Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3953

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
02-08-2021
Zaaknummer
13/845254-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openbaar Ministerie vanwege verjaring niet-ontvankelijk in de vervolging voor de feiten m.b.t. Universiteit Utrecht (feiten 1, 2 en 3). Vrijspraak voor oplichting van Tilburg University. Een taakstraf van 180 uur voor (medeplegen van) valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) en een valse opgave laten opnemen in een notariële akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845254-16 (Promis)

Datum uitspraak: 2 augustus 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8, 9 en 11 juni 2021 en 2 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T.R. van Roomen en van wat verdachte en zijn raadslieden mrs. P.G. Grijpstra en P.C. Schouten naar voren hebben gebracht.

De benadeelde partij Universiteit Utrecht werd op de zitting vertegenwoordigd door [naam] . De benadeelde partij Stichting Katholieke Universiteit Brabant (Tilburg University1) werd vertegenwoordigd door [naam] , bijgestaan door mr. F. Schneider.

2 Inleiding en beschuldiging

Tilburg University heeft op 15 april 2016 aangifte gedaan van onder meer valsheid in geschrift en oplichting. De aangifte richt zich tegen [verdachte] die sinds 2000 onder meer als decaan bij Tilburg University werkte. Daarnaast richt de aangifte zich tegen [medeverdachte 1] (nicht van [verdachte] ), [medeverdachte 2] (neef van [verdachte] ), [bedrijf medeverdachte 3] (bedrijf van [medeverdachte 3] , de echtgenoot van [medeverdachte 1] ) en [bedrijf medeverdachte 2] (bedrijf van [medeverdachte 2] ). [verdachte] heeft vanaf 2000 veel promovendi begeleid en daarbij merendeels gebruik gemaakt van de hulp van [medeverdachte 1] en later [medeverdachte 2] . Naar aanleiding van de begrotingsvoorbereiding voor het jaar 2016 heeft de opvolger van [verdachte] bij Tilburg University vraagtekens gezet bij de kostenpost voor ondersteuning van proefschriften begeleid door [verdachte] . Dat is voor Tilburg University reden geweest bedrijfsrecherchebureau Hoffmann in te huren om nader onderzoek te doen. Hoffmann heeft onderzocht of de bedrijven [bedrijf medeverdachte 3] en [bedrijf medeverdachte 2] ondersteunende werkzaamheden voor de promoties van [verdachte] hebben verricht, of de personen die het werk uitvoerden daarvoor gekwalificeerd waren, of de gefactureerde en uitbetaalde geldbedragen gerechtvaardigd konden worden en of [verdachte] zichzelf of familieleden heeft verrijkt. Het onderzoek heeft zich vervolgens ook gericht tot [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en hun rol bij het indienen van facturen aan Tilburg University.

Naar aanleiding van de aangifte en de daarin verwerkte bevindingen van Hoffmann is een strafrechtelijk onderzoek gestart met de naam Kegelzwam. Gedurende het onderzoek is de scope daarvan uitgebreid met verdenkingen met betrekking tot de Universiteit Utrecht en de verkoop van de woning van [verdachte] .

Het onderzoek heeft uiteindelijk geleid tot deze strafzaak die gezamenlijk op de zitting is behandeld met de zaken tegen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . De rechtbank doet vandaag in de zaken van alle verdachten uitspraak.

[verdachte] wordt kort gezegd beschuldigd van het (mede)plegen van:

  1. Valsheid in geschrift ten aanzien van vijf declaraties gericht aan de Universiteit Utrecht;

  2. Valsheid in geschrift ten aanzien van een Aanstellingsformulier en een Aanstellingsbrief van de Universiteit Utrecht op naam van [medeverdachte 3] ;

  3. Oplichting van de Universiteit Utrecht;

  4. Valsheid in geschrift ten aanzien van vijf facturen gericht aan Tilburg University;

  5. Oplichting van Tilburg University;

  6. Valsheid in geschrift ten aanzien van drie schuldbekentenissen;

  7. Een valse opgave (laten) doen in een authentieke akte.

De tenlastelegging staat in de bijlage.

3 Verjaring

3.1.

Standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de feiten 1 en 2 en een deel van feit 3, omdat het recht tot strafvervolging voor deze feiten is verjaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht op strafvervolging niet is verjaard, omdat de verjaring op tijd is gestuit. Op 15 maart 2017 heeft op vordering van het Openbaar Ministerie en met machtiging van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden. Deze doorzoeking vond mede plaats naar aanleiding van de verdenkingen rond het feitencomplex van de Universiteit Utrecht. Dit volgt uit het feit dat in het start proces-verbaal (AMB-001) al passages over [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn opgenomen in verband met de Universiteit Utrecht. Het onderzoek richtte zich toen dus al op zowel Tilburg University als de Universiteit Utrecht. Mocht de rechtbank de officier van justitie hierin niet volgen, dan is de verdenking tijdens de doorzoeking uitgebreid naar de werkzaamheden voor de Universiteit Utrecht omdat bij de doorzoeking stukken in beslag zijn genomen die betrekking hadden op de Universiteit Utrecht. In beide gevallen geldt dat de verjaring op de datum van de doorzoeking is gestuit. Als de rechtbank ook daar niet in meegaat dan geldt 18 oktober 2018 als stuitingsdatum. Dat is het moment waarop aan de verdediging een regiebrief in het kader van onderzoekswensen is verstuurd, inclusief een concept tenlastelegging. De rechtbank Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over een soortgelijke kwestie en zo’n brief als stuitingshandeling aangemerkt.2

