Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4224

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
30-08-2021
Zaaknummer
13/751286-21
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB ter tenuitvoerlegging Polen - artikel 12 OLW - overlevering toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751286-21

RK nummer: 21/1571

Datum uitspraak: 10 juni 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 maart 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2020 door the Regional Court in Szczecin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeeïste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 mei 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden via een videoverbinding in tegenwoordigheid van de officier van justitie

mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Önemli

advocaat te Utrecht, die heeft waargenomen voor haar kantoorgenoot mr. R. Zilver, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een final and binding judgement of the District Court in Mysliborz on the 4th September 2018 met zaaksnummer II K 277/17.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaren en 10 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1.

Toetsingskader

4.1.1

De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, Stb. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader van het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken.

4.1.2

In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

4.1.3

Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.1.4

Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.

4.1.5

In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.1

4.1.6

In het kader van de in overweging 4.1.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.

Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie2 of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden.3 Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.4

4.1.7

De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.5

4.1.8

Komt de rechtbank na de in de overwegingen 4.1.4 - 4.1.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met d, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.1

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de overlevering van de opgeëiste persoon te weigeren op grond van artikel 12 OLW aangezien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen en niet op grond van het dossier is vast te stellen of de raadsman die aanwezig is geweest bij de behandeling in hoger beroep daadwerkelijk gemachtigd was door de opgeëiste persoon.

De raadsman doet een beroep op uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 20186 en 23 maart 20197.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing aangezien uit de brief van de Poolse autoriteit van 27 april 2021 blijkt dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsman daadwerkelijk is verschenen ter zitting in hoger beroep en dat zowel in eerste aanleg als in de procedure in hoger beroep dezelfde raadsman ter zitting de verdediging heeft gevoerd.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Uit de informatie van het EAB en de brief van de Poolse autoriteit van 27 april 2021 en het bijgevoegde d)-formulier blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg niet aanwezig is geweest bij de zitting die tot het vonnis heeft geleid. De door hem gemachtigde raadsman Piotr Poleszuk is wel op de zitting van 28 augustus 2018 verschenen, maar niet op de zitting van 4 september 2018. Vervolgens heeft de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. Op de zitting in hoger beroep van the Regional Court in Szczecin van 20 maart 2019 is de opgeëiste persoon volgens voornoemde brief van 26 april 2021 niet verschenen maar de gemachtigde raadsman Piotr Poleszczuk wel.

De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat in het arrest in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en over de aard en de duur van de opgelegde straf, waarbij sprake is geweest van een zekere beoordelingsbevoegdheid van de rechterlijke instantie in hoger beroep. Gelet op de arresten Tupikas8 en Zdziaszek9 van het Hof van Justitie dient in dit geval alleen voor de procedure in hoger beroep te worden onderzocht of artikel 12 OLW van toepassing is.

De rechtbank stelt verder op grond van de aanvullende stukken vast dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsman is verschenen op de zitting in hoger beroep en daar de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat de uitzonderingsgrond van artikel 12 onder b OLW zich voordoet. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW vindt dan ook geen toepassing. De rechtbank verwerpt het verweer.

5 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 6 en 175 Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeeïste persoon] aan the Regional Court in Szczecin (Polen).

Aldus gedaan door

mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,

mrs. N.M. van Waterschoot en C. Huizing-Bruil, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 juni 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 42.

2 Dworzecki, punt 51.

3 HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (Generalstaatsanwaltschaft Hamburg), punt 52.

4 Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, punt 53.

5 HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 74.

6 ECLI:NL:RBAMS:2018:1335

7 ECLI:NL:RBAMS:2019:3803

8 HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas).

9 HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek).