Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4234

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
21-09-2021
Zaaknummer
13/751344-21
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Spanje ter vervolging - genoegzaamheidverweer - evenredigheid - familylife - onschuldverweer - overlevering toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751344-21

RK nummer: 21/1741

Datum uitspraak: 24 juni 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 maart 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2020 door the Court of Instruction No 1 of Gandia, Valencia (Spanje) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1979

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 juni 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.A. Vitanov, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Bulgaarse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een door the Court of Instruction No 1 Gandia Valencia (Spanje) uitgevaardigd aanhoudingsbevel van 11 december 2020, nr. DIP 1628/2018.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Spaans recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de e-mail van 8 juni 2021 van de Spaanse autoriteit. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel en van deze e-mail is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid van de stukken

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aan de hand van zijn ter zitting overgelegde pleitnota aangevoerd dat de stukken ongenoegzaam zijn zodat de overlevering dient te worden geweigerd. Immers blijkt uit de feitomschrijving van de feiten onvoldoende de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de stukken genoegzaam zijn aangezien het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd. De overlevering kan dan ook worden toegestaan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Zo dient het EAB een beschrijving van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd te bevatten, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Uit het EAB onder e), gelezen in combinatie met het A-formulier, de e-mail van 8 juni 2021 van de Spaanse autoriteit en een bij die e-mail gevoegde lijst waarop onder meer auto’s, kentekens, en data staan vermeld, blijkt dat de opgeëiste persoon wordt verweten dat hij met persoonsgegevens van een ex-collega meerdere auto’s op haar naam heeft gezet en op haar naam verschillende auto’s heeft gekocht. De enige tot nu toe geverifieerde pleegplaats is Villena (Spanje) en uit een overgelegde lijst met auto’s blijkt dat feiten in de jaren 2015 tot en met 2018 in Spanje zijn gepleegd.

De rechtbank is gelet op het voorgaande, met de officier van justitie, van oordeel dat het EAB een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten bevat, alsmede van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij deze feiten.

Het is hierdoor voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De omschrijving van de feiten is ook zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan en de naleving van het specialiteitsbeginsel kan worden gewaarborgd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een (lopend) strafrechtelijk onderzoek en niet van een veroordeling. De omschrijving van de feiten in het EAB voldoet aan de eisen gesteld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e van de OLW en is daarmee genoegzaam.

De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer.

5 Strafbaarheid

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de stafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:

Oplichting.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Spaans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

De raadsman heeft aangevoerd dat nu de feiten onduidelijk zijn omschreven het lijstfeit niet in redelijkheid is aangekruist en op grond waarvan de overlevering dient te worden geweigerd.

Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder de hiervoor genoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is en ziet hierin dan ook geen beletsel om tot overlevering over te gaan.

6 Onschuldverweer

De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat hij niet schuldig is aan de feiten zoals genoemd in het EAB. De opgeëiste persoon heeft een aantal auto’s als tussenpersoon gekocht. Deze auto’s zijn echter na de aankoop door de verkopers niet overgezet op de naam van de opgeëiste persoon. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zich aan geen enkel strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon op grond van het bovenstaande

niet tijdens zijn verhoor zijn onschuld heeft aangetoond maar enkel heeft gesteld dat de hij onschuldig is. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

7 Artikel 7 van het Handvest: family-life

De raadsman heeft een beroep gedaan op het recht op family-life (de rechtbank begrijpt: artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, hierna: Handvest en artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, hierna: EVRM). De opgeëiste persoon woont samen met zijn vriendin, die niet over een eigen inkomen beschikt, en kind en hij betaalt maandelijkse kinderalimentatie voor een ander kind. Overlevering zou een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn family life betekenen, op grond waarvan de overlevering dient te worden geweigerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op de voorrang van het Unierecht en op artikel 11 OLW zal de rechtbank het verweer alleen toetsen aan artikel 7 Handvest.

Overlevering van de opgeëiste persoon aan Spanje levert een beperking van zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven op.

Op grond van artikel 52, eerste lid, van het Handvest moeten beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen.

Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld, voor zover die noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Europese Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de door de overlevering gemaakte inbreuk op het recht, zoals neergelegd in artikel 7 van het Handvest, bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is. De inbreuk is gebaseerd op de Overleveringswet en strekt tot tenuitvoerlegging van een in Spanje noodzakelijk geoordeelde vervolging van strafbare feiten, die geacht moet worden te zijn ingesteld ter bescherming van de rechtsorde en voorkoming van criminaliteit. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat overlevering in dit geval een toegestane beperking is in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven.

8 Evenredigheid

De raadsman heeft aangevoerd dat in deze zaak sprake is van onevenredigheid van het uitvaardigen van een EAB en op die grond dient de overlevering te worden geweigerd.

De raadsman voert hiertoe – naar de rechtbank begrijpt - aan dat de overlevering en een mogelijk daarmee gepaard gaand voorarrest in Spanje niet in verhouding staan tot de gevangenisstraf die hij in Spanje opgelegd kan krijgen.

Daarnaast geldt dat de opgeëiste persoon in 2019 naar Nederland is gekomen. Hij heeft een eigen bedrijf opgericht waarmee hij genoeg geld verdient om zijn gezin van te kunnen onderhouden. Het persoonlijk belang van de opgeëiste persoon om op dit moment voor zijn gezin te kunnen zorgen weegt dan ook zwaarder dan het strafrechtelijk belang.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De rechtbank verwijst naar haar eerder bij uitspraak van 4 maart 2009 gegeven oordeel (ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6183) dat, gelet op de stelselevenredigheid van het Kaderbesluit-EAB, een beroep op de onevenredigheid van een EAB slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen. In het onderhavige geval is de rechtbank niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Court of Instruction No 1 of Gandia, Valencia (Spanje).

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. C. Huizing-Bruil en J.H. Beestman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 24 juni 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.