3.2.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt dat de feiten 1, 2 en 3 (voor de hele periode) verjaard zijn en dat het Openbaar Ministerie verdachte daarvoor niet meer mag vervolgen. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van die feiten.

Het recht van het Openbaar Ministerie om strafbare feiten te vervolgen is door de wetgever beperkt in tijd. De verjaringstermijn voor valsheid in geschrift en oplichting is twaalf jaar. Dat betekent dat het Openbaar Ministerie in dit geval vanaf de pleegdatum/-periode van de feiten op de beschuldiging twaalf jaar de tijd heeft om verdachte te vervolgen. Als het Openbaar Ministerie of een rechter gedurende die twaalf jaar geen zogenoemde ‘vervolgingshandeling’ verricht is het feit na twaalf jaar verjaard, en mag het Openbaar Ministerie verdachte daarvoor niet meer vervolgen. Als er binnen twaalf jaar wél een vervolgingshandeling plaatsvindt door het Openbaar Ministerie of een rechter begint vanaf dat moment een nieuwe verjaringstermijn van twaalf jaar te lopen; dat wordt stuiting van de verjaring genoemd.

De pleegperiodes voor de feiten 1, 2 en 3 zijn:

  • -

    Feit 1: 1 april 2006 tot en met 31 mei 2006;

  • -

    Feit 2: 22 oktober 2006 en/of 13 november 2006;

  • -

    Feit 3: 1 april 2006 tot en met 31 december 2007.

Voor alle pleegperiodes geldt dat sindsdien meer dan twaalf jaar voorbij is gegaan. De vraag is dus of de verjaring op enig moment is gestuit.

Een vordering tot doorzoeking van de officier van justitie aan de rechter-commissaris is een stuitingshandeling. Het is namelijk een vervolgingshandeling van de officier van justitie, waarbij een rechter bij de strafzaak wordt betrokken. Om de verjaring van de vervolging te kunnen stuiten moet die vordering dan wel betrekking hebben op de feiten waarvoor wordt vervolgd. Toegepast op deze zaak; voor de feiten die betrekking hebben op de Universiteit Utrecht geldt de vordering tot doorzoeking alleen als stuitingshandeling als die vordering (mede) gedaan is op basis van verdenkingen die betrekking hebben op de Universiteit Utrecht.

De rechtbank vindt dat daarvan geen sprake is. De vordering tot doorzoeking is gedaan in het kader van de verdenkingen met betrekking tot Tilburg University en niet met betrekking tot de Universiteit Utrecht. In AMB-001 staat inderdaad een aantal passages waar de Universiteit Utrecht in wordt genoemd. Maar in deze passages wordt alleen vastgesteld dat [medeverdachte 2] in dienst is bij die universiteit en de vraag gesteld of [medeverdachte 2] zijn werkzaamheden voor Tilburg University met zijn dienstverband met de Universiteit Utrecht kan combineren. Daaruit volgt geen verdenking van stafbare feiten met betrekking tot de Universiteit Utrecht. Ook in AMB-003, waarin het voorstel wordt gedaan om een doorzoeking bij de rechter-commissaris te vorderen, staat niets waaruit kan worden afgeleid dat de doorzoeking mede betrekking zou hebben op verdenkingen met betrekking tot de Universiteit Utrecht.

Bij de doorzoeking zijn stukken van de Universiteit Utrecht aangetroffen. Uit het dossier blijkt niet dat de vordering tot doorzoeking aan de rechter-commissaris hierop is uitgebreid met verdenkingen met betrekking tot de Universiteit Utrecht.


De rechtbank vindt ook de regiebrief aan de verdediging van 18 oktober 2018 geen stuitingshandeling. De officier van justitie heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2021. In die uitspraak ging het om een brief van het Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris. De rechtbank oordeelde in die zaak dat die brief een stuitingshandeling was omdat daarmee door de officier van justitie een rechter in het onderzoek werd betrokken ter inventarisatie van de onderzoekswensen ten behoeve van de vervolging. In deze zaak is de brief van 18 oktober 2018 door het Openbaar Ministerie niet verzonden aan de rechter-commissaris, maar aan de raadslieden van de verdachten in het onderzoek. Dat is geen vervolgingshandeling. Ook het versturen van een concept tenlastelegging is volgens vaste rechtspraak geen vervolgingshandeling.3

De verdediging heeft gesteld dat de verjaring is gestuit op 20 december 2018, omdat de rechter-commissaris toen heeft beslist op getuigenverzoeken van de verdediging. De rechtbank vindt ook dat geen een vervolgingshandeling, omdat het verzoek tot onderzoek niet is uitgegaan van het Openbaar Ministerie of de rechtbank.

