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank wijst gelet op het voorgaand de vordering van de man af voor zover het meer betreft dan de kosten van Nijenrode ad € 18.865,-.

4.4.4.

Ten aanzien van de door de man gevorderde wettelijke rente overweegt de rechtbank als volgt. Gesteld noch gebleken is dat de man de vrouw ex artikel 6:82 BW in gebreke heeft gesteld, hetgeen wel vereist is om vast te kunnen stellen dat de vrouw in verzuim is. De rechtbank wijst daarom de vordering tot vergoeding van een wettelijke rente af, mede ook omdat zij er vanuit gaat dat de vrouw conform haar toezegging tijdens de mondelinge behandeling, het verschuldigde bedrag inmiddels aan de man heeft voldaan.

4.5.

Pensioenverevening

4.5.1.

De man heeft gesteld dat partijen in de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen zal worden verevend. De man heeft zijn pensioenfonds al verzocht hiertoe over te gaan en dit is ook al verwerkt. De vrouw heeft ook pensioen gebouwd dat valt onder de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding, maar heeft nog niet in orde gemaakt dat het pensioen wordt verevend. De vrouw moet dit alsnog in orde maken en de man een bewijs daarvan overleggen. Indien zij dit niet binnen vier weken na de datum van dit vonnis doet, vordert de man een dwangsom van € 5.000,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft.

4.5.2.

De vrouw heeft betwist dat zij geen stappen heeft ondernomen ten aanzien van de verevening van haar pensioen. Er is een pensioendeskundige ingeschakeld die hier mee bezig is. Volgens de pensioendeskundige vallen er geen problemen te verwachten bij de verevening van het pensioen indien de Nederlandse rechter oordeelt dat het pensioen bij helfte moet worden verdeeld. Een andere optie is, aldus de vrouw, dat partijen de verevening van het pensioen nog twee jaar op zijn beloop laten. Over twee jaar kan het pensioen namelijk worden afgekocht. In Engeland is dit mogelijk indien men de vijfenvijftig jarige leeftijd bereikt.

4.5.3.

De rechtbank overweegt dat de vrouw, hoewel zij heeft gesteld bezig te zijn de pensioenverevening te regelen, geen stukken ter zake heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man dan ook belang bij toewijzing van zijn vordering. De rechtbank wijst de gevorderde dwangsom af, omdat gelet op de stellingen van de vrouw niet vast is komen te staan dat de vrouw weigerachtig is aan de overeengekomen pensioenverevening te voldoen. De rechtbank zal gelet op het voorgaande beslissen dat de vrouw binnen vier weken na betekening van dit vonnis stukken aan de man dient te verstrekken waaruit blijkt dat zij het pensioenfonds Aegon UK heeft verzocht het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen te verevenen en wat de stand van zaken ter zake is.

4.6.

Proceskosten

4.6.1.

De man zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daartoe overweegt de rechtbank dat de procedure voorkomt uit de omstandigheid dat de man niet heeft willen berusten in een tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank Midden-Nederland overeengekomen bindend advies. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 1.639,00

- salaris advocaat 9.997,50 (2,5 × tarief € 3.999,-)

Totaal € 11.636,50

in reconventie

4.7.

Eenvoudige gemeenschap van woning

4.7.1.

Partijen hebben gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, de onroerende zaak de [adres] in eigendom. De woning is getaxeerd op € 1.080.000,- per 6 januari 2016. Op de woning rustte op 6 januari 2016 een hypothecaire geldlening bij de ING ter grootte van € 976.794,56. Nu zoals hiervoor overwogen het rapport van de heer [naam 2] bindend wordt geacht te zijn tussen partijen, gaat de rechtbank enkel uit van wat partijen ter zake van de woning hebben aangevoerd in de situatie dat het advies van de heer [naam 2] bindend is. Het anders gestelde kan als niet ter zake doende terzijde worden gesteld.

4.7.2.

De vrouw heeft gevorderd de woning aan de man toe te delen tegen de waarde van € 1.080.000,-, waarbij rekening wordt gehouden met de hypothecaire geldlening per 6 januari 2016. De vrouw heeft betwist dat de man vanuit privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning. Echter, nu de vrouw het advies van de heer [naam 2] bindend acht en de heer [naam 2] met een investering van de man van € 199.967,- rekening houdt, accepteert de vrouw dit.

