Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4349

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
20-08-2021
Zaaknummer
81/182395-20 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het veroorzaken van een aanvaring tussen zijn speedboot en een rubberbootje, voor de kust van Zoutelande. Hij heeft met zijn speedboot zo snel, onvoorzichtig en onoplettend gevaren, dat het aan zijn schuld te wijten is dat een 15-jarig meisje bij de aanvaring om het leven is gekomen. Ook wordt hij veroordeeld voor het varen van de speedboot terwijl hij onder invloed was van alcohol. Hij krijgt een taakstraf van 200 uur en moet smartengeld betalen aan de ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0681
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 81/182395-20 (Promis)

Datum uitspraak: 20 augustus 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 augustus 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Huisman en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.T.K. Davidse naar voren hebben gebracht.

De benadeelde partijen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] werden bijgestaan door mr. R.A.J. Delescen.

2 Inleiding en beschuldiging

Op 23 juli 2019 heeft er voor de kust van Zoutelande een noodlottige aanvaring plaatsgevonden tussen een speedboot en een rubberboot. Daarbij is [slachtoffer] om het leven gekomen. Verdachte was de bestuurder van de speedboot.

Hij wordt kort gezegd beschuldigd van

  1. dood door schuld, door als schipper zeer/aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te handelen waardoor zijn speedboot in aanvaring is gekomen met een rubberbootje waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden. Als dit niet kan worden bewezen wordt verdachte er van beschuldigd geen goede uitkijk te hebben gehouden, als bedoeld in artikel 31, vierde lid van de Scheepvaartverkeerswet;

  2. het besturen van een vaartuig op de Westerschelde onder invloed van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol.

De tenlastelegging staat in de bijlage.

3. Bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam

3.1.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is om de zaak te behandelen. De zaak wordt behandeld door het functioneel parket. Artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is de aangewezen zaken van het functioneel parket te behandelen. Op de voet van artikel 139b van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn afspraken gemaakt welk parket welke zaken behandeld. Het functioneel parket Amsterdam is belast met de Noordzee-zaken. Deze zaak heeft plaatsgevonden op de Noordzee, de rechtbank Amsterdam is daarom bevoegd.

De officier van justitie heeft kennisgenomen van het standpunt van de verdediging. De rechtbank is in ieder geval op de grond die de verdediging heeft aangevoerd bevoegd.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is om de zaak te behandelen. Artikel 2 Sv bepaalt dat onder meer de rechtbank Amsterdam bevoegd is als het feit begaan is aan boord van een vaartuig dat buitengaats wordt gebracht. Het incident heeft plaatsgevonden aan boord van de speedboot van verdachte voor de kust van Zoutelande. Dat kustgebied bevindt zich buitengaats, zodat de rechtbank Amsterdam bevoegd is.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel de aanvaring in Zeeland was en geen van de betrokkenen uit Amsterdam komt, vindt de rechtbank Amsterdam zichzelf bevoegd om kennis te nemen van deze zaak. De bevoegdheid is geregeld in artikel 2 Sv. Daarin is bepaald dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is als het een feit betreft dat op zee begaan wordt aan boord van een vaartuig dat buitengaats wordt gebracht. De rechtbank vindt net als de verdediging, en uiteindelijk ook de officier van justitie, dat hiervan sprake is. Het betreft (1) de verdenking van een feit dat op zee zou zijn begaan. Het incident vond immers plaats op de Noordzee, voor de kust van Zoutelande. Het zou (2) zijn begaan aan boord van een vaartuig. Verdachte bevond zich immers aan boord van zijn speedboot toen hij het feit zou hebben gepleegd en (3) dit vaartuig werd buitengaats werd gebracht. Verdachte heeft in de ochtend van 23 juli 2019 zijn boot vanaf land, het strand bij Zoutelande, in het water en daarmee buitengaats gebracht. De plaats van de aanvaring was ook buitengaats. In die situatie is de rechtbank Amsterdam volgens artikel 2 Sv bevoegd om te oordelen over de strafzaak.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging

De officier van justitie vindt dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dood door schuld doordat hij zeer onvoorzichtig heeft gevaren. Daarnaast vindt de officier van justitie op grond van het dossier ook bewezen dat verdachte met teveel alcohol op een vaartuig heeft bestuurd.