De eerste vervolgingshandeling voor de feiten met betrekking tot de Universiteit Utrecht vindt de rechtbank het uitbrengen van de dagvaarding op 14 oktober 2020. Op dat moment waren alle feiten met betrekking tot Universiteit Utrecht (per 1 januari 2020) al verjaard. Dus is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van deze feiten.

De rechtbank heeft deze beslissing op dag één van de inhoudelijke behandeling genomen en op zitting uitgesproken. De beschuldigingen over de Universiteit Utrecht zijn daarom op de zitting niet verder besproken en komen in het vervolg van dit vonnis ook niet meer aan bod.

Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van de feiten 4, 5, 6 en 7. De verjaring van deze feiten is op tijd gestuit door de vordering tot doorzoeking of het uitbrengen van de dagvaarding.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging

De officier van justitie vindt dat bewezen kan worden dat verdachte zich aan alle feiten schuldig heeft gemaakt.

De verdediging vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten met uitzondering van het opnemen van een valse koopsom in een authentieke akte (feit 7).

Voor zover nodig wordt hierna bij het oordeel van de rechtbank nader ingegaan op de door de officier van justitie en de verdediging ingenomen standpunten.

4.2.

Oordeel van de rechtbank

4.2.1.

Valse facturen (feit 4)

De rechtbank vindt van vier van de vijf facturen op de beschuldiging bewezen dat verdachte die facturen samen met een ander/anderen vals heeft opgemaakt. Voor het vals opmaken van de vijfde factuur wordt verdachte vrijgesproken.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.4

Op 15 november 2007 is een ingestuurde factuur van [medeverdachte 1] aan Tilburg University van 12.500 euro voor betaling door de universiteit ondertekend. Op de factuur staan na de naam van [medeverdachte 1] de letters MBA.5
Op 20 november 2008 is een factuur van [medeverdachte 3] aan Tilburg University van 18.750 euro voor akkoord door de universiteit ondertekend.6

Op 13 augustus 2012 is een factuur van [bedrijf medeverdachte 3] aan Tilburg University van 29.750 euro door de universiteit ontvangen.7

Op 18 februari 2013 is een factuur van [bedrijf medeverdachte 3] aan Tilburg University van 42.350 euro door de universiteit ontvangen.8

De handtekening op de factuur van 20 november 2008 is van [medeverdachte 3] .9 [medeverdachte 1] heeft de werkzaamheden op de factuur verricht. [medeverdachte 3] heeft zelf nooit voor Tilburg University gewerkt, ook niet vanuit zijn bedrijf [bedrijf medeverdachte 3] . Op verzoek van [medeverdachte 1] en [verdachte] heeft hij facturen ondertekend.10 [medeverdachte 1] heeft geen MBA-titel, de vermelding daarvan op de facturen is niet juist. [medeverdachte 3] heeft geen werkzaamheden voor de universiteit verricht. [medeverdachte 1] heeft de facturen waar MBA op staat op instructie van [verdachte] opgemaakt.11 [verdachte] heeft tegen [medeverdachte 1] gezegd dat zij op de factuur MBA achter haar naam moest zetten, terwijl hij wist dat zij die titel (in kleine letters) niet had.12 [verdachte] gaf bedragen en omschrijvingen van de facturen aan [medeverdachte 1] door, zij maakte vervolgens de facturen op en [verdachte] stuurde ze door naar de financiële afdeling van Tilburg University.13

Bewijsoverweging

Ondersteunende werkzaamheden (deels) niet verricht?

In de beschuldiging staat dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het opmaken van valse facturen. De valsheid van de facturen zou er volgens de beschuldiging onder andere uit bestaan dat gefactureerd is voor werkzaamheden die niet of maar deels hebben plaatsgevonden. De rechtbank kan dat op basis van het dossier niet vaststellen. Er zijn aanknopingspunten in het dossier, zo heeft ook de officier van justitie erkend, dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] daadwerkelijk ondersteunende werkzaamheden voor [verdachte] hebben verricht. Uit het dossier blijkt niet hoeveel er door wie en aan welke dissertatie is gewerkt en ook niet wat daar de afspraken over waren. Het is dan ook niet vast te stellen dat maar een deel van de (afgesproken) werkzaamheden is uitgevoerd, of dat er voor een bepaalde factuur helemaal niet is gewerkt. Dat het vaste bedrag dat per dissertatie in rekening wordt gebracht hoog voorkomt, maakt dit niet anders. Dit deel van de beschuldiging kan daarom niet worden bewezen. Omdat dit de enige valsheid is die in de beschuldiging staat voor DOC-028 (vijfde streepje op de tenlastelegging) wordt verdachte voor het vals opmaken van deze factuur vrijgesproken.

