Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:386

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
26-02-2021
Zaaknummer
13/257476-20 + 13/267568-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging doodslag, openlijke geweldpleging, afpersing en diefstal. Jeugddetentie van 15 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk opgelegd met bijzondere voorwaarden. Twee vorderingen bp (gedeeltelijk) toegewezen, andere vordering bp n-o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/257476-20 (A) en 13/267568-19 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 29 januari 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [woonplaats] op [geboortedag 1] 2001,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1]

,

gedetineerd in [detentieplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2021.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en zijn raadsman mr. W.J. Morra naar voren hebben gebracht.

2 Tenlasteleggingen

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

zaak A

1.

poging tot doodslag op [slachtoffer1] op 11 oktober 2020 in Amstelveen;

2.

primair:

poging tot doodslag op [slachtoffer2] op 11 oktober 2020 in Amstelveen;

subsidiair:

zware mishandeling van [slachtoffer2] op 11 oktober 2020 in Amstelveen;

meer subsidiair:

poging tot zware mishandeling van [slachtoffer2] op 11 oktober 2020 in Amstelveen;

3.

openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer1] en [slachtoffer2] op 11 oktober 2020 in Amstelveen;

zaak B

afpersing in vereniging op de openbare weg van [slachtoffer3] op 9 november 2019 in Amsterdam;

en

diefstal met geweld in vereniging op de openbare weg tegen [slachtoffer3] op 9 november 2019 in Amsterdam, waarbij diverse goederen van [slachtoffer3] zijn weggenomen.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Inleiding

Op 11 oktober 2020 heeft er een confrontatie plaatsgevonden voor de sportschool [naam sportschool] in Amstelveen tussen verdachte en zijn drie broers enerzijds en de aangevers [slachtoffer1] en [slachtoffer2] anderzijds. Verdachten zijn naar de sportschool gereden om [slachtoffer1] te benaderen over een conflict dat langer lijkt te lopen. Dit is uitgemond in een vechtpartij. Verdachte had een mes bij zich en heeft [slachtoffer1] meermalen gestoken. Hierdoor ontstond er bij [slachtoffer1] letsel bij zijn endeldarm en moest bij hem een stoma worden geplaatst. [slachtoffer2] heeft een steekwond aan zijn arm opgelopen.

Voorgeschiedenis

De aanleiding voor de confrontatie voor de sportschool zou een al langer lopend conflict zijn geweest tussen verdachte en aangever [slachtoffer1] . Tijdens de zitting is op verschillende momenten de vraag aan de orde gekomen op welke wijze die geschetste voorgeschiedenis een rol moet spelen bij de beoordeling van deze zaak.

Tijdens de zitting is ter sprake gekomen dat er al langere tijd intimidaties vanaf de kant van aangever [slachtoffer1] richting verdachte zouden zijn geweest. De jongere broer van de verdachten zou ook al jaren geïntimideerd worden door aangever [slachtoffer1] . De familie zou veelvuldig aangifte gedaan hebben bij de politie maar dat heeft niet geholpen. Verdachte en zijn medeverdachten verdenken aangever [slachtoffer1] ervan een vuurwerkbom te hebben geplaatst bij de woning van de moeder van verdachten. Die vuurwerkbom is afgegaan toen moeder en het jongere broertje thuis waren. Sindsdien leeft de familie met een gevoel van grote onveiligheid en zouden de dreigementen van de kant van [slachtoffer1] zijn doorgegaan.

De rechtbank kan de volgende zaken die zich hebben afgespeeld voorafgaand aan het incident vaststellen.

Op 28 juni 2020 is de scooter van verdachte door aangever [slachtoffer1] gestolen en verdachte is tijdens het doen van aangifte door de broer van aangever gebeld met de vraag of hij op dat moment aangifte aan het doen was, waarna direct werd opgehangen. Op 23 september 2020 omstreeks 20.30 uur heeft bij de woning van verdachte een ontploffing plaatsgevonden. De moeder van verdachte en zijn jongere broertje waren op dat moment in de woning aanwezig. Volgens de ter plaatse gekomen explosievenopruimingsdienst en forensische opsporing is op die dag een stuk vuurwerk op het keukenraam geplakt en tot ontploffing gebracht. Dit heeft een enorme impact gehad op de moeder en het broertje van verdachte. De rechtbank beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat het aangever [slachtoffer1] was, die de vuurwerkbom heeft geplaatst.