De verdediging vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van dood door schuld. Er is geen sprake van verwijtbaar handelen omdat niet kan worden vastgesteld dat het handelen van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend is geweest. Voor het ‘geen goede uitkijk houden’ van artikel 31, vierde lid van de Scheepvaartverkeerswet laat zij het oordeel aan de rechtbank. Van feit 2 moet verdachte ook worden vrijgesproken. Uit de ademanalyse volgt dat hij 2% boven de grenswaarde scoorde, maar uit het tegenonderzoek na bloedafname blijkt dat verdachte 8% onder de grenswaarde zat. De herberekening door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is onvoldoende betrouwbaar om te concluderen dat verdachte te veel alcohol heeft gedronken, omdat de conclusie op basis van algemeenheden is getrokken.

Voor zover nodig wordt hierna bij het oordeel van de rechtbank nader ingegaan op de door de officier van justitie en de verdediging ingenomen standpunten.

4.2.

Oordeel van de rechtbank

4.2.1.

Dood door schuld (feit 1)

De rechtbank vindt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dood door schuld door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden.

Juridisch kader

De belangrijkste vraag in deze zaak is of verdachte aanmerkelijke onvoorzichtig of onoplettend heeft gehandeld en daardoor schuld heeft aan de dood van [slachtoffer] . Schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) heeft een andere betekenis dan het begrip schuld in het normale spraakgebruik heeft. Er kan sprake zijn van schuld in de zin van 307 Sr als een verdachte een bepaald gevolg (bijvoorbeeld de dood) duidelijk niet heeft willen veroorzaken, maar hem dat gevolg toch verweten kan worden, omdat hij anders had kunnen en moeten handelen. Daarbij is niet elke fout die iemand maakt voldoende om te kunnen spreken van schuld. Het moet gaan om een verwijtbare, evidente, grote fout. In strafrechtelijke bewoordingen; er moet minimaal sprake zijn van ‘aanmerkelijke schuld’ om tot een veroordeling te kunnen komen. Bij de beoordeling hiervan zijn verschillende factoren van belang; het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst van die gedragingen en alle overige omstandigheden van het geval. Het uiteindelijke gevolg van de gedragingen van de verdachte weegt niet mee bij deze beoordeling. Hoe ernstig de gevolgen ook zijn, de schuld moet beoordeeld worden zonder het uiteindelijke gevolg, in dit geval de dood van [slachtoffer] , daarin mee te wegen.

Beoordeling gedragingen verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij zijn ouders had afgezet in Zoutelande, de eerste meters rustig is weggevaren van de kust en dat hij op het moment dat zijn motor volledig in het water was voluit kon accelereren. Dat moment was de speedboot ongeveer 20 meter van de kustlijn. Op dat moment heeft verdachte geaccelereerd met ongeveer 70 à 80 procent van het vermogen van de boot. Verdachte heeft het rubberbootje niet gezien. Zijn vriend [vriend] riep na 3 à 4 seconden “Pas op, stop”. Verdachte heeft toen direct achteruit geslagen waardoor de motor afsloeg en vol stuurboord roer gegeven. Links van de boot hoorde en voelde hij een tik. Verdachte schat in dat de aanvaring op 20 à 30 meter vanaf het strand plaatsvond. Het was die bewuste dag druk met recreanten op het strand en in het water.

De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat verdachte te hard heeft gevaren voor de omschreven situatie. Verdachte had zich de risico’s van zijn gedrag moeten realiseren, te meer omdat hij zelf heeft verklaard dat zwemmers en bootjes in dat gebied rare capriolen uithalen en soms verder uit de kust zijn dan je zou verwachten. Daarnaast weet verdachte, die al zeven jaar op de speedboot vaart, dat zijn boot bij het accelereren met het voorste deel uit het water komt waardoor hij minder zicht heeft. Verdachte had over een langere afstand vanaf de kust langzaam moeten varen om geen gevaar te creëren voor mensen in en op het water en goed zicht te houden op het water om hem heen. Ook voor dat hij accelereerde had verdachte bij voldoende oplettendheid de opvallend gele rubberboot waar [slachtoffer] en haar stiefbroer in voeren moeten hebben gezien.

Verdachte heeft ook gevaren terwijl hij meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken (zie hierna onder 4.2.2.). De rechtbank vindt dat verdachte door deze elementen, het varen op deze snelheid in deze omstandigheden, het onvoldoende zicht houden en het varen onder invloed van teveel alcohol, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gevaren. Daarmee heeft hij zichzelf in een situatie gebracht waarin hij het rubberbootje niet heeft gezien, en, toen hij het wel zag, teveel snelheid had om het bootje te kunnen ontwijken. Als gevolg daarvan is hij met zijn speedboot tegen de rubberboot met [slachtoffer] aangevaren waardoor zij is komen te overlijden.

4.2.2.

Varen onder invloed (feit 2)

Op grond van de Scheepvaartverkeerswet is het strafbaar een vaartuig te besturen als het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder bij een onderzoek daarnaar meer is dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht of het bloedalcoholgehalte meer dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. De rechtbank vindt dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt.