In de beschuldiging staan bij de andere facturen per factuur een aantal andere omstandigheden op grond waarvan ze vals zouden zijn. De rechtbank bespreekt die omstandigheden hieronder per factuur.

DOC-062; titel MBA staat op de factuur

Op de beschuldiging staat bij deze factuur dat door “MBA” achter de naam van [medeverdachte 1] op de factuur te zetten de schijn is gewekt dat [medeverdachte 1] over de kwaliteiten beschikte om de werkzaamheden op de factuur te kunnen uitvoeren, terwijl zij die titel nooit heeft behaald. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat [medeverdachte 1] op initiatief van [verdachte] MBA achter haar naam heeft gezet terwijl zij en [verdachte] wisten dat zij geen MBA-titel heeft. De rechtbank vindt dit een valsheid, omdat daardoor in strijd met de waarheid de indruk wordt gewekt dat [medeverdachte 1] een MBA zou hebben afgerond. Dat de titel in hoofdletters niet beschermd zou zijn doet niet af aan de valse indruk die daarmee wordt gewekt. Het wel of niet hebben van een MBA kan relevant zijn in het kader van de werkzaamheden waarvoor gefactureerd werd, waardoor de valse vermelding de factuur vals maakt. [verdachte] heeft door [medeverdachte 1] te zeggen dat ze MBA achter haar naam moest zetten, terwijl hij wist dat zij die titel niet had, een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het vals opmaken van de factuur en daar ook opzet op gehad. Verdachte wordt dus veroordeeld voor het medeplegen van het opmaken van de valse factuur.

DOC-043, DOC-072 en DOC-076, tenaamstelling

Op de beschuldiging staat bij deze facturen dat de facturen op naam zijn gesteld van [medeverdachte 3] of [bedrijf medeverdachte 3] , het bedrijf van [medeverdachte 3] , terwijl hij geen werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat [medeverdachte 3] geen werkzaamheden voor Tilburg University heeft verricht. Door zijn naam en/of de naam van zijn bedrijf op de factuur op te nemen wordt, in strijd met de waarheid, de indruk gewekt dat die werkzaamheden door hem of zijn bedrijf zijn uitgevoerd. De factuur is op dat punt dus vals. Door het ondertekenen van de factuur van 20 november 2008 heeft [medeverdachte 3] voor de juistheid daarvan getekend. Daarmee heeft [medeverdachte 3] een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het opmaken van deze valse factuur. Gezien de rol die [verdachte] had bij het opmaken en indienen van de facturen en het feit dat [medeverdachte 3] nooit voor Tilburg University heeft gewerkt, heeft [verdachte] ook aan het vals opmaken van deze facturen een bewuste bijdrage van voldoende gewicht geleverd, zodat bewezen kan worden dat hij deze facturen samen met [medeverdachte 1] vals heeft opgemaakt.

Bewijsbestemming

Valsheid in geschrift kan alleen bewezen worden als het gaat om een document dat bestemd is om tot bewijs te dienen. Een factuur is naar zijn aard bedoeld om te bewijzen dat degene die factureert, in dit geval diensten heeft geleverd en recht heeft op betaling daarvoor. Daarmee is de bewijsbestemming gegeven.

4.2.2.

Oplichting (feit 5)

Verdachte wordt vrijgesproken van oplichting van Tilburg University, omdat de rechtbank niet bewezen vindt dat Tilburg University de facturen (mede) heeft betaald doordat daar een verkeerde naam op stond.

Niet elke vorm van bedrog of wat in het normale spraakgebruik oplichting genoemd wordt valt ook onder het juridische begrip oplichting. Daarvoor is onder andere vereist dat de verdachte een oplichtingsmiddel gebruikt (in dit geval bijvoorbeeld valse facturen) waardoor de ander wordt bewogen tot, in dit geval, het betalen van geld. Om dat verband tussen het oplichtingsmiddel en het ‘bewegen tot’ te kunnen bewijzen moet aannemelijk zijn dat in dit geval Tilburg University mede onder invloed van de door verdachte in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot betaling.

De officier van justitie heeft op de zitting diverse omstandigheden naar voren gebracht die een rol zouden hebben gespeeld bij de oplichting van Tilburg University, waaronder de positie van verdachte bij Tilburg University, zijn financiële vrijheid en het verzwijgen van de familierelaties met de medeverdachten. Die omstandigheden en gedragingen staan niet in de beschuldiging. De rechtbank is gebonden aan die beschuldiging (de tenlastelegging) en beoordeelt dus alleen op grond daarvan of tot een veroordeling voor oplichting kan worden gekomen.