4.7.3.

De man heeft gesteld de woning toegedeeld te willen krijgen, maar heeft daarbij aangevoerd dat de ING pas nadat de vermogensrechtelijke afwikkeling vast is gesteld duidelijkheid kan geven of het mogelijk is de vrouw te doen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

4.7.4.

De rechtbank zal bepalen dat de woning aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van € 1.080.000,- onder de verplichting de hypothecaire schuld ad € 976.794,56 als eigen schuld te voldoen en onder de opschortende voorwaarde dat de man de vrouw kan doen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De overwaarde van de woning bedraagt € 103.205,44, zodat de vrouw in beginsel toekomt een bedrag van € 51.602,72. Echter, nu uitgaande van het bindend advies van de heer [naam 2] rekening gehouden moet worden met een privéinvestering van de man van € 199.967,-, dient de vrouw een bedrag van € 48.380,78 aan de man te betalen uit hoofde van verdeling van de eenvoudige gemeenschap en het vergoedingsrecht van de man. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de overdracht binnen vier maanden na de datum van dit vonnis plaats moet vinden en dat de man een notaris kan kiezen. Tevens zal worden bepaald dat de man de kosten van de overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man voor zijn rekening dient te nemen.

4.7.5.

Nu de man heeft gesteld dat hij vooralsnog geen duidelijkheid kan verschaffen of hij de woning toegedeeld kan krijgen, zal de rechtbank tevens de wijze waarop de verdeling dient plaats te vinden, bepalen voor het geval het de man niet lukt binnen vier maanden na dit vonnis de vrouw te doen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarvoor zal een vergelijkbaar “spoorboekje” worden meegeven als waartoe onder meer in de uitspraak van het hof Den Haag van 28 januari 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:128) is gekomen.

4.8.

Gemeenschappelijke bankrekeningen

4.8.1.

De vrouw heeft gesteld dat partijen de volgende gemeenschappelijke bankrekeningen hebben:

Rabobank rekeningnummer [rekeningnummer 16] ;

Rabobank rekeningnummer [rekeningnummer 17] ;

ING rekeningnummer [rekeningnummer 18] ;

ING rekeningnummer [rekeningnummer 18] ;

ABNAMRO rekeningnummer [rekeningnummer 19] ;

ABNAMRO rekeningnummer [rekeningnummer 20] ;

PNC rekeningnummer [rekeningnummer 6] .

De vrouw heeft gevorderd dat de bankrekeningen met bijbehorende saldi aan de man kunnen worden toegedeeld onder de verplichting € 10.254,50, zijnde de helft van het saldo waarvan in het rapport van de heer [naam 2] is uitgegaan.

4.8.2.

De man heeft geen bezwaar tegen toedeling van de genoemde bankrekeningen, onder verrekening van het saldo op deze bankrekeningen. Volgens de man hebben partijen vanaf 16 januari 2016 ook geleefd naar deze verdeling.

4.8.3.

De rechtbank zal genoemde bankrekeningen toedelen aan de man, waarbij de vrouw dient mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling en onder de verplichting dat de man € 10.254,50 aan de vrouw vergoedt.

4.9.

Gemeenschappelijke inboedel/persoonlijke goederen

4.9.1.

De vrouw heeft gesteld dat de man weigert het schilderij Segar, de klok die zij van haar vader heeft gekregen en haar collectie kinderboeken aan haar af te geven. De vordert daarom dat de man wordt veroordeeld deze goederen af te geven onder verbeurte van een dwangsom.

4.9.2.

De man heeft betwist dat hij de genoemde goederen niet aan de vrouw af wil geven. De vrouw heeft volgens de man nooit om afgifte gevraagd. Daarom moet de vordering worden afgewezen. De vrouw kan de goederen komen ophalen.

4.9.3.

Niet in geschil is dat het schilderij, de klok en de kinderboeken aan de vrouw kunnen worden toegedeeld dan wel aan haar toebehoren. Partijen hebben een verschillende lezing over de omstandigheden waardoor de vrouw deze goederen tot op heden niet heeft ontvangen. De rechtbank zal daarom beslissen dat de man binnen twee weken na betekening van dit vonnis de goederen aan de vrouw af zal moeten geven. De gevorderde dwangsom wijst de rechtbank af, omdat de rechtbank gelet op het standpunt van de man er vanuit gaat dat hij de veroordeling na zal komen.

4.10.

De man zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daartoe overweegt de rechtbank dat door de handelwijze van de man de overeengekomen verdeling van de voormalige echtelijke woning tot op heden niet is geëffectueerd. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] op basis van de toegewezen vordering op:

- salaris advocaat 703,75 (2,5 punt × factor 0,5 × tarief € 563,00)

Totaal € 703,75

De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

4.11.

veroordeelt de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tot betaling van € 299.712,50, te voldoen in vijf jaarlijkse termijnen van € 59.942,50, voor het eerst te voldoen voor 1 oktober 2021 en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met de verplichting om aan de man voldoende zekerheid te bieden voor het verschuldigde inclusief wettelijke rente, bij gebreke waarvan het verschuldigde direct volledig opeisbaar zal worden;

in conventie

4.12.

veroordeelt de vrouw tot het voldoen van de kosten van Nijenrode ad € 18.865,- aan de man;

4.13.

veroordeelt de vrouw om binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan de man stukken over te leggen, waaruit blijkt dat zij Aegon UK heeft gevraagd om verevening van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen en de stand van zaken ter zake de afwikkeling van dit verzoek aan de man over te leggen;

4.14.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.15.

veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 11.636,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in reconventie

4.16.

voor het geval toedeling aan de man van de woning [adres] onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden gerealiseerd:

stelt de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap als volgt vast:

4.16.1.

deelt toe aan de man de woning [adres] onder de verplichting:

• de hypothecaire geldlening bij de ING geheel voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;

• bepaalt dat de vrouw aan de man moet betalen in het kader van de verdeling van de woning een bedrag van € 48.380,78, zijnde de helft van de overwaarde verminderd met de vordering van de man op de vrouw uit hoofde van een vergoedingsrecht;

4.16.2.

bepaalt dat de levering van de woning [adres] aan de man dient plaats te vinden binnen vier maanden na dit vonnis, derhalve uiterlijk op 18 december 2021;

4.16.3.

bepaalt dat de man een notaris kan kiezen voor de overdracht en dat de kosten van de overdracht voor rekening van de man komen;

4.17.

voor het geval toedeling aan de man van de woning [adres] onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet binnen vier maanden na de datum van dit vonnis zal zijn gerealiseerd:

gelast de wijze van verdeling van de woning [adres] als volgt:

4.17.1.

bepaalt dat verkoop van de woning geschiedt binnen vier weken nadat de termijn van vier maanden voor notariële overdracht van het aandeel van de vrouw aan de man is verstreken, door middel van een opdracht aan een door beide partijen in overleg te kiezen NVM makelaar. Indien partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, doet de man een voorstel tot benoeming van drie verschillende makelaars, waaruit de vrouw één mag kiezen; Ieder van partijen is gehouden deze makelaar daartoe opdracht te geven;

4.17.2.

bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de door hem vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt;

4.17.3.

bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene(n) die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit naar beste weten en bindend kunnen bepalen;

4.17.4.

bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning [adres] aan (een) derde(n);

4.17.5.

bepaalt dat de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;

4.17.6.

bepaalt dat van de netto-verkoopopbrengst een bedrag van € 199.967,- aan de man toekomt uit hoofde van een vergoedingsrecht, waarna de resterende netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van een eventuele restschuld zal dragen;

4.17.7.

bepaalt dat iedere partij bij overdracht aan (een) derde(n) gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

4.18.

deelt de in rechtsoverweging 4.8.1. genoemde bankrekeningen met saldi toe aan de man, waarbij de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan wijziging van de tenaamstelling en onder de verplichting van de man aan de vrouw € 10.254,50 te vergoeden;

4.19.

bepaalt dat de man binnen twee weken na betekening van dit vonnis het schilderij Segar, de klok die de vrouw van haar vader heeft gekregen en de collectie kinderboeken, aan de vrouw dient af te geven;

4.20.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.21.

veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 703,75 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in conventie en in reconventie

4.22.

veroordeelt de man in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 255,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

4.23.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.J. van der Veen, op 25 augustus 2021.1

1 type: coll: