Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3995

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
02-08-2021
Zaaknummer
13/010687-19 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Celtic-Ajax. Veroordeling tot een taakstraf van 200 uur voor het openlijk geweld plegen tegen personen en goederen op 26 november 2015 in Glasgow.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/010687-19 (Promis)

Datum uitspraak: 2 augustus 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 7 juni 2021 en 2 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. C. Staal en M.E. Woudman en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. A.J. Admiraal, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 26 november 2015 in Glasgow (Groot-Brittannië) heeft schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen, terwijl het door hem gepleegde geweld bij een of meerdere personen (zwaar) lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Inleiding

Op donderdagavond 26 november 2015 werd in het Celtic Park stadion in Glasgow een Europa League wedstrijd gespeeld tussen Celtic FC en Ajax. Voorafgaand aan die wedstrijd, om ongeveer 19:00 uur, liep volgens verschillende getuigen een groep Ajaxsupporters vanuit het centrum van Glasgow naar de Gallowgate. De Gallowgate is een straat met pubs, waar voornamelijk supporters van Celtic FC samenkomen. De groep Ajaxsupporters zou zich eerder om 18:00 uur al hebben verzameld in de pub [pub 1] aan de West Nile street. Tijdens hun tocht door de Gallowgate viel de groep klanten van de pubs [pub 2] en [pub 3] aan, waarbij onder meer gebruik zou zijn gemaakt van glazen, flessen, metalen stangen, knuppels en stokken. Hierbij hebben meerdere personen (ernstige) verwondingen opgelopen.

Tijdsverloop

Het feit in deze zaak dateert van 26 november 2015. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak is pas op 7 juni 2021 aangevangen. Er zijn verschillende oorzaken voor de omstandigheid dat het een lange tijd heeft geduurd voordat de zaak inhoudelijk op zitting kon worden behandeld.

Het onderzoek was aanvankelijk gestart in Schotland. De Schotse autoriteiten hebben op 14 december 2017 gevraagd of het Nederlandse Openbaar Ministerie de vervolging wilde overnemen. Het Openbaar Ministerie is hiermee akkoord gegaan, waarna er door de politie in Nederland ook nog onderzoek is verricht. In totaal zijn er vijftien personen als verdachte aangemerkt. Op verzoek van een aantal van de verdachten is ook nog aanvullend onderzoek verricht.

De inhoudelijke behandeling was gepland in de eerste helft van 2020. In die periode werd Nederland echter getroffen door het coronavirus, waardoor die zitting niet kon doorgaan.

Voornoemde omstandigheden hebben voor een aanzienlijke vertraging gezorgd, wat maakt dat de inhoudelijke behandeling ruim vijf en een half jaar na het feit heeft plaatsgevonden.

4 Voorvragen

4.1.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Hij heeft daartoe, onder verwijzing naar een door de raadsman van een medeverdachte gevoerd verweer, het volgende aangevoerd.

De Schotse autoriteiten hebben het verzoek tot overdracht van de vervolging gebaseerd op artikel 8 van het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging (EVOS). Op grond van artikel 5.3.18 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) beslist de minister van Veiligheid en Justitie op een verzoek tot overname van de strafvervolging. Artikel 5.3.17 Sv vormt een uitzondering op deze bepaling. Indien het toepasselijke verdrag voorziet in rechtstreekse toezending aan de justitiële autoriteiten dan is de officier van justitie zelfstandig bevoegd op een dergelijk verzoek te reageren. Het EVOS kent een dergelijke bepaling niet.

Het Openbaar Ministerie had de zaak op grond van artikel 5.3.18 lid 2 Sv door moeten sturen aan de minister van Justitie en Veiligheid. Dat is niet gebeurd. Het passeren van de minister door het Openbaar Ministerie raakt de kern van de overname van de strafvervolging. De verkeerde instelling heeft over de overname beslist. Dit is volgens de raadsman van belang, omdat de minister op grond van artikel 10 sub c van het EVOS moet bepalen of het feit in de verzoekende staat verjaard is. In Schotland werd verdachte eerste instantie slechts verdacht van samenscholing en verstoring van de openbare orde. Dit zijn feiten die volgens de raadsman mogelijk snel verjaren. Voornoemde toets is nu omzeild door het Openbaar Ministerie. Gelet hierop is de strafvervolging van verdachte onrechtmatig. De strafvervolging is niet op de juiste wijze overgenomen. Dit leidt ertoe dat Nederland geen rechtsmacht heeft op grond van artikel 8b lid 1 Sv.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de door de verdediging genoemde artikelen pas van toepassing zijn vanaf 1 juli 2018. De Schotse autoriteiten kunnen spontaan informatie verstrekken op grond van artikel 21 van het Europees Rechthulpverdrag en artikel 7 van de Overeenkomst wederzijdse rechtshulp in strafzaken. Nederland heeft in deze zaak rechtsmacht en het verweer dient te worden verworpen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

Uit het verzoek tot overdacht van de strafvervolging van 14 december 2017 volgt dat de Schotse autoriteiten het verzoek baseren op het EVOS. Het Verenigd Koninkrijk (waartoe Schotland behoort) heeft het EVOS echter niet ondertekend. In de verhouding met Nederland kan dat verdrag dus geen basis bieden voor de overname van een Schotse strafvervolging. De mededeling van de Schotse autoriteiten uit het verzoek van 14 december 2017 moet dan ook op een vergissing berusten.

Het Verenigd Koninkrijk en Nederland zijn wel partij bij het Europees rechtshulpverdrag (ERV). Artikel 21 lid 1 ERV luidt als volgt: “Information laid by one Contracting Party with a view to proceedings in the courts of another Party shall be transmitted between the Ministries of Justice concerned unless a Contracting Party avails itself of the option provided for in paragraph 6 of Article 15.” Deze bepaling kan dus dienen als basis voor de overname van de strafvervolging. Hierbij is sprake van verzending tussen ministeries.

Het Verenigd Koninkrijk en Nederland zijn evenwel ook partij bij het Tweede Aanvullende Protocol bij het ERV. Artikel 4 van het Tweede Aanvullende Protocol wijzigt artikel 15 ERV in die zin dat lid 1 als volgt luidt: “Requests for mutual assistance, as well as spontaneous information, shall be addressed in writing by the Ministry of Justice of the requesting Party to the Ministry of Justice of the requested Party and shall be returned through the same channels. However, they may be forwarded directly by the judicial authorities of the requesting Party to the judicial authorities of the requested Party and returned through the same channels”.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt er dan ook voldaan aan de voorwaarde uit artikel 5.3.17 lid 1 Sv. De omstandigheid dat de Schotse autoriteiten in het verzoek tot overdracht van de strafvervolging niet naar het juiste verdrag verwijzen maakt dit oordeel niet anders.1

De rechtbank concludeert dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

4.2.

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste

gelegde feit. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben zich – onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen. Verdachte is door de Nederlandse verbalisanten [naam 1] en [naam 2] herkend op de beelden van [pub 4] . [naam 2] heeft verdachte ook herkend op de beelden van de [pub 3] . Vergeleken met de camerabeelden van [pub 4] is het gezicht van verdachte op de beelden van de [pub 3] minder goed te zien. Echter komt naast de gezichtskenmerken, ook het specifieke signalement overeen. Tijdens de staande houding voldeed verdachte precies aan dit signalement. [naam 1] en [naam 2] hebben verdachte herkend omdat zij hem goed kennen. De Schotse verbalisanten [naam 3] en [naam 4] hebben verdachte herkend nadat zij hem hebben vergeleken met de camerabeelden. Nu niet is gebleken hoe deze herkenningen tot stand zijn gekomen en aan welke kenmerken zij verdachte hebben herkend, dienen deze herkenningen slechts als aanvullend bewijsmateriaal die de herkenningen van [naam 1] en [naam 2] onderstrepen. Op de beelden is te zien dat verdachte fors geweld pleegt. Hij slaat meerdere malen met een stok op slachtoffer in. Te zien is dat dit doelbewust en met kracht gebeurd. Er bestaan dan ook geen enkele twijfel over de wezenlijke bijdrage van verdachte aan het geweld.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de camerabeelden van onvoldoende kwaliteit zijn om daarop een herkenning te kunnen baseren. Er zijn geen onderscheidende gezichtskenmerken te zien. Daarnaast moet er terughoudend worden omgegaan met herkenningen op basis van kleding, nu er erg veel personen op de beelden te zien zijn en deze personen allemaal dezelfde soort kleding dragen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de openlijke geweldpleging.

Betrouwbaarheid van herkenningen

De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met de beoordeling van herkenningen. Dit geldt te meer als deze herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het hem ten laste gelegde kunnen aantonen. Het komt er bij de beoordeling van het bewijs op aan dat kan worden getoetst of de aan de hand van foto’s of beelden door de verbalisanten gedane herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning zijn in het algemeen de volgende elementen van belang.