De beschuldiging luidt dat Tilburg University door deze gedragingen is bewogen tot afgifte van geldbedragen:

 Op facturen te vermelden dat de geldbedragen moesten worden overgemaakt naar het rekeningnummer van [medeverdachte 3] en door facturen op naam te stellen van [medeverdachte 3] of zijn eenmanszaak [bedrijf medeverdachte 3] . Daarmee is de schijn gewekt dat [medeverdachte 3] ondersteunende werkzaamheden voor de proefschriften heeft verricht, terwijl [medeverdachte 3] in werkelijkheid nooit werkzaamheden voor Tilburg University heeft verricht.

 Op facturen te vermelden dat ondersteunende werkzaamheden zijn verricht, terwijl die werkzaamheden niet of slecht deels zijn uitgevoerd.

De rechtbank heeft hiervoor in paragraaf 4.2.1. geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat de werkzaamheden niet of slecht deels zijn uitgevoerd. Het tweede streepje kan dus niet worden bewezen.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat een verkeerde naam op facturen stond; de naam van [medeverdachte 3] of [bedrijf medeverdachte 3] , terwijl de werkzaamheden werden verricht door [medeverdachte 1] . De rechtbank moet daarom beoordelen of Tilburg University mede daardoor is bewogen tot afgifte van geld. Anders gezegd, het vermelden van een andere naam (en diens rekeningnummer) dan de uitvoerende moet van doorslaggevende betekenis zijn geweest om tot betaling over te gaan.

De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat Tilburg University mede door de verkeerde voorstelling van zaken op de facturen is overgegaan tot betaling. [medeverdachte 1] heeft namelijk nog andere facturen aan Tilburg University gestuurd waarop wel haar eigen naam stond. In die gevallen is Tilburg University ook overgegaan tot betaling. In het dossier zitten ook betaalopdrachten van Tilburg University waar de naam van [medeverdachte 1] op staat, terwijl de daaraan gekoppelde facturen op naam stonden van [medeverdachte 3] . Ook deze facturen zijn betaald. Daaruit maakt de rechtbank op dat de naam op de factuur kennelijk geen doorslaggevende invloed heeft gehad op het betalen van die factuur. De rechtbank vindt dus dat Tilburg University niet door de in de beschuldiging opgenomen gedragingen is bewogen tot afgifte van geld.

4.2.3.

Valse schuldbekentenissen (feit 6)

De rechtbank vindt bewezen dat [verdachte] valse schuldbekentenissen heeft opgemaakt of heeft laten opmaken.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de door [verdachte] ondertekende schuldbekentenis met datum 14 december 2014 staat dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de jaren 2010 tot en met 2014 een bedrag van 140.000 euro aan [verdachte] hebben geleend.14 In de door [verdachte] en [medeverdachte 2] ondertekende schuldbekentenissen met data 6 november 2014 en 28 augustus 2015 staat dat [medeverdachte 2] 50.000 euro en 99.000 euro aan [verdachte] heeft geleend.15

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben naar aanleiding van het Hoffmann rapport in paniek gesproken over de betalingen aan [verdachte] . De schuldbekentenissen zijn daar het resultaat van. [verdachte] heeft de schuldbekentenis op naam van [medeverdachte 1] bij haar langsgebracht.16 [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de schuldbekentenis met datum 14 december 2014 door [verdachte] aan [medeverdachte 1] en hem is gegeven en dat het document niet op genoemde datum is opgemaakt. De schuldbekentenis is opgesteld om in geval van nood als bewijs te dienen dat [verdachte] geld had geleend, terwijl daarvan nooit sprake is geweest.17
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat de schuldbekentenissen van 6 november 2014 en 28 augustus 2015 achteraf en dus niet op de daarop vermelde data zijn opgemaakt.18 [verdachte] heeft ook verklaard dat de data op de schuldbekentenissen niet kloppen.19

In de periode september 2008 tot en met augustus 2015 is vanaf de rekening van [medeverdachte 3] in totaal 207.500 euro naar [verdachte] overgemaakt. [medeverdachte 2] maakte in de periode november 2014 tot en met augustus 2015 in totaal 149.000 euro over naar [verdachte] . Bij een deel van de overboekingen van zowel de rekening van [medeverdachte 3] als van [medeverdachte 2] staat als omschrijving “teruggave (deel) lening”.20

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat de schuldbekentenissen, zowel die tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] , als die tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn opgemaakt om betalingen aan [verdachte] af te dekken, dat de data die er op staan niet kloppen en dat daaraan geen leningen ten grondslag liggen. De schuldbekentenissen zijn dus vals. Ondersteuning voor die vaststelling vindt de rechtbank in de omschrijvingen bij de overboekingen aan [verdachte] die juist duiden op het terugbetalen van een lening aan [verdachte] en niet op het verstrekken daarvan.

