Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4141

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
C/13/696682 / FA RK 21-521
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Toepasselijk recht. Huwelijksvermogensrechtverordening.Wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Afwijzen verzoek schulden te verdelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

zaaknummer / rekestnummer: C/13/696682 / FA RK 21-521 (HE/SV)

Beschikking d.d. 18 augustus 2021 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. F. Kilic-Arslan, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 25 januari 2021;

- het op 15 februari 2021 overgelegde betekeningsexploot;

- het op 25 mei 2021 ingediende formulier verdelen en verrekenen.

1.2.

Binnen de daarvoor gestelde termijn is door de man geen verweerschrift ingediend.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 29 oktober 2020 te Amsterdam. De vrouw heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. De man heeft de Turkse nationaliteit.

2.2.

Scheiding

2.2.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.2.2.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.2.3.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Inhoudelijke beoordeling

2.2.4.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.

Woning

2.3.1.

De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden alsmede, zo begrijpt de rechtbank, het huurrecht van de woning.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.3.2.

De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over de verzoeken ter zake van het huurrecht en het voortgezet gebruik van deze woning.

2.3.3.

De rechtbank zal op deze verzoeken Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

2.3.4.

De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot het voortgezet gebruik van de woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

2.4.

Verdeling

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.4.2.

Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-bis Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).

2.4.3.

Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogensstelsels van toepassing. Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.

Krachtens artikel 26, lid 1 onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het Nederlandse recht, nu partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gewone gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland. Partijen zijn daarom gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.

Inhoudelijke beoordeling

2.4.4.

De rechtbank overweegt dat nu partijen gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de huwelijksgoederengemeenschap op grond van artikel 94, lid 2 en lid 7 van het Burgerlijk Wetboek bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk zijn aangegaan, voor zover niet betrekking hebbend op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.

2.4.5.

De vrouw heeft gesteld dat er op het adres van de echtelijke woning facturen zijn binnengekomen op naam van het klussenbedrijf van de man, [naam bedrijf] . De vrouw heeft verzocht deze schulden toe te delen aan de man.

2.4.6.

De vrouw heeft niet gesteld wanneer het bedrijf van de man is opgericht. Indien het bedrijf is opgericht voor 29 oktober 2020 valt het bedrijf niet in de wettelijke beperkte gemeenschap. De schulden van het bedrijf vallen dan op grond van artikel 94, lid 7 BW ook niet in de gemeenschap. In dat geval heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek. Indien het bedrijf na de huwelijksdatum is opgericht, vallen de schulden wel in de gemeenschap. Maar dan geldt dat de rechtbank schulden niet kan verdelen en het verzoek van de vrouw niet toewijsbaar is.

2.4.7.

De vrouw heeft daarnaast verzocht de verdeling vast te stellen conform het overgelegde formulier verdelen en verrekenen. De rechtbank overweegt dat de vrouw, nu zij dit formulier niet heeft toegelicht en met stukken heeft onderbouwd, haar verzoek onvoldoende heeft geconcretiseerd. In het formulier staan enkel het bedrijf van man en de schulden van de man of het bedrijf vermeld. Zonder nadere toelichting is dit niet voldoende. De rechtbank wijst de verzoeken van de vrouw daarom af.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amsterdam op 29 oktober 2020;

3.2.

bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

3.3.

bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] , met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

3.4.

verklaart de beslissing ten aanzien van het voortgezet gebruik en het huurrecht uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J. Evers, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. van der Veen op 18 augustus 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.