Het dossier bevat verder aanwijzingen, dat aangever [slachtoffer1] de buurjongen van verdachte, [naam 1] , een paar uur voor het incident op 11 oktober 2020 bij [naam sportschool] heeft aangesproken en hem onder bedreiging de opdracht heeft gegeven verdachte te bellen om te zeggen dat verdachte aangever 1.000,00 euro moest betalen om van de problemen af te zijn. Als verdachte dat niet zou doen, zou zijn huis in de fik worden gestoken. Naar aanleiding hiervan hebben verdachte en zijn medeverdachten besloten naar de sportschool [naam sportschool] toe te gaan, omdat aangever [slachtoffer1] daar zou zijn en zij naar eigen zeggen een gesprek met hem wilden voeren om het uit te praten. Hoewel het tot het voeren van een gesprek niet is gekomen en er in plaats daarvan een gevecht tussen verdachte, zijn broers en aangever(s) heeft plaatsgevonden, vindt de rechtbank het, gelet op al het voorgaande, aannemelijk en invoelbaar dat verdachte en zijn medeverdachten kwaad waren op [slachtoffer1] , dat zij wilden dat de intimidaties stopten en dat zij om die reden naar aangever toe zijn gegaan. De rechtbank komt verderop in dit vonnis terug op de vraag in hoeverre dit doorwerkt in de mate van verwijtbaarheid, strafbaarheid van verdachte of de strafmaat.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde

4.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag van [slachtoffer1] , de onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer2] en de onder 3 ten laste gelegde openlijke geweldpleging bewezen kunnen worden. De officier van justitie heeft de daarvoor relevante bewijsmiddelen opgesomd. Volgens de officier van justitie kan op basis daarvan worden vastgesteld dat de agressie jegens aangever [slachtoffer1] direct is begonnen op het moment dat verdachte en zijn medeverdachten ter plaatse kwamen en dat hij door drie broers te grazen is genomen. Zoals blijkt uit de getuigenverklaringen is door meerdere personen geweld gebruikt en ook verdachte en zijn medeverdachten zelf verklaren geweld te hebben toegepast.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit geldt dat verdachte een mes heeft meegenomen en had kunnen vermoeden dat dit verkeerd kon aflopen. Terwijl aangever [slachtoffer1] in bedwang werd gehouden, heeft verdachte de kans gepakt om hem met een mes te steken en hem later nog een keer te steken op het moment dat het geweld al achter de rug was. Blijkens de letselverklaring is aangever [slachtoffer1] vier keer gestoken. Er kan dodelijk letsel optreden wanneer iemand in zijn rug wordt gestoken. De officier van justitie meent dat verdachte door zo te handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever zou kunnen doden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde vindt de officier van justitie dat onvoldoende vaststaat dat verdachte geprobeerd heeft om aangever [slachtoffer2] van het leven te beroven. Er zijn geen getuigen die het handgemeen hebben gezien. Uit het dossier komt bovendien onvoldoende naar voren dat het toegebrachte letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Wel kan de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer2] worden bewezen.

Ook de onder feit 3 ten laste gelegde openlijke geweldpleging kan volgens de officier van justitie worden bewezen.

4.1.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van de poging doodslag op [slachtoffer1] (het onder 1 ten laste gelegde) vrij te spreken, wegens het ontbreken van opzet op de dood van aangever [slachtoffer1] . Uit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had op de dood van aangever [slachtoffer1] . Uit het steken vlak boven de bil kan evenmin voorwaardelijk opzet op aangevers dood worden afgeleid. Dat een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer1] zou overlijden en dat verdachte die kans ook heeft aanvaard, volgt niet uit het door aangever opgelopen letsel en ook niet anderszins.

Ook het onder 2 ten laste gelegde feit kan volgens de raadsman niet worden bewezen wegens een gebrek aan opzet. Het bij aangever [slachtoffer2] geconstateerde letsel past beter bij de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer2] heeft willen wegduwen terwijl hij een mes in zijn hand had, dan bij het opzettelijk met kracht steken waarover aangever [slachtoffer2] bij de rechter-commissaris is gaan verklaren. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

4.1.3.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde (steken van aangever [slachtoffer2] )

De rechtbank is – met de raadsman – van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit. Aangever [slachtoffer2] heeft verklaard dat verdachte richting zijn buik stak en hij dit met zijn arm heeft kunnen afweren. Verdachte ontkent dit. Het dossier biedt, op de verklaring van aangever na, geen bewijs waaruit blijkt dat verdachte aangever gericht en zodanig met een mes heeft gestoken dat dit de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou kunnen hebben. Het scenario zoals dat door verdachte is geschetst kan op basis van het dossier niet worden uitgesloten, zodat vrijspraak van het onder 2 primair en meer subsidiaire feit zal volgen. Ook het subsidiaire feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen, omdat het bij aangever geconstateerde letsel, te weten een steekverwonding in de onderarm van 2 bij 2 centimeter, waarbij de functie van de arm en hand intact is en er geen aanwijzingen zijn voor vaat- of zenuwletsel, niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Dit maakt dat de rechtbank verdachte van het onder 2 ten laste gelegde volledig zal vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (steken van [slachtoffer1] )

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Aangever [slachtoffer1] heeft verklaard dat de persoon die hij herkent als verdachte hem meermalen met een mes heeft gestoken in zijn bil en in zijn rug. De verklaring van aangever vindt steun in de medische indicatie aanvraag geneeskundige van 28 oktober 2020, waaruit volgt dat bij aangever meerdere messteken in de bilregio dan wel de flank zijn geconstateerd waardoor letsel aan de endeldarm is ontstaan. Verdachte heeft bekend dat hij aangever met een mes in zijn onderlichaam heeft gestoken. Verdachte heeft verklaard zich niet meer te kunnen herinneren hoe vaak hij gestoken heeft. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte aangever meermalen in zijn lichaam heeft gestoken.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte aangever doelbewust van het leven wilde beroven. Wel kan worden bewezen dat verdachte met zijn handelen het risico heeft genomen dat aangever zou kunnen overlijden (voorwaardelijk opzet).

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangever – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte meermalen met een mes in het onderlichaam van aangever heeft gestoken. Aangever heeft hierdoor meerdere snijwonden en letsel aan zijn endeldarm opgelopen, waarvoor een stoma moest worden geplaatst. De rechtbank is van oordeel dat de bilregio en de onderrug kwetsbare onderdelen van het lichaam zijn en zich rondom dit deel van het lichaam kwetsbare en vitale organen bevinden. Bij het meermalen steken in het onderlichaam bestaat er een aanmerkelijke kans dat de voor het leven van het slachtoffer vitale organen worden beschadigd en de dood intreedt.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de ten laste gelegde poging tot doodslag op aangever [slachtoffer1] wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer1] en [slachtoffer2]

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen, met dien verstande dat vrijspraak zal volgen voor het in vereniging geweld plegen jegens aangever [slachtoffer2] alsook voor het in vereniging met geweld steken met een mes in het lichaam van aangever [slachtoffer1] en in de arm van aangever [slachtoffer2] .

Op basis van het dossier kan namelijk niet worden vastgesteld dat (in verenging) geweld is toegepast jegens aangever [slachtoffer2] . Met betrekking tot het steken van aangever [slachtoffer1] is de rechtbank van oordeel dat dit een handeling is die enkel verdachte kan worden verweten, omdat niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (één van) zijn medeverdachten.

4.2.

Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde, de straatroof op 19 november 2019

4.2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. De aangevers hebben de groep daders herkend als de groep die eerder die avond door de politie gecontroleerd werd. Verdachte was toen één van de personen uit die groep. Er lijkt ook een link te zijn tussen verdachte en iemand uit het gezelschap van de aangevers, te weten [naam 2] , die een dubieuze rol heeft gespeeld die avond. Op het moment dat de politie in Amstelveen is om verdachten aan te houden, probeert verdachte te ontkomen, wat een aanwijzing is dat hij iets te verhullen heeft. Van belang zijn de gesprekken tussen verdachte en [naam 2] . De goederen van aangever [slachtoffer3] zijn deels weggenomen en deels afgegeven. Het ten laste gelegde feit kan dan ook in zijn geheel worden bewezen.

4.2.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is van rechtstreeks en overtuigend bewijs van betrokkenheid en daderschap van verdachte bij het ten laste gelegde feit, zodat vrijspraak dient te volgen. Verdachte heeft verklaard dat hij er niet bij was en er is geen directe herkenning van verdachte geweest.

4.2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte is op 9 november 2019 rond 17.35 uur op de hoek van de [straatnaam 1] te Amsterdam staande gehouden met een paar andere personen. Ongeveer anderhalf uur later is aangever [slachtoffer3] in het [naam 3] onder de brug van de [adres 2] door een groep van vier jongens van een aantal spullen beroofd. Aangever heeft van de daders een signalement gegeven en zag dat zij kort daarvoor met helmen op aan de overkant van het water zaten. Ook herkent hij de jongens als degenen die kort daarvoor op de [straatnaam 1] door de politie waren staande gehouden. Aangever heeft verklaard dat één van de jongens ongeveer 1.85 meter was. Getuige [naam 4] , die tijdens de straatroof met aangever samen was, verklaart ook dat één van de jongens ongeveer 2 meter lang was en direct op aangever sprong. Verbalisant [naam 5] merkt op dat verdachte opvallend lang is; ongeveer 1.90 tot 2 meter. Eén van de personen met wie aangever tijdens de beroving samen was, te weten [naam 2] , heeft op 9 november 2019 rond 16.40 uur via WhatsApp contact gehad met verdachte. In dat gesprek werd onder meer gesproken over ‘Moose Knuckles’, ‘airpods’ en ‘tellies’ die aanwezig zouden zijn. Exact die goederen zijn daarna rond 19.00 uur van aangever weggenomen. Wanneer de verbalisanten zich naar Amstelveen begeven om tot aanhouding van de verdachten over te gaan, treffen zij in dezelfde buurt onder meer drie personen, te weten verdachte, [namen] , die eerder die avond samen met verdachte op de [straatnaam 1] waren staande gehouden. De jongens proberen op dat moment allemaal te vluchten. Ook was hierbij aanwezig [naam 2] , met wie verdachte op de dag van de beroving contact had en met wie aangever vlak voor en tijdens de beroving samen was. [naam 2] wordt ook aangehouden en vervolgens op het politiebureau herkend.

Gezien al deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat het verdachte was die samen met anderen aangever heeft beroofd van zijn spullen. De rechtbank vindt daarbij bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en drie andere personen. Aangever heeft immers verklaard dat hij door in totaal vier jongens werd aangevallen en dat hij die vier jongens herkent als de personen die kort daarvoor door de politie waren staande gehouden. De rechtbank ziet geen reden om aan de verklaring van aangever te twijfelen en gaat er dan ook vanuit dat het is gegaan zoals aangever heeft verklaard.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

op 11 oktober 2020 te Amstelveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer1] meermalen met een mes in zijn lichaam heeft gestoken;

ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde

op 11 oktober 2020 te Amstelveen, openlijk, te weten op de [plaats] , in elk geval op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer1] , door die [slachtoffer1] meermalen te schoppen en te slaan en te stompen;

ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde

op 9 november 2019 te Amsterdam, op of aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer3] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (Iphone 8) en een bankpas, die aan die [slachtoffer3] toebehoorde,

door

-voornoemde [slachtoffer3] vast te pakken en vast te grijpen en

-voornoemde [slachtoffer3] (met gebalde vuist) een of meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam te stompen en te slaan en

-tegen voornoemde [slachtoffer3] te roepen: "doe je jas uit" en "geef mij je telefoon", althans woorden van gelijke aard of strekking en

-om voornoemde [slachtoffer3] heen te staan en

-voornoemde [slachtoffer3] omver te duwen en

-voornoemde [slachtoffer3] met een hamer tegen het hoofd te slaan;

en

op 9 november 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, op of aan de openbare weg een jas (merk Moose Knuckles) en Airpods en een OV-chipkaart, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, te weten aan [slachtoffer3] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door

- voornoemde [slachtoffer3] vast te pakken en vast te grijpen en

-voornoemde [slachtoffer3] (met gebalde vuist) een of meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam te stompen en te slaan en

-tegen voornoemde [slachtoffer3] te roepen: "doe je jas uit" en "geef mij je telefoon", althans woorden van gelijke aard of strekking en

-om voornoemde [slachtoffer3] heen te staan en

-voornoemde [slachtoffer3] omver te duwen en

-voornoemde [slachtoffer3] met een hamer tegen het hoofd te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

Ten aanzien van zaak A, steekincident op 11 oktober 2020

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een noodweersituatie zich niet heeft voorgedaan, zodat verdachte geen beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Dat een mes in aangevers tas is aangetroffen, wil niet zeggen dat hij dit mes heeft gebruikt of dat hij dat van plan was. Ook volgt uit het dossier dat verdachte en zijn medeverdachten aangevers hebben aangevallen en dat, indien wel van de lezing van verdachte wordt uitgegaan, zij weg hadden kunnen gaan. Medeverdachte [naam 6] had niet met grote stappen op aangever moeten afstormen, maar hij had zich moeten omdraaien en moeten weglopen. Het geweld van verdachte is niet noodzakelijk geweest, laat staan proportioneel, onder deze omstandigheden. Ook betreft het steken door verdachte een losse actie die na de eerste geweldsgolf plaatsvond, wat puur aanvallend is en niets met een verdedigingshandeling te maken heeft.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt omdat hij zijn broer wilde beschermen. Ook stelt de raadsman dat, mocht dit verweer niet slagen, sprake is van putatief noodweer omdat er een situatie was waarin verdachte mocht denken dat aangever [slachtoffer1] medeverdachte [naam 6] ging steken.