In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de camerabeelden of stills daarvan, voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te kunnen baseren. Hierbij is van belang wat de mate van kwaliteit van de beelden is en in hoeverre hierop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn.

Het tweede beoordelingselement staat daarmee in nauw verband, namelijk hoe goed de herkenner verdachte kent. Hoe beter men verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang.

Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht. Ten slotte dient de rechtbank te bekijken of er feiten en omstandigheden zijn die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat uit wetenschappelijk onderzoek naar voren komt dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dat maakt het doorgaans lastig om een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent.

Herkenningen in het dossier

In het dossier bevinden zich verklaringen van de Schotse verbalisanten [naam 4] en [naam 3] en de Nederlandse verbalisanten [naam 1] en [naam 2] .

[naam 3] en [naam 4] hebben verdachte en veertien andere personen vlak na de openlijke geweldpleging staande gehouden op Melbourne Street. Een aantal dagen later hebben de [naam 3] en [naam 4] gezamenlijk de camerabeelden van de staandehouding van verdachte vergeleken met de verschillende camerabeelden in het dossier. Daarmee is geen sprake van herkenning, maar van een (gezichts)vergelijking. [naam 3] en [naam 4] hebben vervolgens verklaard dat zij verdachte herkennen op de beelden van de [pub 1] , [pub 4] , [pub 3] en de openbare beveiligingscamera 68.

Om de betrouwbaarheid van een (gezichts)vergelijking te kunnen toetsen, is het noodzakelijk dat degene die tot een positieve vergelijking komt, aangeeft op welke overeenstemmende onderscheidende (gezichts)kenmerken die vergelijking gebaseerd is, bij afwezigheid van zichtbare verschillen. [naam 3] en [naam 4] hebben geen enkel kenmerk genoemd waaraan zij verdachte herkennen. Ook overigens is onduidelijk hoe het proces van (gezichts)vergelijking in Schotland precies is gelopen en of en in hoeverre daar nog anderen bij waren betrokken. In aanmerking moet worden genomen, dat de vergelijkingen in Schotland niet direct voor het bewijs bestemd waren, maar voor een standard prosecution report, dat aan de Schotse openbare aanklager werd gestuurd ter beoordeling of vervolging zou worden ingesteld. De rechtbank zal de vergelijkingen van [naam 3] en [naam 4] dan ook als bewijsmiddel terzijde schuiven.

[naam 2] heeft op verzoek van een collega de afbeeldingen en de bijbehorende camerabeelden bekeken. Aan haar werd gevraagd of zij personen door haar werkzaamheden herkende. [naam 2] herkende verdachte voor honderd procent aan zijn lengte en zijn hoofd op de camerabeelden van de [pub 1] , [pub 4] en [pub 3] . [naam 2] verklaart dat zij zag dat verdachte met een stok in zijn hand een man sloeg.

Ook [naam 1] heeft op verzoek van een collega de afbeeldingen en de bijbehorende camerabeelden bekeken. Hij herkende verdachte op de camerabeelden van de [pub 1] en [pub 4] voor honderd procent aan zijn gelaatsvorm en zijn spitse gezicht met dunne ogen. Tevens heeft verdachte een jas aan waarbij op de capuchon twee uitstekende flappen zitten. Deze jas droeg verdachte veelvuldig. [naam 1] zag verdachte vaak bij wedstrijden van Ajax. [naam 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in het team Voetbal en Evenementen werkt en dat hij in die functie veel bij wedstrijden van Ajax komt. Hij kent de namen van verdachten ambtshalve.

Beoordeling

De bewegende camerabeelden zijn op de zitting bekeken. De rechtbank vindt de bewegende camerabeelden van voldoende kwaliteit en voldoende duidelijk om als basis voor een herkenning te dienen.

De rechtbank heeft geconstateerd dat op de beelden van de staandehouding te zien is dat verdachte een jas droeg met een embleem op de linkermouw. Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat om 19:04:02 uur op de cam 3 van de camerabeelden van de [pub 3] te zien is dat de persoon die door verbalisant [naam 2] is herkend als verdachte een lichte broek en zwarte schoenen draagt en een embleem op de linkermouw van zijn jas heeft. Op cam 2 van de [pub 3] , waarbij vanuit een ander perspectief wordt gefilmd, heeft de rechtbank geconstateerd dat de persoon met de lichte broek, de zwarte schoenen en het embleem op de linkermouw van de jas een stok in zijn handen heeft, een persoon slaat met die stok en de stok vervolgens tegen de gevel van een pand gooide.

De rechtbank heeft, na de beelden te hebben gezien, geen reden om te twijfelen aan de herkenningen van verbalisanten [naam 2] aan [naam 1] . Zij hebben verdachte bovendien zonder voorkennis van het dossier herkend. [naam 2] en [naam 1] hebben beschreven aan welke gezichts- en kledingkenmerken zij verdachte hebben herkend. Beide verbalisanten kennen en herkennen verdachte ambtshalve. De rechtbank vindt deze herkenningen dan ook betrouwbaar en stelt vast dat verdachte bovengenoemde persoon is die te zien is op de camerabeelden van [pub 1] , de [pub 3] en [pub 4] .

Rol van verdachte

De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het geweld van voldoende gewicht is.

De rechtbank vindt dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging, nu op de camerabeelden is te zien dat verdachte, terwijl hij deel uitmaakt van een groep personen die zich aan deze openblijke geweldpleging schuldig aan het maken is, een stok in zijn hand heeft, een persoon slaat en de stok vervolgens tegen de gevel van een pand gooit. De rechtbank vindt dan ook bewezen dan verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de openlijke geweldpleging.

Verdachte wordt partieel vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging waarin de strafverzwarende omstandigheid van lid 2 van artikel 141 Sr is opgenomen, nu niet is komen vast te staan dat het door verdachte gepleegde geweld heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 26 november 2015 te Glasgow (Groot-Brittannië), openlijk, te weten op de straat Gallowgate en in zich aldaar bevindende pubs, in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen personen en goederen, te weten

- [naam 5] en

- [naam 6] en

- [naam 7] en

- [naam 8] en

- [naam 9] en

- [naam 10] en

- [naam 11] en

- [naam 12] en

- een manspersoon van ongeveer 60 jaar oud met een wandelstok en

- het interieur van de [pub 3] en het pand waarin voornoemde bar gevestigd is en

- het interieur van de [pub 2] en het pand waarin voornoemde bar gevestigd is en

- overige panden waaronder een patatzaak aan de straat Gallowgate

door (meermalen)

- voornoemde [naam 5] met een stok in het gezicht te slaan en

- voornoemde [naam 6] met een metalen voorwerp op het hoofd te slaan en

- voornoemde [naam 7] te schoppen en

- harde voorwerpen tegen het hoofd van voornoemde [naam 8] te gooien en door daarmee te slaan en/of te stompen en

- tegen het hoofd van voornoemde [naam 9] te slaan en/of te stompen en

- voornoemde [naam 10] tegen het gezicht te slaan en te stompen en een glas of fles tegen het hoofd van voornoemde [naam 10] te slaan en

- voornoemde [naam 11] tegen het hoofd en het lichaam te stompen en/of te schoppen (nadat voornoemde [naam 11] ten val was gekomen)

- voornoemde [naam 12] (met een voorwerp) tegen het hoofd en het lichaam te slaan en te stompen en te schoppen en

- voornoemde manspersoon van ongeveer 60 jaar oud met een wandelstok aan te vallen en tegen het lichaam te slaan en te stompen en te schoppen en

- voornoemde bars te bekogelen en te bestoken en aan te vallen met voorwerpen zoals onder andere glazen, flessen, stokken, staven en (bak)stenen en

- voornoemde overige panden waaronder een patatzaak gelegen aan de straat Gallowgate te bestoken en aan te vallen met voorwerpen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor het door hen bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop. Er kan dan ook worden volstaan met oplegging van een voorwaardelijke taakstraf van 75 uur.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging voorafgaand aan de voetbalwedstrijd tussen Celtic FC en Ajax in Glasgow. Hij heeft zich samen met anderen verzameld in pub de [pub 1] . Uit verklaringen van medewerkers van de [pub 1] volgt dat de pub langzaam vol liep met voetbalsupporters met donkere kleding, dat zij glazen en flessen in hun zakken staken en dat zij vervolgens als groep de pub weer verlieten. Kennelijk was er dus sprake van een georganiseerde actie, hetgeen de rechtbank strafverzwarend vindt. Vervolgens is de groep de Gallowgate opgelopen. Tijdens die tocht viel de groep zonder enige zichtbare aanleiding mensen aan. Verdachte was een de personen die fors geweld heeft gepleegd. Op de camerabeelden is te zien dat hij personen met een stok heeft geslagen. Meerdere mannen zijn bij de openlijke geweldpleging ernstig toegetakeld. De verwondingen variëren van hoofdwonden en hersenschuddingen tot gebroken kaken en jukbenen. Feiten als het onderhavige maken inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers en dragen bij aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder bij hen die daarvan slachtoffer of getuige zijn.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)

