Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4223

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
30-08-2021
Zaaknummer
13/751048-21
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB ter tenuitvoerlegging Polen - artikel 12 OLW - EAB toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751048-21

RK nummer: 21/1697

Datum uitspraak: 10 juni 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 maart 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 november 2020 door the Regional Court in Gdansk (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1976

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 mei 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Peijnenburg, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Verzoek tot aanhouding

De raadsman heeft ter zitting een in het Pools handgeschreven brief van het slachtoffer overgelegd waarin zij zou hebben verklaard dat haar destijds afgelegde verklaring bij haar aangifte niet klopt en dat zij haar aangifte wenst in te trekken. De opgeëiste persoon heeft in Polen een advocaat ingeschakeld om een herzieningsprocedure bij de rechtbank in Polen te starten. Dat is nog niet gebeurd. De raadsman verzoekt de rechtbank om de behandeling van de zaak aan te houden om de uitkomst van de op te starten herzieningsprocedure af te wachten.

De officier van justitie verzet zich tegen het verzoek tot aanhouding van de raadsman aangezien er geen termijn is genoemd waarbinnen een beslissing in de herzieningsprocedure te verwachten valt.

De rechtbank wijst het verzoek af aangezien, los van de niet vertaalde brief, geen onderbouwing voorhanden is van de gestelde inspanningen om een herzieningsprocedure in Polen op te starten. Als er van uit wordt gegaan dat daadwerkelijk stappen zijn genomen om een herzieningsprocedure in te stellen, moet de procedure bovendien nog aanhangig worden gemaakt en is er geen zicht op wanneer hierin eventueel uitspraak zal worden gedaan. Bovendien heeft de Poolse autoriteit tot op heden niet laten weten dat zij het EAB wenst in te trekken en is daar ook geen zicht op.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis, gewezen door the District Court in Koscierzyna, Criminal Division II van 19 december 2017 met zaaksnummer II K 626/16.

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van Polen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

5.1.

Toetsingskader

5.1.1

De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, Stb. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader van onder het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken.

5.1.2

In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

5.1.3

Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.

5.1.4

Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.

5.1.5

In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.1

5.1.6

In het kader van de in overweging 5.1.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.

Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie2 of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden.3 Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.4

5.1.7

De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.5

5.1.8

Komt de rechtbank na de in de overwegingen 5.1.4 - 5.1.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met d, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.

5.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de overlevering van de opgeëiste persoon te weigeren op grond van artikel 12 OLW aangezien de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de behandeling in hoger beroep en hij ook niet is bijgestaan door een gemachtigde advocaat.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing aangezien uit de aanvullende stukken blijkt dat zowel de opgeëiste persoon als de gemachtigde raadsman ter zitting aanwezig zijn geweest tijdens de procedure in hoger beroep.

5.4

Oordeel van de rechtbank

Uit de informatie van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg niet aanwezig is geweest bij de zitting die tot het vonnis heeft geleid maar dat de door hem gemachtigde raadsman ter zitting daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd.

Daarnaast volgt uit het EAB dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing in eerste aanleg. Bij arrest in hoger beroep van 7 augustus 2018 is het vonnis in eerste aanleg bevestigd met als enige wijziging de omschrijving van het delict.

Uit aanvullende informatie uit de e-mail van de Poolse autoriteit van 26 mei 2021 volgt dat

zowel de opgeëiste persoon als zijn raadsman, advocaat Bartłomiej Stoltmann op 7 augustus 2018 aanwezig waren bij het proces in hoger beroep bij de Arrondissementsrechtbank te Gdansk.

De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat in het arrest in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en over de aard en duur van de opgelegde straf, waarbij sprake is geweest van een zekere beoordelingsbevoegd van de instantie in hoger beroep. Gelet op de arresten Tupikas6 en Zdziaszek7 van het Hof van Justitie dient in dit geval alleen voor de procedure in hoger beroep te worden onderzocht of artikel 12 OLW van toepassing is.

De rechtbank stelt op grond van de aanvullende stukken vast dat de opgeëiste persoon en de gemachtigde raadsman bij de behandeling in hoger beroep aanwezig waren en dat gelet hierop artikel 12 OLW geen toepassing vindt. Dat de opgeëiste persoon ter zitting betwist dat hij en zijn raadsman aanwezig zijn geweest maakt dit niet anders nu de rechtbank op grond van het vertrouwensbeginsel uitgaat van de juistheid van de verstrekte informatie en de enkele ontkenning van de opgeëiste persoon geen aanknopingspunt biedt om aan de juistheid van de verstrekte informatie te moeten twijfelen.

6 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit heeft aangeduid als feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 27, te weten:

Verkrachting

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gdansk (Polen).

Aldus gedaan door

mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,

mrs. N.M. van Waterschoot en C. Huizing-Bruil, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 juni 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=178582&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=102487)(Dworzecki), punt 42.

2 Dworzecki, punt 51.

3 HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (Generalstaatsanwaltschaft Hamburg), punt 52.

4 Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, punt 53.

5 HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 74.

6 HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas).

7 HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek).