Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4323

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
13/751472-21
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB België ter vervolging - detentie omstandigheden - overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751472-21

RK nummer: 21/2713

Datum uitspraak: 10 augustus 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 mei 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 13 april 2021 door de Onderzoeksrechter Rechtbank Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, Afdeling Gent (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres]

gedetineerd in het [plaats detentie]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 1 juli 2021

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 juli 2021. Het verhoor van de opgeëiste persoon heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw,

mr. N.M. Delsing, advocaat te Amsterdam, die waarneemt namens haar kantoorgenoot

mr. W.R. Jonk. De behandeling van de zaak is door de rechtbank voor nader beraad aangehouden.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Sluiting onderzoek en tussenuitspraak 15 juli 2021

Bij tussenuitspraak van 15 juli 2021 is het onderzoek heropend en vervolgens geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen aan de Belgische autoriteit te stellen over de detentie omstandigheden in België.

In deze tussenuitspraak is verder reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de genoegzaamheid van de stukken, de dubbele strafbaarheid van de feiten en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. Deze overwegingen worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Zitting 3 augustus 2021

De rechtbank heeft op 3 augustus 2021 met toestemming van de raadsvrouw en de officier van justitie het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het moment van het doen van de tussenuitspraak op 15 juli 2021. Het verhoor van de opgeëiste persoon heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat te Amsterdam, die waarneemt namens haar kantoorgenoot mr. W.R. Jonk.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Artikel 11 OLW

Bij uitspraak van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3243) heeft de rechtbank in de zaak van een andere opgeëiste persoon geconcludeerd dat in België een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een instelling waar sprake is van grondslapers waardoor de minimale persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel van 3 m2 niet meer is gewaarborgd, alsmede waar sprake is van niet-afgeschermde toiletten in meerpersoonscellen. De detentie-instellingen waar hiervan sprake is zijn: Antwerpen, Gent, Brugge, Oudenaarde, Hasselt, Dendermonde en Mechelen.

Bij brief van 20 juli 2021 heeft het Federal Public Service Justice te Brussel onder meer het volgende geschreven:

“(...)

In the same way, only the competent judicial authority is entitled to designate, in such a case, the prison where the surrendered person will be detained during the pre-trial detention. As decided so by the competent judicial authority, Mr. [opgeëiste persoon] will be detained in the prison of [plaatsnaam] .

2 Specific conditions of detention

According to the ordinary detention regime, the Belgian authorities engage themselves to guarantee that the person surrendered on the basis of a European Arrest Warrant will be detained in Belgium in a way and in a place that respect its

human rights and that, more particularly, respect the international requirements (e.a. CPT standards) including inter alia a sufficient individual space, a separated sanitary block and out-of-cell activities. Furthermore, the Belgian Act on the Organization of Prison Services and the Status of Prison Staff (23.03.2019) responds to criticisms made by the Council of

Europe's anti-torture committee on the 13.07.2017.

In this case, Mr. [opgeëiste persoon] will be detained alone in a cell of at least 9m². The cell is fully equipped, including with a sanitary block (toilet and sink). As Mr. [opgeëiste persoon] will be detained alone, the last question becomes irrelevant.

(..) ”

Standpunt verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de door de Belgische autoriteit verstrekte garantie onvoldoende is om de te waarborgen dat de opgeëiste persoon niet zal worden blootgesteld aan een schending van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De problemen in de Belgische detentie-instellingen zijn nog niet opgelost en in een andere zaak is precies dezelfde garantie verstrekt. In die andere zaak zijn tevens meerdere garanties verstrekt en dat is in deze zaak niet gebeurd. Ten slotte is het al voorgekomen dat een door de Belgische autoriteit verstrekte garantie dat de opgeëiste persoon in een monocel zal worden geplaatst, niet is nagekomen. Gelet op al het voorgaande verzoekt de raadsvrouw om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie op te vragen aan de Belgische autoriteit.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan aangezien de door de Belgische autoriteit verstrekte garantie het in de detentie-instelling van [plaatsnaam] vastgestelde algemene gevaar op schending van artikel 4 Handvest, wegneemt. Het is in het verleden één keer voorgekomen dat de opgeëiste persoon toch in een meerpersoonscel is geplaatst terwijl de garantie gold dat hij in een monocel zou worden geplaatst, maar dat is de volgende dag opgelost doordat het IRC met de Belgische autoriteit heeft gebeld. De officier van justitie verzet zich tegen het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

Oordeel van de rechtbank

Bij de hiervoor vermelde brief van de Federal Public Service Justice wordt de garantie gegeven

dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in de detentie-instelling van [plaatsnaam] in een monocel van 9 vierkante meter met eigen sanitaire voorzieningen en met voldoende activiteiten buiten de cel. Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee het eerder vastgestelde algemene reële gevaar voor de detentie-instelling van [plaatsnaam] , dat personen die aldaar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, voor de opgeëiste persoon weggenomen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verstrekte garantie niet zal worden nageleefd.

Dat in het verleden eenmaal een dergelijke garantie niet is nagekomen, is daarvoor onvoldoende. Het is immers gebleken dat dat verzuim onmiddellijk - een dag later - werd hersteld.

De overige door de verdediging geuite zorgen geven, gelet op het toetsingskader van artikel 11, eerste lid OLW geen aanleiding tot een ander oordeel. Ten slotte ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.

De rechtbank verwerpt het verweer en zal de overlevering van de opgeëiste persoon toestaan.

4 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

5 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45, 47 en 287 wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

6 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter Rechtbank Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, Afdeling Gent (België).

Aldus gedaan door

mr. M.T.C. de Vries, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en N.M. van Waterschoot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 augustus 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.