Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4308

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
C/13/703563 / KG ZA 21-512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Google hoeft een verwijderde video van een interview met een Tweede Kamerlid over de coronamaatregelen niet terug te plaatsen op YouTube.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/384
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/703563 / KG ZA 21-512 MDvH/ MV

Vonnis in kort geding van 18 augustus 2021

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de stichting

STICHTING BLCKBX,

gevestigd te Amsterdam,

eisers bij dagvaarding van 29 juni 2021,

advocaten mr. S.K. Setz en mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

GOOGLE IRELAND LIMITED,

gevestigd te Dublin (Ierland),

gedaagde,

advocaten mr. R.D. Chavannes en mr. A. Strijbos te Amsterdam.

Eisers zullen hierna ook [eiser 1] , [eiser 2] en Blckbx worden genoemd. Gedaagde zal hierna ook Google of YouTube worden genoemd.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 28 juli 2021 hebben [eiser 1] , [eiser 2] en Blckbx de dagvaarding toegelicht. Google heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd.

Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

aan de zijde van eisers: [eiser 1] , [eiser 2] , [naam 1] , [naam 2] en
[naam 3] , met mr. Setz, mr. Maliepaard en hun kantoorgenoot mr. E. Verweij;

aan de zijde van Google: [naam 4] en [naam 5] met mr. Chavannes,
mr. Strijbos en hun kantoorgenoot mr. S.C. ten Bosch.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben de voorzieningenrechter en de griffier de video’s bekeken die door eisers als producties 5 en 7 in het geding zijn gebracht.
Op de mondelinge behandeling is de video die door eisers als productie 5 in het geding is gebracht in zijn geheel getoond. Van de video die eisers als productie 7 in het geding hebben gebracht, die ruim een half uur duurt, zijn de eerste dertien minuten en de laatste twee minuten getoond.
De mondelinge behandeling is voor belangstellenden digitaal te volgen geweest via een Skype for Business verbinding alsmede via een door Blckbx verzorgde live stream.
Na verder debat is vonnis bepaald op 18 augustus 2021.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] is lid van de Tweede Kamer. Hij laat zich kritisch uit over overheidsmaatregelen rondom de verspreiding van het coronavirus. [eiser 1] beschikt over de website [website] . Blckbx is een nieuwskanaal dat via internet uitzendt, met name via het videoplatform YouTube. Blckbx exploiteert de website www.blckbx.tv en zij beschikt over het Twitteraccount @blckbxnews. Ook Blckbx laat zich kritisch uit over overheidsmaatregelen rondom de verspreiding van het coronavirus. [eiser 2] is internetondernemer en statutair bestuurder van Blckbx. Hij treedt regelmatig op als interviewer, presentator of inleider in video’s van Blckbx. Google exploiteert YouTube. Zowel [eiser 1] als Blckbx hebben een account op YouTube, waar zij regelmatig video’s plaatsen.

2.2.

De rechtsverhouding (overeenkomst) tussen YouTube en haar gebruikers wordt onder meer beheerst door haar Servicevoorwaarden, haar Communityrichtlijnen, haar beleid tegen misleidende medische informatie over Covid-19 (hierna: het Covid-beleid) en door de regels met betrekking tot veiligheid en auteursrecht. YouTube stelt haar diensten gratis ter beschikking.

2.3.

In de Servicevoorwaarden staat, voor zover van belang:
Als we redelijkerwijs van mening zijn dat Content deze Overeenkomst schendt of schade kan toebrengen aan YouTube, onze gebruikers of derden, kunnen we deze Content geheel of gedeeltelijk weghalen of verwijderen.

2.4.

In het Covid-beleid staat onder meer:
YouTube staat geen content toe die misleidende medische informatie verspreidt die in strijd is met de medische informatie over COVID-19 van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) of lokale gezondheidsautoriteiten. (…)”.

Volgens het Covid-beleid is onder meer niet toegestaan:
Content waarin wordt geclaimd dat mondkapjes geen rol spelen in de voorkoming van besmetting met of verspreiding van COVID-19.
(…)
Content waarin wordt geclaimd dat COVID-19-vaccins het risico op besmetting met COVID-19 niet verkleinen.
(…)
Misleidende informatie over social distancing of zelfisolatie: content waarin de doeltreffendheid van de aanbevelingen van de WHO of lokale gezondheidsautoriteiten in twijfel wordt getrokken als het gaat om het bewaren van fysieke afstand en zelfisolatie om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan.
(…)
Content waarin wordt geclaimd dat de symptomen, dodentallen of besmettelijkheid van COVID-19 minder ernstig zijn dan of even ernstig zijn als die van een verkoudheid of de griep.
(…)
Content waarin wordt geclaimd dat kinderen COVID-19 niet kunnen krijgen.

