Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4162

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
AMS 20/6500
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag kinderbijslag afgewezen. Duurzame persoonlijke band. Op peildata (nog) geen ingezetene van Nederland en daarom niet verzekerd op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/6500

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres (hierna: [eiseres] )

(gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (hierna: Svb)

(gemachtigde: mr. A.F.L.B. Metz).

Procesverloop

Met een besluit van 9 juni 2020 (het primaire besluit) heeft de Svb de aanvraag van [eiseres] om kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanaf het tweede kwartaal van 2020 afgewezen.

Met een besluit van 27 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.

[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft middels een videoverbinding plaatsgevonden op 26 mei 2021.

[eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar begeleider. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Dahman.

Overwegingen

1.
[eiseres] heeft de Marokkaanse nationaliteit en heeft een zoon [naam zoon] , die op [geboortedatum] 2018 buiten Nederland is geboren. [eiseres] heeft op 13 maart 2020 kinderbijslag aangevraagd voor haar zoon. Met een brief van 20 maart 2020 heeft de Svb informatie bij [eiseres] opgevraagd, zij heeft deze informatie per formulier verstrekt. Hieruit blijkt dat [eiseres] sinds december 2019 samen met haar zoon in Nederland verblijft. Ook blijkt dat [eiseres] een ouder kind heeft, dat nog in Marokko verblijft. In Nederland verblijft [eiseres] bij kennissen en zij is op zoek naar zelfstandige woonruimte. Verder blijkt dat [eiseres] een bijstandsuitkering ontvangt.

2. Met het primaire besluit heeft de Svb de aanvraag van [eiseres] om kinderbijslag afgewezen, omdat [eiseres] niet in Nederland woont of werkt. Ook is volgens de Svb geen sprake van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.

3. Met het bestreden besluit stelt de Svb zich op het standpunt dat er geen sprake is van een duurzame persoonlijke band met Nederland bij aanvang van het eerste en tweede kwartaal van 2020 en [eiseres] daarom niet verzekerd is voor de AKW over het eerste en tweede kwartaal van 2020. Dat [eiseres] is ingeschreven en een uitkering ontvangt, maakt dat volgens de Svb niet anders. [eiseres] verblijft op de peildata nog maar een korte periode in Nederland. Zij heeft geen zelfstandige woonruimte en geen zelfstandig inkomen.

Standpunt van [eiseres]

4. [eiseres] stelt zich – samengevat – op het standpunt dat zij op de peildata een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft. [eiseres] stelt dat zij de intentie heeft om zich duurzaam met haar zoon in Nederland te vestigen. Dit blijkt volgens haar onder meer uit het feit dat zij haar zoon heeft ingeschreven voor de voorschool in Amsterdam en dat zij voornemens is een inburgeringscursus te volgen en vervolgens aan de kappersopleiding te beginnen.

Het oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of [eiseres] het eerste en tweede kwartaal van 2020 ingezetene van Nederland is en recht op kinderbijslag heeft. Volgens artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

6. Uit vaste rechtspraak1 volgt dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Daarbij komt het erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt volgens de Hoge Raad dat de wetgever geen bijzondere betekenis heeft willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals iemands sociale of economische binding met een land.

7. Verder blijkt uit vaste rechtspraak2, dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie heeft zich definitief in Nederland te vestigen. Verder wordt bij de beoordeling van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard met name van belang geacht of betrokkene beschikt over zelfstandige woonruimte in Nederland.

Duurzame band van persoonlijke aard

8. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] op de peildata (1 januari 2020 en 1 april 2020) nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft. Daarbij acht de rechtbank met de Svb van belang dat [eiseres] nog niet eerder in Nederland heeft gewoond, dat zij op de peildata nog maar een korte tijd (respectievelijk een en vier maanden) in Nederland verblijft en dat [eiseres] niet beschikt over zelfstandige woonruimte, maar een kamer heeft bij kennissen in Amsterdam. Ook heeft [eiseres] op de peildata nog geen zelfstandig inkomen uit arbeid en (nog) geen bijstandsuitkering. Verder is de rechtbank niet gebleken dat [eiseres] op andere wijze maatschappelijk actief is. De zorg voor haar zoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft en dat zij een afgeleid verblijfsrecht heeft, is onvoldoende.3 Ook leggen de intentie van [eiseres] om definitief in Nederland te verblijven en het voornemen om haar zoon in te schrijven op een voorschool in Amsterdam, onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

9. Ter zitting heeft [eiseres] uitgelegd dat het een moeilijke tijd is om in Nederland en vooral in Amsterdam zelfstandige woonruimte te vinden. [eiseres] benadrukt dat zij momenteel woonachtig is bij de noodopvang HVO-Querido in Amsterdam, waar zij geholpen wordt met het vinden van zelfstandige woonruimte. Ook ervaart [eiseres] haar taalbarrière en de Coronacrisis als een extra belemmering bij het vinden van werk. De Svb wijst erop dat [eiseres] ook buiten Amsterdam naar zelfstandige woonruimte kan zoeken. Ook stelt de Svb dat het in deze zaak gaat om de situatie op de peildata en niet om de situatie op dit moment. De rechtbank begrijpt dat het vinden van zelfstandige woonruimte en werk momenteel moeilijk is, maar dat maakt nog niet dat [eiseres] om die reden eerder een persoonlijke band met Nederland heeft. De rechtbank weegt ook mee dat eiseres wel stelt dat zij last heeft van een taalbarrière, maar dat zij op de peildata nog geen begin heeft gemaakt met een taalcursus. De feitelijke situatie van [eiseres] op de peildata duidt naar het oordeel van de rechtbank nog niet op een duurzame persoonlijke band met Nederland.4

Conclusie

10. [eiseres] is op die peildata (nog) geen ingezetene van Nederland en daarom niet verzekerd op grond van de AKW. De Svb heeft terecht beslist dat [eiseres] het eerste en tweede kwartaal van 2020 geen recht heeft op kinderbijslag.

11. Het beroep is daarom ongegrond. [eiseres] krijgt geen gelijk. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door [eiseres] betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bissumbhar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285.

2 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2755.