Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4172

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
11-10-2021
Zaaknummer
13/114859-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling afpersing en diefstal met geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/114859-21 (Promis)

Datum uitspraak: 11 augustus 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

ingeschreven op het adres [adres verdachte] ,

thans gedetineerd te [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 28 juli 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kramer en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M. van Viegen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 27 april 2021 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. diefstal met bedreiging met geweld en/of afpersing van [benadeelde partij 1] door een mes te laten zien en dat mes op de keel van [benadeelde partij 1] te zetten;

2. poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld van een tas van [benadeelde partij 2] waarbij het geweld zich heeft gericht tegen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] .

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het eerste feit kan worden bewezen en dat dit kan worden gekwalificeerd als zowel diefstal met geweld als afpersing. Aangever [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat verdachte het mes op zijn keel heeft gezet. Verdachte heeft dit ontkend en deze gedraging wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Niet alle onderdelen van de tenlastelegging hoeven echter dubbel te worden gedragen door bewijsmiddelen. Nu alle andere door [benadeelde partij 1] beschreven gedragingen worden gedekt door andere bewijsmiddelen, kan ook worden bewezen dat verdachte het mes op zijn keel heeft gezet. Het onder feit 2 ten laste gelegde kan op grond van de aangifte en de getuigenverklaringen worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat niet kan worden bewezen dat verdachte een mes op de keel van aangever [benadeelde partij 1] heeft gezet, omdat dit niet blijkt uit andere bewijsmiddelen dan de verklaring van [benadeelde partij 1] . De overige onder feit 1 ten laste gelegde handelingen kunnen worden bewezen en dit kan worden gekwalificeerd als diefstal met geweld. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat niet kan worden bewezen dat sprake is van een begin van uitvoering van de diefstal. Om die reden moet verdachte van dat feit worden vrijgesproken.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Aangever [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat hij zijn telefoon en het bijbehorende wachtwoord aan verdachte heeft afgegeven, omdat verdachte naar hem heeft geschreeuwd “telefoon, telefoon” en “money” en een mes heeft laten zien. Verdachte heeft voornoemde handelingen bekend. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich aan deze handelingen schuldig heeft gemaakt.

Aangever heeft verder verklaard dat verdachte het mes op zijn keel heeft gezet. Verdachte ontkent dit. Deze handeling wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. De handeling is bijvoorbeeld niet waar te nemen op de in het dossier omschreven camerabeelden. Om tot een bewezenverklaring te komen hoeft niet iedere ten laste gelegde handeling te worden ondersteund door meer dan één bewijsmiddel, maar nu deze handeling het zwaartepunt is van het onder feit 1 ten laste gelegde, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet kan worden volstaan met slechts de verklaring van aangever. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze handeling niet kan worden bewezen en zal verdachte van die handeling vrijspreken.

Gelet op het causale verband tussen de bedreiging met geweld door verdachte en het afgeven van de telefoon en het bijbehorende wachtwoord door aangever is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde moet worden gekwalificeerd als afpersing.

Ten aanzien van feit 2

Aangeefster [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij op de fiets zat toen verdachte voor haar ging staan, probeerde haar te stoppen, dat verdachte zei ‘I want your money’ en dat hij aan haar tas heeft getrokken, waarbij hij uiteindelijk zelf viel. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [benadeelde partij 1] die verklaart te hebben gezien dat verdachte aan de tas van een dame op een fiets trok. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren dat zij hebben gezien dat verdachte een dame van haar fiets heeft getrokken.

De rechtbank gaat uit van het door aangeefster [benadeelde partij 2] en getuige [benadeelde partij 1] beschreven handelen van verdachte dat naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een begin van uitvoering van diefstal met geweld oplevert. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld door het doorfietsen proberen te belemmeren en vervolgens te trekken aan een tas.

Ten aanzien van het bedreigen met het mes van [benadeelde partij 3] is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van deze gedraging. De rechtbank vindt echter dat deze handeling te ver is verwijderd van de poging tot diefstal en dat de bedreiging dan ook niet is gepleegd om de poging tot diefstal te vergemakkelijken. Het was als het ware een nieuw incident. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van feit 2 vrijspreken.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen - waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat - bewezen dat verdachte

1.

op 27 april 2021 te Amsterdam op de openbare weg, te weten de Weteringschans, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en een bijbehorende toegangscode toebehorende aan die [benadeelde partij 1] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij tegen die [benadeelde partij 1] heeft geschreeuwd: "telefoon, telefoon!" en "money!" en daarbij een mes uit zijn jas heeft gehaald en dreigend dat mes aan die [benadeelde partij 1] heeft getoond en daarbij heeft geroepen "password!".

2.

op 27 april 2021 te Amsterdam op of aan de openbare weg, te weten de Weteringschans, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een tas, dat toebehoorde aan [benadeelde partij 2] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld tegen die voornoemde [benadeelde partij 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, voor de fiets van die voornoemde [benadeelde partij 2] is gaan staan en heeft getracht die voornoemde [benadeelde partij 2] tot stoppen te bewegen en tegen die [benadeelde partij 2] heeft geroepen: "i want your money" en naar de tas van die [benadeelde partij 2] heeft gegrepen en aan de tas van die [benadeelde partij 2] heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft verzocht daaraan de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden te verbinden.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een groot gedeelte van de straf voorwaardelijk aan verdachte op te leggen. Verdachte is bereid mee te werken aan de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden. Van belang is ook dat verdachte inzicht in zijn handelen heeft getoond en dat hij een excuusbrief heeft geschreven aan aangever [benadeelde partij 1] .

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing door het laten zien van een mes en een poging tot diefstal met geweld. Dit zijn vervelende en overlastgevende feiten. Verdachte heeft onbekende mensen op straat aangesproken en hen geconfronteerd met geweld. Dit heeft bij de slachtoffers en bij omstanders gevoelens van onveiligheid veroorzaakt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 21 juni 2021. Hieruit blijkt dat verdachte een strafbeschikking heeft gekregen voor geweld tegen politieambtenaren op 22 april 2021. Eerder is verdachte niet veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsrapport van 19 juli 2021. Hieruit blijkt dat sprake lijkt te zijn van een stabiele leefsituatie en er zijn geen aanwijzingen voor een negatief sociaal netwerk. Verdachte heeft niet willen meewerken aan psychologisch onderzoek, waardoor geen helder beeld is verkregen van het psychosociaal functioneren van verdachte. De reclassering vindt dat het psychosociaal functioneren in relatie met het alcoholgebruik van verdachte een risicofactor vormt en acht daarom interventies gericht op het meer concreet krijgen van zijn psychosociaal functioneren geïndiceerd. De reclassering adviseert daarom een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, onder meer een meldplicht en ambulante behandeling. Daarnaast heeft de reclassering geadviseerd een locatieverbod, locatiegebod, meewerken aan middelencontrole en het meewerken aan dagbesteding als bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is mee te werken aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in een zeer kort tijd meerdere malen de fout is ingegaan en zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige feiten. Naar eigen zeggen is het handelen van verdachte veroorzaakt door een combinatie van alcohol- en medicatiegebruik. Gelet op het feit dat verdachte tot een aantal dagen voor het voorval op 27 april 2021 niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld acht de rechtbank de uitleg van verdachte niet onmogelijk. Nu deze ernstige feiten zijn gepleegd zonder dat daarvoor duidelijke oorzaken kunnen worden vastgesteld, vindt de rechtbank het van belang dat verdachte wordt onderzocht en dat hij, indien noodzakelijk, wordt behandeld. De rechtbank zal dit dan ook als bijzondere voorwaarde opnemen. De rechtbank acht een locatiegebod, locatieverbod, het meewerken aan dagbesteding en middelencontrole niet noodzakelijk en zal deze bijzondere voorwaarden dan ook niet opleggen. Concluderend zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk opleggen. De rechtbank hoopt dat een forse voorwaardelijke straf verdachte ervan weerhoudt nog eens de fout in te gaan.

8 Beslag

Onder verdachte is een flesopener (goednummer: G6051068) in beslag genomen: De flesopener behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

afpersing;

Ten aanzien van feit 2

poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot zes (6) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering

Verdachte meldt zich bij Reclassering Nederland te [plaatsnaam] op het adres [adres reclassering] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

- Diagnostiek en eventuele ambulante behandeling

Verdachte werkt mee aan diagnostiek en een eventueel daaruit voortvloeiende behandeling bij een Forensische Polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Verklaart verbeurd: flesopener (goednummer: G6051068)

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en M. Vaandrager, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 augustus 2021.

[(...)]