Tot slot is in het Covid-beleid opgenomen:
Content die het hier beschreven beleid tegen misleidende informatie schendt, kan worden toegestaan als die content context bevat die evenveel of meer gewicht toekent aan compenserende informatie van lokale gezondheidsautoriteiten of aan de medische of wetenschappelijke consensus. We staan mogelijk ook uitzonderingen toe als de content het doel heeft om de misleidende informatie die ons beleid schendt tegen te spreken of te ontkrachten.

2.5.

Op 10 maart 2021 heeft in het gebouw van de Tweede Kamer een technische briefing plaatsgevonden met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport. [eiser 1] was hierbij aanwezig alsmede [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] , directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM. Op 11 maart 2021 heeft [eiser 1] een video met de titel “Is de IFR van corona vergelijkbaar met die van de griep? Ja!” op YouTube geplaatst. Deze video (productie 5 eisers), door eisers ook de Kamervideo genoemd, bevat een gedeelte van het op 10 maart 2021 gehouden debat tussen [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] en [eiser 1] . Op 13 maart 2021 heeft YouTube de Kamervideo verwijderd.

2.6.

Op 17 maart 2021 heeft Blckbx een video op YouTube geplaatst, door eisers ook de Interviewvideo genoemd (productie 7 eisers), waarin [eiser 2] met [eiser 1] in gesprek gaat, onder meer over het verwijderen van de Kamervideo. De Interviewvideo bevat een gedeelte van de Kamervideo. Op 17 maart 2021 heeft YouTube de Interviewvideo verwijderd.

2.7.

Bij brief van 1 april 2021 heeft de raadsman van eisers YouTube (Google) gesommeerd de Interviewvideo terug te plaatsen

2.8.

Bij (standaard) e-mail van 15 april 2021 heeft YouTube gereageerd op een bezwaar van Blckbx tegen het verwijderen van de Interviewvideo. In de e-mail staat dat YouTube de content zorgvuldig heeft beoordeeld, dat het beleid tegen misleidende medische informatie is geschonden en dat de content niet zal worden teruggeplaatst.

2.9.

Enkele dagen voor de mondelinge behandeling in dit kort geding heeft YouTube de Kamervideo teruggeplaatst, dit onder de volgende mededeling:

We kunnen bevestigen dat de content onze communicatierichtlijnen niet schendt.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] , [eiser 2] en Blckbx vorderen (na vermindering van eis) – kort gezegd – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
i. YouTube te veroordelen de Interviewvideo terug te plaatsen op haar platform en die video daar geplaatst te houden, op straffe van een dwangsom van
€ 50.000,00 per dag met een maximum van € 1.000.000,00;
ii. YouTube te veroordelen een rectificatie te plaatsen op www.youtube.com waarin – kort gezegd – is opgenomen dat twee video’s zijn verwijderd omdat die misleidende medische informatie zouden bevatten, dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat dit niet het geval is, dat die video’s dus niet in strijd waren met de Servicevoorwaarden, de Communityrichtlijnen en het Covid-beleid en dat YouTube om die reden de video’s heeft teruggeplaatst, op straffe van een dwangsom van
€ 50.000,00 per dag met een maximum van € 1.000.000,00;
iii. YouTube te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente; en
iv. YouTube te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Eisers stellen hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. De Kamervideo bevat beelden van het debat tussen [eiser 1] en [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] . [eiser 1] stelt de vraag aan [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] of de IFR (Infection Fatality Rate) van Covid-19 vergelijkbaar is met de IFR van influenza (griep). [eiser 1] houdt [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] enkele percentages voor en vraagt of deze percentages ongeveer kloppen. In de Kamervideo reageert [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] daarop bevestigend en zegt: “Dan kom je inderdaad op percentages zoals u die ongeveer noemt.” In de Interviewvideo wordt [eiser 1] voor een door Blckbx uit te zenden opinieprogramma geïnterviewd door [eiser 2] . Onderwerp van het gesprek is onder meer het verwijderen door YouTube van de Kamervideo, het chilling effect dat daarvan uitgaat, de gevolgen voor een politicus als vlak voor de verkiezingen zijn video’s van YouTube worden verwijderd, de inconsistentie in de toepassing van het beleid door YouTube en de machtspositie van YouTube.