Verdachte is na de aanvaring om 15:43 uur gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Om 16:03 uur is een ademanalyse uitgevoerd met als resultaat 225 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Dat is een (beperkte) overschrijding van de grenswaarde van 220 microgram per liter uitgeademde lucht. Verdachte heeft vervolgens een tegenonderzoek aangevraagd omdat hij zich niet in het resultaat kon vinden. Om 16:56 uur is bloed bij verdachte afgenomen en onderzocht op de aanwezigheid van alcohol. Het resultaat daarvan was 0,46 milligram alcohol per milliliter bloed. Dat is net onder de grenswaarde van 0,5 milligram per milliliter bloed. Het bloed is echter ook 53 minuten later afgenomen dan de ademanalyse is gedaan.

Omdat alcohol wordt afgebroken door het lichaam is het logisch dat op een later moment de concentratie alcohol (in de adem of het bloed) minder is.

Het Openbaar Ministerie heeft aan het NFI gevraagd om het bloedalcoholgehalte terug te rekenen naar het tijdstip van de aanvaring.

Om vast te kunnen stellen of het door verdachte gevraagde bloedonderzoek de resultaten van de ademanalyse wel of niet bevestigt, moet echter niet worden teruggerekend naar het tijdstip van de aanvaring, maar naar het tijdstip van de ademanalyse.

Het NFI beschrijft in het rapport herberekening dat ook in het dossier zit dat alcohol wordt afgebroken in het lichaam. De snelheid waarmee dit gebeurt is individueel verschillend en in verreweg de meeste gevallen gelegen tussen de 0,10 en 0,25 milligram alcohol per milliliter bloed per uur. Het bloed dat is onderzocht werd 53 minuten later afgenomen dan de ademanalyse plaatsvond. In die 53 minuten zou de concentratie alcohol in het bloed van verdachte tussen de 0,088 en 0,22 milligram zijn afgenomen. In het voor verdachte meest gunstige geval geeft het bloedonderzoek teruggerekend naar het tijdstip van de ademanalyse een alcoholconcentratie van (0,46 + 0,088) 0,548 milligram per milliliter bloed. Ook daarmee is de grenswaarde van 0,5 milligram per milliliter bloed (beperkt) overschreden. De rechtbank stelt dan ook vast dat het bloedonderzoek de uitslag van de ademanalyse bevestigt.

Het resultaat van de ademanalyse kan daarom voor het bewijs wonden gebruikt.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte

1. primair.

op 23 juli 2019 in de gemeente Vlissingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, door als schipper van een schip (een speedboot, voorzien van registratienummer [registratienummer] ), met dat schip te varen op de Westerschelde en tijdens dat varen, terwijl er in dat vaarwater veel recreanten aanwezig waren, met een te hoge snelheid gezien de situatie ter plaatse, over dat vaarwater op ca. 30 meter van de waterlijn nabij een strand voer en;

  • -

    onvoldoende uitkijk heeft gehouden op het water en de daarin aanwezige recreanten om hem heen,

  • -

    niet tijdig is uitgeweken voor een rubberbootje,

  • -

    tegen dat rubberbootje aan is gevaren en

  • -

    onder invloed van alcohol verkeerde en aldus verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 27, tweede lid van de Scheepvaartverkeerswet,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat één opvarende van dat rubberbootje, te weten mevrouw [slachtoffer] , is overleden;

2.

op 23 juli 2019 in de gemeente Vlissingen op een scheepvaartweg, te weten de Westerschelde, een varend schip (een speedboot met het registratienummer [registratienummer] ) heeft gevoerd en gestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek ingevolge artikel 27 lid 2 onder a van de Scheepvaartverkeerswet tweehonderdvijfentwintig (225) microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Motivering van de straf

6.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar en een ontzegging van de vaarbevoegdheid voor drie jaar. Verdachte heeft de aanvaring ook niet gewild, maar het lag wel in zijn macht om het ongeluk te voorkomen. Met de strafeis wordt tot uitdrukking gebracht dat bij iedereen die vaart het belang van veiligheid en voorzichtigheid voorop moet staan en dat het gebruik van te veel alcohol daar niet bij past. Voor de hoogte van de straf heeft de officier van justitie gekeken naar vergelijkbare zaken.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging vindt bij een bewezenverklaring van alleen ‘geen goede uitkijk houden’ als bedoeld in artikel 31, vierde lid van de Scheepvaartverkeerswet een geldboete of taakstraf passend. Bij de strafoplegging moet rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