Dat verdachte en zijn medeverdachten met aangever [slachtoffer1] wilden praten, is logisch en legitiem. Het is aannemelijk dat aangever [slachtoffer1] een rugtas in zijn hand had en een beweging maakte alsof hij daar iets uit wilde pakken toen medeverdachte [naam 6] naar hem toeliep om te praten. Aannemelijk daarvoor is dat aangever kwade bedoelingen had toen hij verdachte naar [naam sportschool] lokte, wat impliceert dat aangever iets bij zich moest hebben gehad om die dreiging te effectueren. Vanwege de voorgeschiedenis mocht verdachte denken dat aangever zou overgaan tot geweld.

Vanwege de eerdere acties van aangever [slachtoffer1] en het handelen van aangever [slachtoffer1] tijdens het geweldsincident (door een boksbeugel te pakken en medeverdachte [naam 6] daarmee te slaan) mocht en moest verdachte voor aangever vrezen. Er was daarom sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Als niet wordt uitgegaan van het scenario dat aangever geslagen heeft met een boksbeugel, is het feit dat verdachte dacht dat aangever een mes of ander wapen ging pakken ook voldoende voor noodweer. Ook een onmiddellijk dreigende aanranding kwalificeert de Hoge Raad als ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen een mens zich mag verdedigen. Ook aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Daarbij speelt een rol dat verdachte gericht heeft gestoken in het onderlichaam, en niet in het bovenlichaam of het hoofd. Daarbij biedt het dossier geen zekerheid over hoe vaak verdachte aangever heeft gestoken en houdt de verdediging er rekening mee dat aangever minder vaak is gestoken dan hij zelf heeft verklaard. De raadsman gaat ervan uit dat verdachte aangever twee keer in de bil heeft gestoken.

Als geen sprake is van noodweer en de rechtbank vindt dat verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging, is er volgens de raadsman wel sprake van noodweerexces. Dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, is in het NIFP-rapport afdoende onderbouwd.

De raadsman stelt dat dit tot ontslag van alle rechtsvervolging moet leiden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat de noodweersituatie volgt uit twee verschillende momenten, te weten (i) het moment dat aangever [slachtoffer1] naar zijn tas zou hebben gegrepen en daar iets uit leek te willen pakken en (ii) het moment dat medeverdachte [naam 6] door aangever [slachtoffer1] met een boksbeugel zou zijn geslagen.

Beoordeeld moet worden of verdachte op die momenten een beroep op noodweer toekomt. Voor noodweer, ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Van een dergelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gestelde aanranding moet dan echter een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan: de enkele vrees is onvoldoende.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het handelen nodig was voor de noodzakelijke verdediging.

De rechtbank is van oordeel dat zich op geen enkel moment een noodweersituatie heeft voorgedaan. Ten aanzien van het eerste moment, het grijpen naar de tas, geldt dat verdachte en zijn medeverdachten de confrontatie zelf hebben opgezocht, terwijl zij wisten dat het een gevaarlijke situatie kon worden en zij er ook rekening mee hadden gehouden dat aangever een wapen bij zich kon dragen. Zij verklaren dit met elkaar besproken te hebben. Onder die omstandigheden zijn verdachten naar aangever toe gegaan en heeft medeverdachte [naam 6] besloten uit de auto te stappen om op aangever af te lopen. Het enkele grijpen naar een tas kan onder deze omstandigheden niet leiden tot een situatie waarin (al) sprake is van noodzakelijke verdediging. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een beoordeling van de afstand tussen verdachten en aangever toen hij zijn tas pakte en de beoordeling of het aannemelijk is dat aangever een wapen wilde pakken.

Dat sprake is geweest van een noodweersituatie op het moment dat medeverdachte [naam 6] door aangever zou worden geslagen met een boksbeugel, ziet de rechtbank evenmin. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij zijn broer, medeverdachte [naam 6] , wilde helpen. Echter, uit het dossier volgt dat medeverdachte [naam 6] aangever aanviel, in plaats van andersom, en dat hij op aangever lag, waaruit kan worden afgeleid dat medeverdachte [naam 6] aangever onder controle had. Dat aangever op zijn beurt medeverdachte [naam 6] mogelijk heeft geslagen met een boksbeugel maakt die situatie niet anders. Dat betekent dat ook op dit moment zich naar het oordeel van de rechtbank geen noodweersituatie heeft voorgedaan en dat het handelen van verdachte alleen al om die reden geen beroep op noodweer dan wel noodweerexces rechtvaardigt.

Met betrekking tot het beroep op putatief noodweer overweegt de rechtbank als volgt.

Van putatief noodweer is sprake wanneer de verdachte abusievelijk in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij zich moest verdedigen, bijvoorbeeld omdat de verdachte zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld. Daarbij geldt dat een beroep op putatief noodweer alleen kan slagen wanneer de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het verkeren in een noodweersituatie. De vergissing die verdachte heeft begaan toen hij zich wilde verweren moet begrijpelijk zijn voor een objectieve waarnemer.

Hoewel de rechtbank het, gelet op de in rubriek 3 genoemde context en voorgeschiedenis, aannemelijk acht dat verdachte en zijn medeverdachten bang waren, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in dit concrete geval niet mocht denken dat zijn broer zodanig in gevaar was dat hij hem moest verdedigen. Zoals gezegd zocht verdachte een gevaarlijke situatie op door naar de sportschool te gaan en had zijn broer [naam 6] aangever vrij snel onder controle door op aangever te gaan liggen. Ook is niet gebleken van zodanig letsel bij medeverdachte [naam 6] dat daaruit kan worden afgeleid dat hij aan de verliezende hand was. Dat betekent dat de rechtbank ook het beroep op putatief noodweer verwerpt.

Omdat het bestaan van een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk is geworden en evenmin een omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, zijn de feiten strafbaar en is ook verdachte strafbaar.

Ten aanzien van zaak B, straatroof op 19 november 2019

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast. Volgens de officier van justitie dienen de in zaak A door hem bewezen geachte feiten in verminderde mate aan verdachte te worden toegerekend door de bij hem vastgestelde chronische aanpassingsstoornis en angst en depressie. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van achttien maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de in het reclasseringsrapport genoemde bijzondere voorwaarden.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank ten aanzien van zaak A verzocht om verdachte bij een bewezenverklaring verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Ook heeft de raadsman de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring het jeugdstrafrecht toe te passen en rekening te houden met de voorgeschiedenis tussen aangever [slachtoffer1] en verdachte. De voorlopige hechtenis dient volgens de raadsman per heden en anders wanneer de school van verdachte wordt hervat, te worden opgeheven.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft aangever [slachtoffer1] meermalen met een mes in zijn lichaam gestoken. Als gevolg daarvan heeft aangever onder meer letsel aan zijn endeldarm opgelopen, waarvoor een stoma moest worden geplaatst. Verdachte heeft aangever op een kwetsbare plek in zijn lichaam geraakt, wat fataal had kunnen aflopen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen aangever [slachtoffer1] . Door zo te handelen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten, waarmee hij inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Bovendien maken dergelijke strafbare feiten een grote inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken zij gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.


Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een straatroof tegen aangever [slachtoffer3] . Verdachte en zijn medeverdachten hebben verschillende goederen van aangever weggenomen en hebben hem ten aanzien van een aantal goederen gedwongen deze af te staan. Daarbij hebben zij grof geweld tegen aangever toegepast, onder andere door met een hamer tegen zijn hoofd te slaan. Het lijkt er ook nog op dat verdachte van tevoren contact heeft gehad met een persoon met wie aangever vlak na de straatroof samen was, en dat verdachte en zijn medeverdachten het erop gemunt hadden een aantal waardevolle spullen van aangever weg te nemen. Gebleken is dat het feit veel impact op aangever heeft gehad en dat hij enorm van het voorval is geschrokken. Verdachte heeft kennelijk niet nagedacht over de gevolgen van zijn handelen voor aangever, maar heeft slechts aan zijn eigen gewin gedacht. De rechtbank rekent dit verdachte erg aan en vindt zijn gedrag zorgwekkend.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 7 december 2020, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Verdachte geldt daarom als een zogenaamde ‘first offender’.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport van 2 januari 2021, opgesteld door gezondheidszorgpsycholoog/orthopedagoog mevrouw E. Vlieg. In dit rapport wordt onder meer gesteld dat bij verdachte ten tijde van het in zaak A bewezen verklaarde sprake was van een chronische aanpassingsstoornis die in meerdere of mindere mate van invloed is geweest op het bewezenverklaarde. Aangezien verdachte volgens de referenten onder ‘normale’ omstandigheden niet vanuit agressie zou reageren, had hij volgens rapporteur tegengas kunnen geven aan zijn impulsen. Gelet op de impact van de aanpassingsstoornis op het bewezen verklaarde, adviseert rapporteur het bewezen verklaarde in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank verenigt zich voor wat betreft het in zaak A bewezen verklaarde met deze conclusie en neemt deze over. De rechtbank zal het voorgaande meenemen bij het bepalen van de strafmaat.

Uit voornoemd Pro Justitia rapport komt ook naar voren dat de rechtbank wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Gezien verdachtes persoonlijkheidsstructuur en vooral emotionele gevoeligheid en kwetsbaarheid komt verdachte eerder in aanmerking voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Daarbij is verdachte niet verhard of onverschillig, wel pedagogisch beïnvloedbaar en zullen interventies voor jeugdigen daarom beter aansluiten bij zijn persoonlijkheid. Ook geeft rapporteur de rechtbank in overweging om verdachte bij een bewezenverklaring een voorwaardelijke straf op te leggen, met als voorwaarden verder meewerken aan de CoVa-training en zich richten naar de overige aanwijzingen en restricties door de reclassering.

Ook in het rapport van Reclassering Nederland van 7 januari 2021, opgesteld door mevrouw A. Hofman, wordt geadviseerd om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, te weten een meldplicht, een Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVa), een contactverbod met aangever [slachtoffer1] en aangever [slachtoffer2] , een locatieverbod met Elektronische Controle (EC), een locatiegebod en meewerken aan een dagbesteding. De reclassering heeft, in overeenstemming met het advies van de Pro Justitia-rapporteur, geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen en de begeleiding uit te laten voeren door Reclassering Nederland.

Toepassen jeugdstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten achttien respectievelijk negentien jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.

Verdachte woont bij zijn moeder en gaat naar school. De psycholoog en de reclassering beschrijven verdachte als kwetsbaar, in bepaalde opzichten nog jong en pedagogisch beïnvloedbaar. Dit zijn allemaal indicaties voor toepassing van jeugdstrafrecht. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat toepassing van het jeugdstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte alsook voor de maatschappij, om verdachte ervan te weerhouden dat hij zich in de toekomst wederom schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal dan ook toepassing geven aan het jeugdstrafrecht.

De straf

De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de context en voorgeschiedenis van het in zaak A bewezen verklaarde. Het dossier bevat aanwijzingen dat er in het verleden sprake is geweest van meerdere vergaande intimidaties van aangever jegens verdachte en zijn jongste broer. Dat dit op verdachte enorme impact heeft gehad, hij en zijn medeverdachten bang waren toen zij opnieuw signalen kregen van intimidaties door aangever jegens verdachte, en zij zich dus in een lastige positie bevonden, acht de rechtbank aannemelijk.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het opleggen van een straf met een groot voorwaardelijk deel en een ruime proeftijd nodig. Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een jeugddetentie van vijftien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVa), een contactverbod met aangever [slachtoffer1] en meewerken aan een dagbesteding, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

8 De benadeelde partijen

8.1.

Benadeelde partij [slachtoffer1]

8.1.1.

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer1] vordert in totaal € 21.250,23, bestaande uit € 11.250,23 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.1.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat een deel van de vordering, te weten € 11.235,88, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, dient te worden toegewezen. De posten die zien op de weggenomen goederen en de inkomstenderving door de studievertraging dienen volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard. Met betrekking tot de weggenomen goederen is onvoldoende duidelijk geworden welke spullen in de tas zaten en de link met het strafbare feit ontbreekt. Ten aanzien van de inkomstenderving door de studievertraging is de officier van justitie van mening dat die post te ingewikkeld is om vandaag in het strafgeding af te doen.

8.1.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor zover het gaat om de gevorderde immateriële schade verzocht rekening te houden met de eigen schuld van de benadeelde partij. De voorgeschiedenis is meer dan voldoende helder om erkend te worden. Niet is door middel van een diagnose onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel. De gevorderde materiële schade kan niet in verband worden gebracht met dit dossier, zodat die kosten niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

8.1.4.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De kosten die hij heeft gemaakt voor de tien dagen die hij in het ziekenhuis heeft gelegen (€ 300,00) zijn voldoende onderbouwd, zodat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank oordeelt anders over de overig gevorderde kosten. De gevorderde kosten voor de weggenomen goederen is onvoldoende onderbouwd, en een rechtstreeks verband tussen deze kosten en het bewezen verklaarde ontbreekt. De toekomstige medische kosten zijn op dit moment niet opeisbaar, omdat nu nog niet vaststaat dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De gevorderde schade als gevolg van studievertraging en inkomstenderving is onvoldoende onderbouwd. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het voorgaande betekent dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 300,00 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 en 3 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft door het handelen van verdachte lichamelijk letsel opgelopen, als gevolg waarvan hij geopereerd is en een stoma bij hem is aangelegd. De stoma zal naar verwachting zes maanden moeten blijven zitten, maar het litteken dat de benadeelde partij heeft overgehouden, zal voor altijd zichtbaar blijven. De strafbare feiten hebben ook psychisch veel impact op de benadeelde partij gehad. De benadeelde partij heeft als gevolg van de feiten last van paniekaanvallen, angst- en spanningsklachten en slaapproblemen. Ook vermoedt de benadeelde partij dat hij een posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen, waarvoor in de toekomst met hulpverlening zal worden gestart. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [slachtoffer1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op 1 dag omdat het adolescentenstrafrecht wordt toegepast en bij jeugdigen in beginsel geen gijzeling wordt toegepast.

8.2.

Benadeelde partij [slachtoffer2]

8.2.1.

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer2] vordert in totaal € 2.220,45, bestaande uit € 920,45 aan materiële schade en € 1.300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.2.2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, dient te worden toegewezen.

8.2.3.

Het standpunt van de verdediging

In verband met de bepleite vrijspraak is de vordering benadeelde partij volgens de raadsman niet voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman nog aangevoerd dat de behandeling die is ondergaan ook samenhangt met andere omstandigheden.

8.2.4.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij zal in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en het onder 3 ten laste gelegde voor zover het ziet op het in vereniging plegen van geweld jegens de benadeelde partij.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen proceskosten dragen.

8.3.

Benadeelde partij [slachtoffer3]

8.3.1.

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer3] vordert in totaal € 1.861,50, bestaande uit € 1.261,50 aan materiële schade en € 600,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, dient te worden toegewezen.

8.3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering geen verweer gevoerd.

8.3.4.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht ten aanzien van de spullen die van hem zijn weggenomen dan wel die hij heeft moeten afstaan. De vordering is voor wat betreft deze posten voldoende onderbouwd, zodat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding in het geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is op de grond gevallen en tegen zijn hoofd geslagen, ten gevolge waarvan hij pijn en letsel heeft opgelopen. Daarnaast heeft het feit geestelijk veel impact op hem gehad. De benadeelde partij heeft zich tot ongeveer een maand na het incident angstig gevoeld en durfde in die periode ’s avonds niet meer naar buiten. Ook heeft het feit de schoolprestaties van de benadeelde partij zeer nadelig beïnvloed. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [slachtoffer3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op 1 dag.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 287, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde:

poging tot doodslag

Ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 9 (negen) maanden, van deze jeugddetentie niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich meldt na het ingaan van de proeftijd op afspraak bij Reclassering Nederland op het

adres [adres 3]. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa-training of een andere

gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

  • -

    op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer1] , geboren op [geboortedag 2] 2002 te Amsterdam zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

  • -

    zal meewerken aan het vinden en behouden van een structurele dagbesteding en stelt zich hierin controleerbaar op.

Geeft aan de Reclassering Nederland de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 10.300,00 (tienduizenddriehonderd euro), bestaande uit € 300,00 (driehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer1] aan de Staat € 10.300,00 (tienduizenddriehonderd euro), bestaande uit € 300,00 (driehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer2]

Verklaart [slachtoffer2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer3] toe tot een bedrag van € 1.861,50, bestaande uit € 1.261,50 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer3] aan de Staat € 1.861,50, bestaande uit € 1.261,50 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis in zaak B.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.J. Koene, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2021.

Bijlage I – Tenlasteleggingen

[{...}]

Bijlage II – Bewijsmiddelen

[(...) 2]