van verdachte van 18 mei 2021. Hieruit blijkt dat hij voorafgaand aan onderhavig feit niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Oriëntatiepunten voor straftoemeting

De rechtbank heeft bij de straftoemeting gekeken naar de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting (LOVS), waarin voor openlijke geweldpleging tegen personen waarbij sprake is van lichamelijk letsel als uitgangspunt een taakstraf van 150 uur wordt genoemd. Bij dat lichamelijk letsel valt volgens de LOVS te denken aan een of meer bulten, schrammen of blauwe plekken. De rechtbank stelt vast dat er in deze zaak sprake is van ernstig letsel, zodat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is.

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het lange tijdsverloop in deze zaak, nu het een feit dateert van 26 november 2015.

In beginsel moet iedere strafzaak binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn worden afgedaan door de rechter. De termijn gaat lopen op het moment dat verdachte in redelijkheid kan verwachten dat hij vervolgd zal worden. In dit geval gaat de rechtbank ervan uit dat dit op de datum van het eerste verhoor van verdachte was, op 3 december 2018. Verdachte heeft niet in voorarrest gezeten. De behandeling van de zaak had derhalve in beginsel vóór 3 december 2020 afgerond moeten zijn. De rechtbank doet echter pas op 2 augustus 2021 uitspraak. De redelijke termijn is daarmee met acht maanden overschreden. De rechtbank compenseert verdachte voor deze overschrijding door aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, hetgeen gelet op de ernst van het feit zeker wel in de rede zou hebben gelegen als de zaak korter na het gebeurde was afgerond. De rechtbank zal in plaats daarvan een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.

Alles afwegende ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de eis van de officieren van justitie. De rechtbank vindt een taakstraf van 200 uur passend.

10 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

10.1.

Vorderingen

De benadeelde partij [naam 9] vordert € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade.

De benadeelde partij [naam 10] vordert £ 150,- aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade.

De benadeelde partij [naam 6] vordert £ 500,- aan vergoeding van materiële schade, £ 4.550,- aan vergoeding van immateriële schade en £ 150,- aan vergoeding van proceskosten.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

10.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [naam 10] en [naam 6] ten aanzien van het materiële deel onvoldoende zijn onderbouwd en daarom moeten worden afgewezen. Uit de vorderingen en de getuige- en letselverklaringen is voldoende gebleken dat er sprake is van flink letsel bij de benadeelden. Ten aanzien van het immateriële deel kunnen de vorderingen van alle benadeelde partijen dan ook worden toegewezen tot € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wegens de bepleitte vrijspraak.

10.4.

Oordeel van de rechtbank

10.4.1.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam 9]

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij [naam 9] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10.4.2.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam 10]

Materiële schade

De benadeelde partij [naam 10] zal ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij [naam 10] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10.4.3.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam 6]

Materiële schade

De benadeelde partij [naam 6] zal ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij [naam 6] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1.000,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskosten

De door [naam 6] gevorderde proceskosten, bestaande uit advocaatkosten in Schotland, worden niet-ontvankelijk verklaard, nu deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd.

10.5.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen [naam 9] , [naam 10] en [naam 6] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen.

Benadeelde partij [naam 9]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 9] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2015, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 9] voornoemd.

Verklaart verdachte met medeverdachte [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van het toegewezen bedrag. Verdachte moet het bedrag betalen, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve

van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 9] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen

heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [naam 10]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 10] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2015, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 10] voornoemd.

Verklaart verdachte met medeverdachte [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van het toegewezen bedrag. Verdachte moet het bedrag betalen, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve

van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 10] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen

heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [naam 6]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 6] toe tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2015, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 6] voornoemd.

Verklaart verdachte met medeverdachte [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van het toegewezen bedrag. Verdachte moet het bedrag betalen, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve

van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [naam 6] aan de Staat € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen

heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en H.E. Hoogendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 augustus 2021.

1 vgl. HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:24.