Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4226

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
30-08-2021
Zaaknummer
13/751427-21
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB ter tenuitvoerlegging - weigering overlevering op grond van artikel 12 OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751427-21

RK nummer: 21/2164

Datum uitspraak: 10 juni 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 april 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 27 januari 2021 door the District Court in Krakow, Third Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

domicilie kiezend op het adres te [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 juni 2021. Het verhoor heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie

mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een op 30 juni 2020 gewezen verzamelvonnis van the District Court in Krakow, Sixth Criminal Division, definitief geworden op 8 juli 2020, met zaaksnummer VI K 1/20.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar en 7 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 3 jaar en 6 maanden en 23 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1.

Toetsingskader

4.1.1

De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, Stb. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader van het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken.

4.1.2

In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

4.1.3

Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.1.4

Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.

4.1.5

In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.1

4.1.6

In het kader van de in overweging 4.1.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.

Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie2 of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden.3 Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.4

4.1.7

De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.5

4.1.8

Komt de rechtbank na de in de overwegingen 4.1.4 - 4.1.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met d, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en dat op die grond de overlevering van de opgeëiste persoon dient te worden geweigerd. De opgeëiste persoon is op geen enkele zitting verschenen, die heeft geleid tot de in het EAB genoemde vonnissen, ook heeft hij geen oproeping hiervoor ontvangen. Hij heeft weliswaar een adres van zijn moeder opgegeven aan de Poolse justitie maar heeft van haar nooit te horen gekregen dat er een afhaalbericht van justitie voor hem was ontvangen.

4.3.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat moet worden gekeken of de opgeëiste persoon in de gelegenheid is gesteld om aanwezig te zijn bij de zitting(en) die tot de vonnissen hebben geleid. Het samengestelde vonnis VI K1/20 dient gelet op het arrest Zdziaszek6 van het HvJ EU tevens te worden getoetst aan artikel 12 OLW.

Voor het samengestelde vonnis geldt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, aangezien uit de brief van 28 mei 2021 blijkt dat de opgeëiste persoon niet is verschenen, hij niet in persoon is opgeroepen en niet ter zitting is bijgestaan door een gemachtigde raadzaam. Er is geen reden om af te zien van de weigeringsgrond van artikel

12 OLW nu niet uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting die tot het verzamelvonnis heeft geleid.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

Het vonnis VI K 1/20 waarvan in het EAB onder b) de tenuitvoerlegging wordt verzocht betreft een samengesteld vonnis dat is gebaseerd op de onderliggende vonnissen. In het arrest Zdziaszek is bepaald dat een samengesteld vonnis ook dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW.

In het EAB zelf staat dat de opgeëiste persoon is verschenen bij het proces in zaak VI K 1/20, maar de opgeëiste persoon heeft zowel bij de Nederlandse officier van justitie als in de raadkamer van deze rechtbank verklaard dat hij niet bij het proces is verschenen en niets weet van dit vonnis.

Uit de brief van the District Court in Krakow van 28 mei 2021 blijkt dat de opgeëiste persoon op de zittingen van 26 juni 2021 en 30 juni 2021 in zaak VI K 1/20 niet is verschenen. Verder staat in de brief dat voor beide zittingen afhaalberichten op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres zijn achtergelaten aangezien de opgeëiste persoon geen bericht heeft verzonden dat zijn adres is veranderd. Volgens de verklaring van de opgeëiste persoon op de zitting bestond op het moment van verzending van deze afhaalberichten het door hem in het verleden opgegeven adres niet meer. Verder blijkt uit de brief van 28 mei 2021 dat de opgeëiste persoon op geen van de twee genoemde zittingen is vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat. Het vonnis is verder gewezen zonder dat zich één van de in artikel

12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet is vast komen staan dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte was van de strafrechtelijke procedure die tegen hem liep en dat dus ook niet kan worden gezegd dat hij (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

De rechtbank acht de weigeringsgrond van artikel 12 OLW dan ook van toepassing, zal niet van afzien van de weigeringsgrond en zal de overlevering van de opgeëiste persoon weigeren.

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 12 OLW zal de rechtbank de overlevering weigeren.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 12 OLW.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon].


STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. C. Huizing-Bruil en J.H. Beestman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 juni 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 42.

2 Dworzecki, punt 51.

3 HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (Generalstaatsanwaltschaft Hamburg), punt 52.

4 Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, punt 53.

5 HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 74.

6 HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek).