Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4334

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
13/751596-21
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

EAB Polen, aanhouding voor nader beraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751596-21

RK nummer: 21/3209

Datum uitspraak: 10 augustus 2021

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 juni 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 maart 2021 door de District Court in Rzeszow (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in [BRP-adres]

,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 juli 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.


Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest warrant van de Regional Court in Rzeszow (Polen) van 31 augustus 2021 en een beslissing van de Regional Court in Rzeszow (Polen) on the application of a temporary arrest for a period of 2 months following the date of detention van 17 juli 2019 met kenmerk X K 686/17 (X K 773/19).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20 en 23, te weten:

oplichting;

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan feit 1 en 2. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 Artikel 11 OLW

Standpunten ter zitting

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon vreest in Polen een langdurige procedure tegemoet te gaan waarbij hij het gevaar loopt dat het recht op een eerlijk proces geschonden zal worden, zo blijkt onder andere uit het feit dat de Europese Commissie aan Polen een ultimatum heeft gesteld om de tuchtkamer aan te passen. Daarnaast bestaat er een zorgelijke situatie omtrent de uitvoering van EAB’s in Polen. Subsidiair verzoekt de raadsman om aanhouding in afwachting van de beantwoording van de eventueel door de Ierse rechter te stellen prejudiciële vragen, of aansluiting bij deze vragen door de rechtbank.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan en heeft zich verzet tegen aanhouding. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de zorgen omtrent de Poolse rechtsstaat al geruime tijd bestaan. Er zijn eerder prejudiciële vragen gesteld en de conclusie is geweest dat niet kan worden gestopt met het uitvoeren van Poolse EAB’s. Een opgeëiste persoon moet kunnen aangeven waarom in zijn concrete geval sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. Er is geen reden om van deze lijn af te wijken.

Oordeel van de rechtbank

The Supreme Court in Ierland heeft bij uitspraak van 23 juli 2021 in de gevoegde zaken [naam 1] and [naam 2] v. Minister for Justice and Equality1 het voornemen geuit om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), naar aanleiding van ontwikkelingen met betrekking tot de Poolse rechtsstaat, die zich hebben voorgedaan na de uitspraak van het Hof van Justitie van 25 juli 2018, C‑216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586, in het bijzonder ontwikkelingen die zich vanaf 24 februari 20202 hebben voorgedaan. Deze vragen hebben – kort gezegd – betrekking op ogenschijnlijke gebreken in de geldigheid van de benoemingsprocedure van rechters in Polen en de gevolgen daarvan voor de toelaatbaarheid van overleveringen aan Polen in algemene zin.

De rechtbank is van oordeel dat de antwoorden op deze nog te stellen prejudiciële vragen ook in de onderhavige zaak relevant zijn. De rechtbank zal daarom het onderzoek ter zitting heropenen en voor onbepaalde tijd aanhouden.

Het onderzoek ter zitting zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat artikel 22, vijfde lid, OLW voorschrijft dat de beslistermijn telkens met maximaal 30 dagen kan worden verlengd. De zaak zal dus voor het verstrijken van deze 30 dagen wederom op zitting dan wel op raadkamer worden aangebracht om te beslissen over een eventuele verdere verlenging van de beslistermijn.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak binnen de hierna te noemen termijn op zitting dan wel in raadkamer moet worden aangebracht;

VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn met 30 dagen;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn advocaat;

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Spanjaart, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 augustus 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 https://courts.ie/acc/alfresco/69dfc107-7a5e-4212-a4a8-e27250205b87/2021_IESC_46.pdf/pdf#view=fitH.

2 De rechtbank begrijpt: de datum dat de ‘law on the judiciary of 20 December 2019’ in werking is getreden.