Een schuldbekentenis is ervoor bedoeld om te bewijzen dat tussen de partijen een schuldverhouding bestaat. Zowel tussen partijen als tegenover derden. Daarmee is de bewijsbestemming gegeven. Dat verdachten de stukken vals hebben opgemaakt met de bedoeling het als echt te gebruiken, blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 3] ; dat het niet klopte wat er stond, maar de schuldbekentenis als bewijs moest dienen in geval van nood. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat dit de bedoeling van alle drie de schuldbekentenissen was.

Door beiden de schuldbekentenissen te ondertekenen, terwijl ze wisten dat wat er in stond niet klopte, hebben verdachte en [medeverdachte 2] dit feit met betrekking tot DOC-133 en 134 samen gepleegd.

4.2.4.

Valse opgave authentieke akte (feit 7)

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte een valse koopsom heeft laten opnemen in een notariële, en daarmee authentieke, akte.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de notariële akte van levering van 19 november 2015, opgemaakt door notaris Wansleeben, is een koopsom van 312.000 euro opgenomen met betrekking tot registergoederen gelegen aan de [adres] .21 Dit bedrag komt overeen met de in de door verkoper [verdachte] en koper opgemaakte koopovereenkomst van 20 oktober 2015.22 Uit e-mails tussen [verdachte] en de koper en een concept koopovereenkomst blijkt dat in werkelijkheid een bedrag van 412.000 euro, waarvan 100.000 euro in contanten, voor de woning is betaald.23 [verdachte] heeft bekend dat hij een valse opgave in de notariële akte heeft laten opnemen.24

5 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 4.2 bewezen dat verdachte

4.

in de periode van 15 november 2007 tot en met 18 februari 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

- een factuur van [medeverdachte 1] , gericht aan de Universiteit van Tilburg ten bedrage van 12.500 euro, voor betaling getekend op 15 november 2007 (DOC-268/DOC-062),

- een factuur van [medeverdachte 3] , gericht aan de Universiteit van Tilburg ten bedrage van 18.750 euro, voor akkoord getekend op 20 november 2008 (DOC-268/DOC-043),

- een factuur van [bedrijf medeverdachte 3] , gericht aan Tilburg University d.d. 13 augustus 2012 ten bedrage van 29.750 euro (DOC-268/DOC-072) en

- een factuur van [bedrijf medeverdachte 3] , gericht aan Tilburg University d.d. 18 februari 2013 ten bedrage van 42.350 euro (DOC-268/DOC-076),

elk een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,

immers hebben verdachte en zijn medeverdachte(n) toen daar in strijd met de waarheid,

door op de factuur DOC-268/062 voornoemd bij de ondertekening achter de naam [medeverdachte 1] de titel "MBA" te vermelden, terwijl zij deze titel in werkelijkheid nooit heeft behaald en door de factuur DOC-268/DOC-043 voornoemd op naam te stellen van [medeverdachte 3] en de facturen DOC-268/DOC-072 en DOC-076 op naam te stellen van [bedrijf medeverdachte 3] , de eenmanszaak van [medeverdachte 3] ,

de schijn gewekt dat de hierop vermelde ondersteunende werkzaamheden in het kader van dissertatieonderzoek waren verricht door [medeverdachte 3] , terwijl [medeverdachte 3] in werkelijkheid nooit werkzaamheden voor de Universiteit van Tilburg/Tilburg University heeft verricht,

met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door een ander te doen gebruiken;

6.

in de periode van 11 september 2015 tot en met 15 maart 2017 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander

- een schuldbekentenis van [verdachte] aan [medeverdachte 2] voor een bedrag van 50.000 euro, gedateerd 6 november 2014 en door beiden ondertekend; (DOC-133)

- een schuldbekentenis van [verdachte] aan [medeverdachte 2] voor een bedrag van 99.000 euro, gedateerd 28 augustus 2015 en door beiden ondertekend; (DOC-134) en

alleen

- een schuldbekentenis van [verdachte] aan de heer en mevr. [medeverdachte 1] voor een bedrag van 140.000 euro, gedateerd 14 december 2014 en door alleen [verdachte] ondertekend (DOC-108),

elk een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, dan wel valselijk heeft laten opmaken,

immers hebben verdachte en zijn medeverdachten (ten aanzien van de eerste twee schuldbekentenissen) en verdachte alleen (ten aanzien van de derde schuldbekentenis) toen aldaar in strijd met de waarheid in schuldbekentenissen voornoemd vermeld dat deze verband hielden met door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan verdachte verstrekte geldleningen en hierin data vermeld waarop die schuldbekentenissen zouden zijn ondertekend, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in werkelijkheid geen lening aan verdachte hadden verstrekt en schuldbekentenissen voornoemd in werkelijkheid op andere data dan hierin vermeld waren ondertekend,

met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

7.