3.3.

Voor de juridische onderbouwing van hun vorderingen verwijzen eisers allereerst naar twee vonnissen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 9 september 2020 en 13 oktober 2020 in zaken tegen YouTube en Facebook (ECLI:NL:RBAMS:2020:4435 en ECLI:NL:RBAMS:2020:4966). In het vonnis van 9 september 2020 is geoordeeld dat op platforms als YouTube een grote verantwoordelijkheid rust en dat een strikte toepassing door YouTube van haar beleid om uitsluitend content toe te staan die in lijn is met de visie van de WHO en het RIVM te beperkt is en in verband met de horizontale werking van de vrijheid van meningsuiting niet is toegestaan. In het vonnis van 13 oktober 2020 is geoordeeld dat bepalingen uit het EVRM (zoals het recht op vrijheid van meningsuiting) op indirecte wijze kunnen doorwerken in privaatrechtelijke verhoudingen, door de invulling van open privaatrechtelijke normen, en dat daarbij uitgangspunt moet zijn dat Facebook niet onredelijk handelt door toepassing van haar Covid-beleid, dat zij in lijn met de visie van de WHO en naar aanleiding van een oproep van de Europese Commissie heeft ontwikkeld.

3.4.

Eisers stellen dat YouTube in dit geval heeft gehandeld in strijd met haar eigen Covid-beleid en daardoor is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst (artikel 6:74 BW). De Kamervideo is niet in strijd met het Covid-beleid omdat daarin nu juist de Nederlandse gezaghebbende autoriteit op het gebied van infectieziekten ( [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] ) aan het woord komt. Kennelijk is ook YouTube inmiddels tot dit inzicht gekomen, omdat zij – onder druk van dit kort geding – de Kamervideo heeft teruggeplaatst. YouTube heeft de Kamervideo dus kennelijk op onterechte gronden verwijderd en maar liefst vier maanden verwijderd gehouden, juist in een periode dat de verkiezingen voor de Tweede Kamer plaatsvonden. Met betrekking tot de Interviewvideo heeft YouTube op geen enkele wijze onderbouwd waarom die video in strijd zou zijn met de bepalingen die op de overeenkomst van toepassing zijn. YouTube heeft haar beslissing niet gemotiveerd. Pas in haar conclusie van antwoord heeft YouTube kenbaar gemaakt waaruit de zogenaamde “medisch misleidende informatie” zou bestaan. Eisers bestrijden dat hiervan sprake is. Mocht desalniettemin worden geoordeeld dat het verwijderen van de video’s niet in strijd is met de overeenkomst, dan stellen eisers zich op het standpunt dat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW). Verder voeren [eiser 1] en Blckbx aan dat zij (reputatie)schade hebben geleden door het verwijderen van de video’s omdat die ten onrechte de kwalificatie kregen “misleidende medische informatie”. Die schade is niet te herstellen door alleen het terugplaatsten van de video’s. Om deze reden vorderen eisers dat YouTube een rectificatie plaatst op www.youtube.com.

3.5.

Eisers hebben hun vorderingen verder nog als volgt toegelicht. Dat YouTube de video’s heeft verwijderd is niet alleen in strijd met de overeenkomst, maar is tevens onrechtmatig. Bij het inkleuren van open privaatrechtelijke normen, zoals onrechtmatig handelen, is van belang dat de vrijheid van meningsuiting in dit geval een verregaande indirecte horizontale werking heeft. Het verwijderen van de video’s vormt een inbreuk op die vrijheid van meningsuiting, onder meer omdat YouTube wereldwijd een bijzonder sterke machtspositie/monopolypositie heeft, sterker dan welke individuele overheid dan ook. Dat er altijd nog andere media zijn waarop eisers zich kunnen profileren is niet relevant; YouTube is een ideaal platform en het belang van eisers om zich (ook) op dat platform te kunnen uiten blijft onverminderd groot. De gewraakte uitlatingen waren relevant voor het publieke debat en het ging hier niet om onjuiste, schadelijke of gevaarlijke informatie. De uitlatingen in de Kamervideo zijn bovendien gedaan in een openbare bespreking van een commissie van de Tweede Kamer, waarbij verwezen wordt naar de parlementaire immuniteit van [eiser 1] (artikel 71 Grondwet). Bovendien heeft [eiser 1] als politicus een extra zwaarwegend recht op vrijheid van meningsuiting. Zijn uitlatingen betroffen ook niet zomaar een onderwerp; naar zijn mening hebben de coronamaatregelen van de overheid buitenproportionele negatieve gevolgen voor de gehele Nederlandse samenleving. Dit betreft het kernpunt van zijn politieke boodschap. De uitlatingen in de Interviewvideo waren meningen en waardeoordelen (geen feiten) en het verwijderen van meningen is eerder onrechtmatig dan het verwijderen van feiten. Een van de uitlatingen van [eiser 1] betrof een kritische mening over het beleid van YouTube. YouTube verkeert hierbij in de machtspositie dat zij gemakkelijk de mond kan snoeren van diegenen die kritiek op haar hebben. Ook hieruit vloeit voort dat YouTube zeer terughoudend moest zijn met het verwijderen van de Interviewvideo. YouTube had daarnaast meer proportionele (minder ingrijpende) maatregelen kunnen treffen, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een banner of disclaimer, aldus steeds eisers.

3.6.

Google heeft – kort gezegd – als volgt verweer gevoerd. Met een aantal uitlatingen uit de Interviewvideo zijn verschillende bepalingen uit haar Covid-beleid, en dus de overeenkomst tussen partijen, geschonden. Dit geeft YouTube het recht de video te verwijderen. De vrijheid van meningsuiting van eisers staat hieraan niet in de weg. Google verwijst ter onderbouwing van haar standpunt onder meer naar het hiervoor genoemde vonnis van 13 oktober 2020 in de zaak tegen Facebook (zie 3.3).

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding ligt (enkel) de vraag voor of de Interviewvideo moet worden teruggeplaatst en of er in dit concrete geval aanleiding bestaat Google te veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie die ziet op de (volgens eisers) onterechte verwijdering van de Interviewvideo en de Kamervideo. Het betoog van eisers dat het in ieders belang is te weten binnen welke kaders een monopolist als YouTube kan opereren, speelt bij de beoordeling geen rol van betekenis. Eisers dienen naar eigen zeggen met het instellen van hun vorderingen een breder belang dan alleen hun eigen belang, omdat YouTube heel veel video’s verwijdert en dat veel gebruikers niet de middelen hebben om daartegen op te treden. Dat moge zo zijn, maar een kort geding, waarin alleen voorlopige oordelen worden gegeven over een concrete situatie, leent zich niet voor deze door eisers voorgestane bredere behandeling van hun zaak.

Verwijdering Interviewvideo tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst?

4.2.

[eiser 1] en Blckbx hebben een account aangemaakt bij YouTube waardoor tussen hen en YouTube (Google) een overeenkomst tot stand is gekomen, waarvan onder meer de Servicevoorwaarden en het Covid-beleid (zie 2.3 en 2.4) onderdeel uitmaken. Partijen hebben zich dus in beginsel te houden aan alle bepalingen die hierin zijn opgenomen.
4.3. Over de vordering die ziet op het terugplaatsen door YouTube van de Interviewvideo wordt het volgende overwogen. In de Interviewvideo worden onder meer de volgende uitlatingen gedaan:
:Met die mondkapjes is het natuurlijk de grootste farce die we hebben beleefd.
[eiser 1] :Waarom zou je een gezond iemand vaccineren als je weet dat diegene nooit aan corona of griep zal overlijden, je nog steeds corona kan krijgen, maar dan ietsjes minder, je kan nog steeds besmettelijk zijn, dus dat slaat helemaal nergens op.
[eiser 1] :Maar in dit geval, wij roepen al heel erg lang dat de IFR, de Infection Fatality Rate, vergelijkbaar is met die van een stevige griep.
[eiser 2] :Maar dat is een feit, dat heeft WHO gecommuniceerd, als je kan tellen dan concludeer je dat.

[eiser 1] :We gaan niet kinderen die sowieso niets hebben van corona, die lopen geen gevaar, die krijgen niet eens een snotneus ervan, die gaan we niet aan deze psychische terreur onderwerpen van op 1,5 meter zitten, tijdens een hele cruciale fase in je leven op een hele rare manier met elkaar omgaan, met mondkapjes door de gangen lopen, en op een gegeven moment een vaccin krijgen terwijl dat aantoonbaar niet helpt.
4.4. In de Interviewvideo is het eerste gedeelte van de Kamervideo opgenomen. Het betreft het gedeelte waarin de volgende uitlatingen worden gedaan:
[eiser 1] :Ja ik worstel nog een beetje met die IFR’s, want ik zeg altijd dat de IFR van Covid vergelijkbaar is met die van een zware griep, maar ja er zijn zoveel verschillende getallen in omloop. De Wereldgezondheidsorganisatie zegt 0,23% (…) maar kunt u misschien aangeven wat het dan voor Nederland exact is en wat het voor de wereld exact is en of het toch in diezelfde orde van grootte zit?”
Voorzitter:Dank u wel. De heer [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] .
[directeur infectieziektenbestrijding RIVM] :Dat kan ik alleen maar weer zeggen met verwijzing naar het antwoord net, want je wil dan natuurlijk de totale groep die het heeft gehad in de noemer hebben. De teller kun je op het maximum zetten van de oversterfte van afgelopen jaar. En die twee delen. Dan kom je inderdaad op percentages zoals u die ongeveer noemt.
4.5. Google stelt zich terecht op het standpunt dat met de onder 4.3 geciteerde uitlatingen uit de Interviewvideo verschillende bepalingen uit het Covid-beleid, zoals hiervoor onder 2.4 weergeven, zijn geschonden. Dit geldt met name voor de bepalingen die zien op mondkapjes, social distancing en de vergelijking met griep, alsmede de bepaling die verbiedt te beweren dat vaccins het risico op Covid-19 niet verkleinen en de bepaling die verbiedt te beweren dat kinderen geen Covid-19 kunnen krijgen. Het verweer van [eiser 1] dat hij met zijn uitlating over mondkapjes alleen maar zijn mening heeft willen uiten dat hij dit een buitenproportionele maatregel vindt en dat hij niet heeft willen zeggen dat het vaccineren van ouderen en zwakkeren met een verhoogd risico geen effectieve bestrijdingsmanier is, maakt dat niet anders. Ook het verweer dat de uitlating over kinderen die niet eens een snotneus van Covid-19 krijgen “bij wijze van spreken is”, maakt nog niet dat de uitspraak niet in strijd is met het Covid-beleid. Uit de uitspraak van [eiser 1] over kinderen zoals die in de Interviewvideo is gedaan (nu uit de rest van de uitlating blijkt dat het gaat over kinderen die “op een gegeven moment een vaccin krijgen”), kan niet worden afgeleid dat die alleen zou zien op kinderen van jonger dan 12 jaar, zoals eisers nog ter zitting hebben aangevoerd, zodat uitgangspunt moet zijn dat deze (ook) ziet op kinderen in de leeftijd tussen de 12 en 18 jaar, die in tegenstelling tot jongere kinderen wel voor vaccinatie in aanmerking komen en ook ziek kunnen worden van Covid-19.

4.6.

Ook omdat de Kamervideo gedeeltelijk, en niet in zijn geheel, is opgenomen in de Interviewvideo, is het verwijderen van de Interviewvideo in overeenstemming met het Covid-beleid van YouTube en dus niet in strijd met de overeenkomst. Met de gedeeltelijke weergave van de Kamervideo wordt de bepaling uit het Covid-beleid overtreden waaruit volgt dat het niet is toegestaan Covid-19 op een lijn te stellen met griep. Juist is dat de belangrijkste uitlating in de Kamervideo, zoals eisers terecht hebben aangevoerd, uit de mond van [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] van het RIVM komt (“Dan kom je inderdaad op percentages zoals u die ongeveer noemt”) en is het RIVM de lokale autoriteit waarnaar Google zich richt bij de uitvoering van haar Covid-beleid, maar hierbij ontbreekt belangrijke context, doordat een belangrijke aanvulling met compenserende informatie van [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] die hij na die uitlating heeft gedaan, is weggelaten (zie hierna onder 4.15). In het licht hiervan heeft Google terecht mogen menen dat ook hierom de Interviewvideo in strijd is met haar Covid-beleid.

4.7.

Dit leidt tot de (tussen)conclusie dat de uitlatingen in de Interviewvideo, zoals hiervoor onder 4.3 en 4.4 weergegeven, voorshands in strijd zijn met het Covid-beleid, en het verwijderen door Google van die video in lijn is met de Servicevoorwaarden en dus niet in strijd met de overeenkomst tussen partijen.

Verwijdering Interviewvideo onaanvaardbaar of onrechtmatig?

4.8.

Subsidiair hebben eisers gesteld dat, indien wordt geoordeeld dat het verwijderen van de Interviewvideo niet in strijd is met de overeenkomst, dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan wel onrechtmatig. Binnen deze kaders hebben eisers zich beroepen op hun vrijheid van meningsuiting.

4.9.

Onder verwijzing naar overwegingen 4.12 tot en met 4.20 van het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 13 oktober 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:4966) wordt het volgende voorop gesteld. Artikel 10 EVRM schept in beginsel alleen jegens de staat verplichtingen om de vrijheid van meningsuiting te waarborgen, en niet jegens private partijen zoals Google. Onder omstandigheden kan op de staat (en dus ook op de voorzieningenrechter als staatsorgaan) een positieve verplichting rusten om de vrijheid van meningsuiting actief te beschermen in rechtsverhoudingen tussen private partijen onderling. Zoals overwogen in overweging 4.21 van het vonnis van 13 oktober 2020 kunnen de bepalingen uit het EVRM op indirecte wijze doorwerken in privaatrechtelijke verhoudingen, bijvoorbeeld door de invulling van open privaatrechtelijke normen, zoals de verplichting bij de uitvoering van een overeenkomst te handelen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Datzelfde geldt voor de open norm die in artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) is opgenomen: als onrechtmatige daad wordt tevens aangemerkt een doen of nalaten in strijd met “hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt”. De rechter moet beoordelen of aan deze normen is voldaan. Bij die beoordeling geldt het volgende als uitgangspunt.
4.10. Het recht van een ieder op vrijheid van meningsuiting impliceert niet een recht op het forum van zijn of haar keuze. Het is begrijpelijk dat eisers een voorkeur hebben voor YouTube vanwege haar enorme bereik, maar die enkele omstandigheid is onvoldoende om Google zonder wettelijke basis te verplichten de uitlatingen van eisers die in strijd zijn met haar Covid-beleid op haar platform te dulden. Het Covid-beleid van Google heeft de bescherming van de volksgezondheid ten doel. Omdat Google niet zelf in medische discussies kan treden, richt zij zich hierbij naar de wetenschappelijke consensus zoals die wordt uitgedragen door de WHO en door nationale organisaties als het RIVM. Het Covid-beleid is mede gebaseerd op een mededeling van de Europese Unie van 10 juni 2020 die ten doel had misinformatie over Covid-19 te bestrijden, alsmede op de Code of Practice van de Europese Commissie van oktober 2018 die gaat over de bestrijding van online desinformatie. Met haar Covid-19 beleid geeft Google dus gehoor aan de oproep van centrale overheden om hen bij te staan in de strijd tegen de verspreiding van onjuiste informatie over Covid-19. Het Covid-beleid van Google vormt daarnaast een uitwerking van het fundamentele recht op eigendom van Google: zij mag in beginsel zelf de regels stellen die op haar platform van toepassing zijn, waaronder de regel dat content die in strijd is met haar Covid-beleid wordt verwijderd. Haar eigendomsrecht kan dus tevens gelden als een legitieme beperking op de vrijheid van meningsuiting van anderen. Nu Google met haar Covid-beleid de richtlijnen van verschillende overheden volgt, moet uitgangspunt zijn dat zij niet onredelijk handelt. Integendeel, geoordeeld moet worden dat zij juist handelt op een manier die “volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt”, door bij de invulling van haar beleid dat is opgesteld in het kader van de volksgezondheid, die richtlijnen te volgen. Dit kan als een legitieme beperking van de vrijheid van meningsuiting gelden.

4.11.

Het argument dat YouTube een enorm bereik heeft en Google daarmee min of meer een monopolypositie heeft, zoals eisers betogen, kan hen evenmin baten. In het licht van het Appleby-arrest van het EHRM van 6 mei 2003 (ECLI:CE:ECHR:2003:0506 JUD 004430698) ligt de lat voor het ingrijpen door de overheid (of door de rechter) hoog. Alleen indien de belemmeringen “any effective excercise” van de vrijheid van meningsuiting onmogelijk maken, of als “the essence of the right has been destroyed”, is de overheid(srechter) gehouden in te grijpen. Het komt er dus op neer dat, pas als elke effectieve uitoefening van de uitingsvrijheid wordt tegengegaan, of als de essentie van het recht op vrijheid van meningsuiting wordt vernietigd, er aanleiding is om in te grijpen in de vrijheid van internetplatforms om de door hen gepubliceerde content te modereren. Die hoge lat wordt hier niet gehaald. Vaststaat immers dat eisers ook langs andere wegen hun meningen en standpunten onder de aandacht van het grote publiek kunnen brengen. Zij beschikken hiervoor over tal van andere kanalen, hetgeen onder meer blijkt uit de publiciteit die zij hebben weten te genereren voor het feit dat YouTube de twee video’s had verwijderd. Dat die ’eigen kanalen’ mogelijk niet het bereik van YouTube hebben en/of dat daarmee mogelijk kosten zijn gemoeid, is niet doorslaggevend. YouTube heeft in dit geval dus niet de maatschappelijke plicht om de uitlatingen van eisers, die in strijd zijn met haar Covid-beleid, op haar platform toe te staan en zo, zoals eisers betogen, de bijdrage van eisers aan het publieke debat te faciliteren.

4.12.

Eisers hebben er ten slotte op gewezen dat het in dit geval gaat om de vrijheid van meningsuiting van een gekozen volksvertegenwoordiger ( [eiser 1] ) en dat hem als zodanig bij uitstek een grote vrijheid van meningsuiting toekomt. Op zich is juist dat politieke uitlatingen een hoog beschermingsniveau genieten (zie EHRM 8 juli 1999 Ceylan, paragraaf 34), maar dat maakt het voorgaande niet anders. Allereerst worden eisers niet gevolgd in hun stelling dat [eiser 1] in de Interviewvideo slechts zijn mening of waardeoordelen uit, en bovendien heeft hij voldoende mogelijkheden om zijn politieke standpunt naar voren te brengen, in het bijzonder op het ‘platform’ dat daarvoor is bedoeld, de Tweede Kamer (en, voor het grotere publiek, Debat Direct, waar alles wat in de Tweede Kamer wordt gezegd integraal wordt opgenomen, uitgezonden en voor terugkijken beschikbaar wordt gemaakt). Ook het beroep van [eiser 1] op artikel 71 Grondwet (politieke immuniteit) kan hem niet baten. In dit artikel is bepaald dat Kamerleden niet in rechte kunnen worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de parlementaire vergaderingen hebben gezegd. Dit artikel is voor de beoordeling van de vorderingen (dus) niet relevant.

4.13.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen valt de fair balance uit in het voordeel van Google en kan het beroep van eisers op de vrijheid van meningsuiting in dit geval niet leiden tot de conclusie dat het verwijderen van de Interviewvideo naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan wel onrechtmatig. Van YouTube kan, zoals eisers hebben betoogd, evenmin worden gevergd dat zij minder ingrijpende maatregelen neemt, door bijvoorbeeld niet de gehele video te verwijderen, maar alleen bepaalde niet toegestane fragmenten, of door het plaatsen van een banner of disclaimer. Zoals Google ter zitting heeft toegelicht, is haar beleid – en in de overeenkomst vastgelegde afspraak – nu eenmaal dat een video (in zijn geheel) wordt verwijderd als deze content bevat die in strijd is met de overeenkomst. YouTube heeft haar bedrijfsvoering niet zo ingericht dat zij banners kan plaatsen en/of in video’s van haar klanten gaat snijden (wat, zoals Google terecht heeft aangevoerd, bovendien weer aanleiding zou kunnen geven voor alle mogelijke andere problemen, met bijvoorbeeld auteursrechten).

4.14.

Nu Google de Interviewvideo voorshands heeft mogen verwijderen, is de vordering tot terugplaatsing van die video niet toewijsbaar. De vordering tot het plaatsen van een rectificatie die ziet op het onterecht verwijderen van de Interviewvideo is dan evenmin toewijsbaar.

Rectificatie na verwijdering Kamervideo?

4.15.

Vervolgens ligt de vraag voor of Google ertoe kan worden veroordeeld een rectificatie te plaatsten ten aanzien van de (tijdelijke) verwijdering van de Kamervideo. Allereerst dient te worden vastgesteld dat de Kamervideo meer omvat dan de onder 4.4 opgenomen citaten. [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] heeft namelijk na zijn uitlating “Dan kom je inderdaad op percentages zoals u die ongeveer noemt” het volgende gezegd en daarmee genuanceerd:
Maar dat is niet het enige waar het om gaat. En de orde van grootte. Ik vind het dan nog steeds wat hoger voor de duidelijkheid. Maar het punt bij Covid is natuurlijk niet alleen de sterfte, het is ook de overbelasting van zorg die je krijgt, omdat een ziektebeeld waar in principe nog niemand bescherming tegen had, natuurlijk de hele bevolking doorgaat. Dat is ook wat je met een hele nieuwe griep zou zien. Dus een belangrijk deel waarvan Ernst Kuipers u hier net dingen heeft geïllustreerd, heeft natuurlijk niet te maken met sterfte door Covid maar domweg met de aantallen die je krijgt als het zonder, als het ongelimiteerd rondgaat. Dat hebben we in Bergamo gezien. Dat levert echt dramatische beelden op, waarbij dan een hele stad Covid krijgt in een hele korte periode en dat kunnen we gewoon niet aan. Zelfs al krijgen de meeste mensen het in geringe mate, het percentage dat het ernstig krijgt, is domweg te hoog en gaat naar het ziekenhuis en heeft ook zuurstofbehandeling nodig of zelfs beademing en dat is het probleem.
Vanwege deze nuancering van [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] heeft Google bij nader inzien besloten de Kamervideo terug te plaatsten op het platform van YouTube. De schending van het Covid-beleid die ligt besloten in het eerste gedeelte van de Kamervideo (zie 4.6) krijgt, aldus Google, voldoende tegenwicht door de toevoeging van [directeur infectieziektenbestrijding RIVM] in het tweede gedeelte. Deze toevoeging bevat naar de mening van Google voldoende “compenserende informatie” als bedoeld in haar Covid-beleid (zie 2.4).

4.16.

Google heeft de gang van zaken (haar verweer) onweersproken als volgt nader toegelicht. Op YouTube wordt per minuut gemiddeld 500 uur aan video’s geüpload, waardoor zij onmogelijk altijd de juiste beslissing op het juiste moment kan nemen over de vraag of content gevaarlijk of onwenselijk is. Hierdoor kan het zijn dat Google soms content toelaat of verwijdert die bij nadere analyse in strijd of juist niet in strijd is met haar beleid. Wanneer Google gebruik maakt van de uitzondering van de “compenserende informatie”, vergt dit bovendien een nauwkeurige analyse van alle feiten en omstandigheden. Het kan daardoor enige tijd duren alvorens een video die eerst is verwijderd later wordt teruggeplaatst, dit alles aldus Google.

4.17.

Dit verweer snijdt hout en in het licht hiervan is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat Google niet kan worden veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie met betrekking tot het verwijderen van de Kamervideo, ook al is het verwijderen van die video bij nader inzien onterecht gebleken. Gezien de titel van de video “Is de IFR van corona vergelijkbaar met die van de griep? Ja!” mocht Google in eerste instantie menen dat die video in strijd is met haar Covid-beleid en dat zij dus tot verwijdering mocht overgaan. Daarbij komt dat [eiser 1] de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de tijdelijke verwijdering van de Kamervideo onvoldoende heeft onderbouwd. Het feit dat in de periode van verwijdering de Tweede Kamerverkiezingen hebben plaatsgevonden, is hiervoor – zonder verdere nadere toelichting – onvoldoende. Beide verwijderde video’s zijn immers op andere platforms te vinden (geweest). Google heeft niet zelf in het openbaar kenbaar gemaakt (’aan de grote klok gehangen’) dat de Kamervideo misleidende medische informatie bevat. Enkel op de pagina waar de video stond heeft zij de mededeling gedaan dat de video is “verwijderd wegens schending van de communityrichtlijnen van YouTube”. Het zijn vooral eisers zelf geweest die het publiek hebben geïnformeerd over de verwijdering van de Kamervideo en de reden daarvoor.

Proceskosten

4.18.

De conclusie is dat alle vorderingen van eisers zullen worden afgewezen. Desondanks zullen zij niet als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten worden verrekend in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen. Voldoende aannemelijk is dat Google de Kamervideo heeft teruggeplaatst na het uitbrengen van de dagvaarding en dus onder druk van dit kort geding. Ook heeft zij op de sommatiebrief van 1 april 2021 niet inhoudelijk gereageerd, waardoor eisers pas in de conclusie van antwoord van Google kennis konden nemen van haar verweer. Al met al kan derhalve niet worden gezegd dat eisers dit kort geding nodeloos aanhangig hebben gemaakt. Dat de brief van 1 april 2021 geen url bevatte, dat Google daarom niet wist om welke video het ging en dat zij om die reden niet eerder inhoudelijk heeft kunnen reageren, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Zij had die informatie immers kunnen opvragen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

verrekent de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021.1

1 type: MV coll: EB