Verdachte heeft met zijn speedboot op een te korte afstand van het strand geaccelereerd bij het wegvaren en daardoor onvoldoende zicht gehad op water er om hem heen op het water gebeurde. Dit deed hij ondanks het feit dat het die dag enorm druk was op het strand en hij dus moest weten dat er zwemmers en andere recreanten in het water aanwezig konden zijn. Nadat verdachte zijn snelheid had verhoogd, kwam hij in aanvaring met het rubberbootje met daarin de 15-jarige [slachtoffer] , die samen met haar stiefbroer op de zee aan het varen was. Als gevolg van deze aanvaring en het daarbij opgelopen letsel is [slachtoffer] overleden. Na het ongeval is geconstateerd dat verdachte onder invloed was van alcohol. Alcohol en verkeer, ook op het water, zijn geen goede combinatie en het is een feit van algemene bekendheid dat daardoor het reactie- en het inschattingsvermogen kunnen worden aangetast.

Verdachte heeft door zijn schuld groot en onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van [slachtoffer] . Van de moeder en vader van [slachtoffer] zijn op de zitting verklaringen voorgelezen waaruit duidelijk bleek hoe zeer [slachtoffer] wordt gemist en hoe haar ouders nog dagelijks geconfronteerd worden met de gevolgen van haar overlijden. De moeder van [slachtoffer] heeft vanaf het strand de aanvaring zien gebeuren. Zij heeft vervolgens tussen hoop en vrees geleefd toen haar zwaargewonde dochter naar het strand werd gebracht en de hulpverlening voor haar leven heeft gevochten. De moeder van [slachtoffer] moest vervolgens de vader van [slachtoffer] op de hoogte brengen van het overlijden van hun dochter. Het verlies van een kind is ondragelijk. De manier waarop dat heeft plaatsgevonden zullen de ouders en overige nabestaanden de rest van hun leven bij zich dragen. De rechtbank is zich er van bewust dat welke straf zij ook oplegt, daarmee het verdriet en het verlies van de nabestaanden niet kunnen worden goedgemaakt.

Dat de rechtbank verdachte veroordeelt, betekent niet dat de rechtbank ook oordeelt dat verdachte dit heeft gewild; het ongeval niet en al helemaal niet het overlijden van [slachtoffer] . Dat heeft verdachte ook op de zitting benadrukt. Deze veroordeling betekent wel dat hem het ongeval kan worden verweten omdat hij anders had kunnen en moeten handelen. Het gebruik van iets meer alcohol dan toegestaan vindt de rechtbank reden voor een iets zwaardere straf omdat verdachte daarmee bewust een risico heeft genomen.

De rechtbank houdt ook rekening met de impact van de aanvaring op verdachte. Hij zal moeten leven met het besef dat hij schuldig is aan een dodelijk ongeval. Verdachte heeft op de zitting verteld zich verantwoordelijk te voelen voor het overlijden van [slachtoffer] en zijn spijt en medeleven aan de nabestaanden betuigd.

De rechtbank heeft ook gekeken naar de redelijke termijn. In beginsel moet een strafzaak binnen twee jaar tot een afronding komen. De redelijke termijn in de zaak van verdachte is gestart op 24 juli 2019, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld. Vanaf dat moment kon verdachte verwachten dat hij zou worden vervolgd. De zaak had dus in beginsel uiterlijk twee jaar later op 24 juli 2021 afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet op 20 augustus 2021 uitspraak. De rechtbank constateert dus dat de redelijk termijn met 27 dagen is overschreden, maar zal daar – gelet op de zeer geringe overschrijding – geen gevolgen aan verbinden.

De rechtbank vindt alles afwegend een taakstraf van 200 uur passend. Daarbij heeft de rechtbank ook gekeken naar vergelijkbare zaken, waaronder die die door de officier van justitie zijn aangehaald.1

De officier van justitie heeft een ontzegging van de vaarbevoegdheid voor 3 jaar gevraagd. De rechtbank ziet daarvoor geen wettelijke basis in de Scheepvaartverkeerswet of een andere regeling. Artikel 35b van de Scheepvaartverkeerswet geldt alleen voor het varen op de binnenwateren. Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het ongeval op zee heeft plaatsgevonden.

7 Benadeelde partijen

7.1.

Vorderingen

[naam 1] vordert € 70.000,00 aan vergoeding van immateriële schade (€ 20.000,00 affectieschade en € 50.000,00 shockschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en verzoekt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam 2] vordert € 70.000,00 aan vergoeding van immateriële schade (€ 20.000,00 affectieschade en € 50.000,00 shockschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en verzoekt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam 3] vordert € 22.500,00 aan vergoeding van immateriële schade (€ 17.500,00 affectieschade en € 5.000,00 shockschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en verzoekt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank kent [naam 1] en [naam 2] affectieschade toe van € 20.000,00 met wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde shockschade wordt afgewezen. De vordering van [naam 3] wordt in zijn geheel, zowel de affectieschade als de shockschade, afgewezen.