in de periode van 20 oktober 2015 tot en met 19 november 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, in een authentieke akte, te weten een notariële akte van levering, op 19 november 2015 te Giessenlanden verleden door notaris mr. Yvonne Wansleeben (DOC-107), een valse opgave heeft doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte voornoemd moest doen blijken, te weten dat de koopprijs van de verkochte registergoederen gelegen te [adres] , 312.000 euro bedroeg, terwijl de tussen koper en verkoper overeengekomen koopprijs in werkelijkheid 412.000 euro bedroeg, zulks met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Motivering van de straf

6.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. Van belang daarbij is dat verdachte de feiten heeft gepleegd in de uitoefening van zijn beroep als decaan. Verdachte heeft uit financieel motief gehandeld niet laten blijken dat hij zijn handelen laakbaar vond. Verdachte was de bedenker en initiator van de strafbare feiten en heeft daarvoor misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn familie in hem had. De persoonlijke gevolgen van verdachte worden niet in strafmatigende zin meegewogen in de strafeis, omdat die voortvloeien uit de door verdachte zelf begane strafbare feiten. De strafbare feiten hebben over een lange periode plaatsgevonden en zijn niet uit verdachtes eigen beweging gestopt. In strafmatigende zin heeft de officier van justitie in haar strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte bij een bewezenverklaring schuldig moet worden verklaard zonder oplegging van een straf en/of maatregel.

Bij de strafoplegging moet rekening worden gehouden met de grote (financiële) gevolgen die de strafzaak voor verdachte heeft gehad. Verdachte heeft door de verdenking zijn werkzaamheden moeten opgeven of ze zijn hem vanwege de berichtgeving in de media ontnomen. Door een gebrek aan inkomsten en het conservatoir beslag op onder andere zijn pensioengelden, moet hij al bijna vier jaar van een minimuminkomen rondkomen en dreigt een persoonlijk faillissement vanwege de opgebouwde schulden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de leeftijd van verdachte, zijn blanco strafblad en de grove overschrijding van de redelijke termijn.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander op de zitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door het opstellen van valse facturen en valse schuldbekentenissen. De integriteit van het financiële en economische verkeer staat of valt met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in de juistheid van stukken die tot bewijs dienen, zoals de facturen en schuldbekentenissen in kwestie. Daarnaast heeft verdachte bij de verkoop van zijn woning samen met een ander een authentieke akte vals laten opmaken door daarin een onjuiste koopsom te laten opnemen. Hierbij heeft verdachte de notaris bewust op het verkeerde been gezet om de koper in de gelegenheid te stellen een deel van de koopsom buiten de notariële overdracht om contant aan verdachte te betalen. Voor dit feit geldt ook dat in het maatschappelijk en economisch verkeer men moet kunnen vertrouwen op de juistheid van bepaalde essentiële akten en geschriften. Door het (laten) opmaken maken van valse stukken is dat vertrouwen geschaad. Omdat een te lage koopsom in de notariële akte stond, is ook een te laag bedrag aan overdrachtsbelasting in rekening gebracht. De staatskas is daardoor benadeeld.

De rechtbank weegt als strafverzwarende factoren mee dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd van uit zijn verantwoordelijkheid en (voorbeeld)functie als decaan. Verdachte was de initiator van de strafbare feiten en heeft familieleden – die een groot vertrouwen in hem hadden – bij zijn strafbaar handelen betrokken. Verdachte heeft niet laten zien dat hij inziet dat de gepleegde valsheden ernstige strafbare feiten zijn, en neemt daarvoor ook geen verantwoordelijkheid. Hij heeft veelvuldig benadrukt dat hij veel werk heeft verricht en geld heeft verdiend voor de universiteit. Verdachte heeft willen verhullen dat zijn nicht voor hem en de universiteit werkte, om er voor te zorgen dat zij voor hem kon blijven werken. Het doel heiligde daarbij kennelijk de middelen.

In strafverlagende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte lang over heel weinig geld kon beschikken omdat er conservatoir beslag is gelegd op zijn pensioengelden. Dit conservatoir beslag is gelegd door het Openbaar Ministerie en was bedoeld om (bij toewijzing daarvan) vorderingen van de benadeelde partijen te betalen. Omdat de zaak erg lang geduurd heeft, wordt ook over de vorderingen van de benadeelde partijen pas vandaag een beslissing genomen, waardoor het conservatoir beslag en die financiële situatie lang heeft geduurd.

Omdat de rechtbank vrijspreekt van de oplichting komt de rechtbank tot een flink lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank ziet geen reden om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en vindt een taakstraf van 200 uur in beginsel op zijn plaats voor de bewezenverklaarde feiten en de genoemde omstandigheden.

Van die 200 uur taakstraf gaat nog wat af in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Het heeft namelijk te lang geduurd voordat er uitspraak wordt gedaan in deze zaak. Daardoor heeft verdachte onnodig lang in onzekerheid gezeten over de afdoening van de zaak. Ter compensatie van die onzekerheid krijgt hij een mildere straf.

In beginsel moet een strafzaak binnen twee jaar tot een afronding komen. De redelijke termijn in de zaak van verdachte is gestart op 15 maart 2017, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld. Vanaf dat moment kon verdachte verwachten dat hij zou worden vervolgd. De zaak had dus in beginsel uiterlijk twee jaar later op 15 maart 2019 afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet pas op 2 augustus 2021 uitspraak. De redelijke termijn is dus met twee jaar en ruim vier maanden overschreden. Dat is een forse overschrijding die niet aan de verdediging te wijten is, maar vooral aan organisatorische en logistieke kwesties bij de rechtbank en het Openbaar Ministerie. De rechtbank past daarom een korting van tien procent (in dit geval 20 uur) toe.

De rechtbank vindt gelet op al deze omstandigheden een taakstraf van 180 uur passend. Als verdachte de taakstraf niet (goed) uitvoert kan de taakstraf worden omgezet in 90 dagen hechtenis.

7 Beslag

Onder verdachte is administratie in beslag genomen. Dit moet aan hem worden teruggegeven.

8 Benadeelde partijen

8.1.

Benadeelde partij Universiteit Utrecht

De Universiteit Utrecht vordert € 271.356 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en verzoekt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank kan alleen schadevergoeding toekennen voor schade die rechtstreeks voortvloeit uit het strafbare feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld. De feiten met betrekking tot de Universiteit Utrecht zijn zoals eerder overwogen verjaard en het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk in de vervolging van die feiten. Verdachte wordt daarvoor dus niet veroordeeld. Daarom wordt de Universiteit Utrecht niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Dat betekent dat de gevraagde schadevergoeding niet in deze strafzaak wordt beoordeeld. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

8.2.

Benadeelde partij Tilburg University

Tilburg University vordert € 1.266.228,65 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en verzoekt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor de proceskosten is gevorderd om een vergoeding conform het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven toe te wijzen.

De rechtbank kan alleen schadevergoeding toekennen voor schade die rechtstreeks voortvloeit uit het strafbare feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld. Verdachte wordt vrijgesproken van oplichting van Tilburg University. Verdachte wordt weliswaar veroordeeld voor valsheid in geschrift met aan Tilburg University gerichte facturen, maar er is niet gebleken dat Tilburg University door het opmaken van die facturen rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de hiervoor opgenomen overwegingen die tot de vrijspraak van oplichting hebben geleid. Daarom wordt Tilburg University niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Dat betekent dat de gevraagde schadevergoeding niet in deze strafzaak wordt beoordeeld. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 225 en 227 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor de feiten 1, 2 en 3.

Verklaart feit 5 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte feit 4, 6 en 7 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 4:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Feit 6:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
en
valsheid in geschrift

Feit 7:
medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uur, met bevel voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uur per dag.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- 1.00 STK Document, diverse administratie (goednummer 63991).

Verklaart de benadeelde partij Universiteit Utrecht niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij Stichting Katholieke Universiteit Brabant niet-ontvankelijk in de vordering.


Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Huber, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en M. Vaandrager, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 augustus 2021.

1 Tilburg University heette eerder Katholieke Universiteit Brabant en Universiteit van Tilburg. In dit vonnis wordt voor de leesbaarheid alleen gebruik gemaakt van Tilburg University.

2 Rechtbank Amsterdam, 22 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2600.

3 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2010:BN1014.

4 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen uit het dossier, volgens de in dat dossier toegepaste codering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Verwijzingen met de code DOC zijn geschriften. De paginanummers zijn steeds de doorgenummerde pagina’s in het dossier.

5 DOC-062, p. 607-608; DOC-268, p. 1317

6 DOC-043. p. 572; DOC-268, p. 1317

7 DOC-072, p. 621; DOC-268, p. 1317

8 DOC-076, p. 627; DOC-268, p. 1317

9 Proces-verbaal ter terechtzitting van 8 juni 2021, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 3] .

10 V-002-04, p. 163-165

11 V-001-02, p. 111-112

12 Proces-verbaal ter terechtzitting van 8 juni 2021, inhoudende de verklaring van [verdachte] .

13 V-004-03, p. 210-214

14 DOC-108, p. 694

15 DOC-133, p. 882; DOC-134, p. 883

16 V-001-05, p. 128

17 V-002-04, p. 165

18 V-003-05, p. 196

19 Proces-verbaal ter terechtzitting van 8 juni 2021, inhoudende de verklaring van [verdachte] .

20 DOC-215; p. 1129; DOC-216, p. 1130: DOC-217, p. 1131; DOC-220, p. 1134

21 DOC-107, p. 689-693

22 DOC-209, p. 1114-1119

23 DOC-093, p. 646-654

24 V-004-03, p. 210-212