Affectieschade

Affectieschade is immateriële schade die iemand lijdt door het verdriet van onder meer het overlijden van een naaste. In de wet staat een opsomming van de personen die in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade bij overlijden. Hieronder vallen onder andere ouders, kinderen, partners en zorgrelaties. Er is ook een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort.2

De rechtbank stelt vast dat aan benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] door het bewezenverklaarde feit immateriële schade is toegebracht. Het slachtoffer was hun dochter. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade kunnen zij aanspraak maken op vergoeding van € 20.000,00 aan affectieschade. De rechtbank wijst dit deel van hun vordering toe voor een bedrag van € 20.000,00.

Benadeelde partij [naam 3] is de stiefbroer van het slachtoffer en valt daarmee niet in de kring van gerechtigden. Broers en zussen staan niet opgesomd in de wet als gerechtigd tot vergoeding van affectieschade. De rechtbank vindt ook de hardheidsclausule niet van toepassing op [naam 3] . Voor de rechtbank is het volkomen helder dat [naam 3] veel pijn en verdriet heeft door de dood van zijn stiefzus, maar van uitzonderlijke omstandigheden is hier onvoldoende gebleken. De rechtbank wijst de affectieschade voor benadeelde partij [naam 3] dus af.

Shockschade

Bij shockschade gaat het om schade van de benadeelde partij zelf, bij wie door het zien van een ernstige gebeurtenis of vanwege de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok ontstaat, waardoor diegene geestelijk letsel krijgt. Daarvoor is in beginsel vereist dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld en dat de rechtbank dat kan vaststellen. Dat geestelijk letsel zal zich vooral kunnen voordoen als iemand in een nauwe relatie staat met degene die bij het ongeval is gedood of gewond is geraakt. In de rechtspraak worden de voorwaarden om shockschade te vergoeden strikt toegepast.

Benadeelde partijen [naam 1] en [naam 3] waren aanwezig bij het noodlottige ongeval waarbij hun dochter/stiefzus is overleden. De rechtbank erkent zonder meer dat de impact van het van dichtbij meemaken van het ongeluk en vervolg daarvan op het strand voor hen zeer ingrijpend is geweest en nog dagelijks is. De rechtbank kan alleen bij beiden geen geestelijk letsel vaststellen. Daarvoor is geen onderbouwing gegeven met een schriftelijke verklaring van een psycholoog of psychiater. Ook op andere wijze is van geestelijk letsel niet gebleken. De vorderingen tot shockschade van de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 3] zullen dan ook worden afgewezen.

Benadeelde partij [naam 2] was niet bij het ongeval aanwezig. Ter onderbouwing van de vordering van shockschade heeft de advocaat van de benadeelde gewezen op het feit dat [naam 2] direct de berichten over het ongeluk heeft gehoord en later geconfronteerd is met zijn overleden dochter toen zij thuis opgebaard lag. De rechtbank begrijpt dat de wijze waarop [naam 2] geconfronteerd werd met de dood van zijn dochter hem veel pijn en leed heeft gebracht. De geschetste confrontatie valt alleen niet binnen het criterium voor shockschade; het waarnemen van het ongeval of een directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Daarnaast kan de rechtbank ook bij [naam 2] geen geestelijk letsel vaststellen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22 c, 22d, 36f, 55 en 307 van het Wetboek van Strafrecht.

- 27 en 31 Scheepvaartverkeerswet

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van

dood door schuld

en

handelen in strijd met artikel 27, tweede lid van de Scheepvaartverkeerswet.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uur, met bevel voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uur per dag.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijk rente daarover vanaf 23 juli 2019 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] aan de Staat € 20.000,00 (twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijk rente daarover vanaf 23 juli 2019 tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor maximaal 135 (honderdvijfendertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijk rente daarover vanaf 23 juli 2019 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 2] aan de Staat € 20.000,00 (twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijk rente daarover vanaf 23 juli 2019 tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor maximaal 135 (honderdvijfendertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [naam 3] af.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. J. Huber en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2021.

1 ECLI:NL:RBAMS:2018:1718; ECLI:NL:RBGEL:2018:3129 en ECLI:NL:RBDHA:2020:13009; ECLI:NL:RBDHA:2020:13010

2 Artikel 6:108 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek.