Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3808

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2021
Datum publicatie
26-07-2021
Zaaknummer
8884122 CV EXPL 20-20792
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

bestuurdersaansprakelijkheid na turboliquidatie; terugbetaling aan ex-huurders van waarborgsommen en administratiekosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2021-0319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8884122 CV EXPL 20-20792

vonnis van: 14 juni 2021

fno.: 452

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

1 [eiser 1]

wonende te [woonplaats 1]

nader te noemen: [eiser 1]

2 [eiser 2]

wonende te [woonplaats 2]

nader te noemen: [eiser 2]

3 [eiser 3]

wonende te [woonplaats 3]

nader te noemen: [eiser 3]

eisers

gezamenlijk nader te noemen: [eisers]

gemachtigde: [gemachtigde]

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats 2]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M.P. Doorten

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- dagvaarding van 12 november 2020 met producties;
- conclusie van antwoord met productie;

- instructievonnis;
- conclusie van repliek met producties;
- conclusie van dupliek;
- dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:

1.1.

Op 25 maart 2014 is [naam bedrijf 1] B.V. (hierna: [naam bedrijf 1] ) opgericht door haar bestuurders [naam] en [gedaagde] .

1.2.

Op 23 april 2018 is [naam bedrijf 2] B.V. opgericht met [gedaagde] als enig bestuurder.

1.3.

[eisers] hebben een kamer van [naam bedrijf 1] gehuurd op het adres [adres] . [eiser 1] in de periode van 27 januari 2020 tot en met 30 juni 2020, [eiser 2] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2020 en [eiser 3] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020.

1.4.

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben aan [naam bedrijf 1] ieder een waarborgsom van € 550,00 en administratiekosten van € 356,95 betaald.

1.5.

In de periode van april 2020 tot en met juli 2020 hebben [eisers] verzocht om terugbetaling van de administratiekosten en de waarborgsom.

1.6.

Op 9 mei 2020 is [naam] als bestuurder uitgetreden uit [naam bedrijf 1] .

1.7.

[naam bedrijf 1] heeft aan [eiser 1] en [eiser 2] op 9 augustus 2020 een ‘credit invoice’ afgegeven ten bedrage van € 550,00 elk, waarop is vermeld: “(…) LET OP: deze credit factuur heeft de vorm van een voucher, door COVID-19 zijn wij niet in de gelegenheid gelden over te maken. Deze voucher is geldig tot en met 31-12-2020, als deze dan niet is gebruikt wordt bovenstaand bedrag alsnog naar u overgeboekt.”

1.8.

Op 21 augustus 2020 is [naam bedrijf 1] opgeheven wegens een gebrek aan baten. Er heeft geen vereffening plaatsgevonden.

Vordering en verweer

2. [eisers] vorderen een verklaring voor recht dat het beding met betrekking tot de administratiekosten onredelijk is. Voorts vorderen zij nietigverklaring van het beding op grond van artikel 7: 264 BW. Tevens vorderen zij dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot terugbetaling van de betaalde waarborgsommen en administratiekosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2020, met veroordeling in de proceskosten.

3. [eisers] stellen daartoe dat zij geen administratiekosten verschuldigd waren omdat geen sprake was van bemiddeling nu zij een huurovereenkomst met [naam bedrijf 1] zelf zijn aangegaan. Er is sprake van een onredelijk beding. Daarnaast hebben [eisers] recht op terugbetaling van de waarborgsom nu de huurovereenkomsten zijn geëindigd en de kamers goed zijn opgeleverd.

4. Zij stellen dat [gedaagde] heeft geprofiteerd van de door [naam bedrijf 1] gepleegde wanprestatie en door de turboliquidatie de belangen van [eisers] opzettelijk heeft veronachtzaamd. [gedaagde] is als bestuurder overgegaan tot deze liquidatie van [naam bedrijf 1] met het kennelijke doel dat [naam bedrijf 1] niet meer aansprakelijk kon worden gesteld door schuldeisers. Daarvan kan aan [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, zodat hij als bestuurder van [naam bedrijf 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de waarborgsommen en de onverschuldigd betaalde administratiekosten.

5. [eisers] beroepen zich daarnaast op vereenzelviging van de identiteiten van de vennootschappen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] B.V. Zij wijzen erop dat beide vennootschappen op hetzelfde adres gevestigd zijn en dat [gedaagde] bestuurder is van beide vennootschappen, die dezelfde handelsactiviteiten verrichten, namelijk woningbemiddeling.

6. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. [naam bedrijf 1] was de contractspartij van [eisers] Deze vennootschap is opgeheven wegens het ontbreken aan baten. [gedaagde] betwist dat hij persoonlijk aansprakelijk is en onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eisers]

Beoordeling

7. De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] niet betwist dat [eisers] recht hebben op teruggave van de betaalde waarborgsom en administratiekosten, maar dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij niet persoonlijk aansprakelijk is als bestuurder van (de inmiddels ontbonden) [naam bedrijf 1] .

8. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of [gedaagde] , zoals [eisers] stellen, persoonlijk aansprakelijk is voor de terugbetaling aan [eisers] van de administratiekosten en de waarborgsommen, nu de contractspartij, [naam bedrijf 1] , is ontbonden en niet meer in rechte kan worden aangesproken.

9. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder een hoge drempel geldt. Uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit haar tekortschieten in de nakoming van een verbintenis. Maar onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, ECLI:NL:HR:2014:2627 en HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959). Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als hierboven bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

10. Indien de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar (contractuele) verplichting niet nakomt, kan de bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken vennootschap ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758).

11. Een rechtspersoon mag overgaan tot een turboliquidatie en is niet verplicht tot vereffening over te gaan ondanks dat er op het moment van het ontbindingsbesluit nog openstaande schulden zijn. Uit artikel 2:19 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek volgt namelijk dat er geen vereffening volgt en dat de rechtspersoon terstond ophoudt te bestaan in het geval er na de ontbinding geen baten (te verwachten) zijn. De vraag of er op het moment van de ontbinding nog openstaande schulden zijn, is daarbij dus niet van belang.

12. Het achterwege laten van een vereffening na een ontbinding is slechts onrechtmatig jegens een schuldeiser indien er op het moment van de ontbinding sprake is van (te verwachten) baten, die (al dan niet deels) kunnen leiden tot betaling aan de crediteur. In dat geval dient vereffening plaats te vinden.

13. Ook het achterwege laten van een faillissementsaanvraag kan een rechtspersoon indien er geen baten (te verwachten) zijn niet worden verweten. Immers, indien daadwerkelijk sprake is van een boedel die (nagenoeg) geen activa omvat en er ook geen aanleiding bestaat voor de verwachting dat in het faillissement met toepassing van artikel 42 van de Faillissementswet (Fw) of 2:9 BW activa zullen worden gegenereerd, dient de rechtspersoon de weg van 2:19 BW te bewandelen. Een faillissement dient ertoe om het vermogen van de failliet onder de gezamenlijke schuldeisers te verdelen en heeft dan ook alleen zin indien te verwachten valt dat er nog iets te verdelen zal zijn.

14. In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] als bestuurder aansprakelijk is voor de schade omdat hij heeft bewerkstelligd en/of toegelaten dat [naam bedrijf 1] haar wettelijke en/of contractuele verplichtingen niet nakomt en door de turboliquidatie geen verhaal biedt voor de als gevolg daarvan optredende schade. De handelwijze van [gedaagde] acht de kantonrechter zo onzorgvuldig dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

14. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.

16. Nadat [eisers] en andere huurders [naam bedrijf 1] hadden aangesproken op terugbetaling van de waarborgsommen en de ten onrechte betaalde administratiekosten, heeft [gedaagde] op 9 augustus 2020 “vouchers” afgegeven voor de waarborgsommen. De vouchers waren geldig tot en met 31 december 2020. [naam bedrijf 1] erkende daarmee gehouden te zijn de waarborgsommen terug te betalen. Kort na afgifte van deze vouchers, op 21 augustus 2020, heeft [gedaagde] [naam bedrijf 1] ontbonden en uitgeschreven uit het Handelsregister. Aangenomen kan worden dat [naam bedrijf 1] reeds ten tijde van de afgifte van de vouchers wist dat zij niet zou overgaan tot terugbetaling. Door te suggereren dat terugbetaling op (langere) termijn zou volgen heeft [naam bedrijf 1] een rookgordijn opgeworpen.

17. In deze situatie had het naar het oordeel van de kantonrechter dan ook op de weg van [gedaagde] als vereffenaar gelegen om de procedure ex artikel 2:23 BW e.v. te volgen. Door deze route niet te volgen wist [gedaagde] dat dit ertoe zou leiden dat de crediteuren niets van hun vorderingen zouden terugzien. In dit verband is nog van belang dat de als productie bij de conclusie van antwoord gevoegde verkorte slotbalans per 2 augustus 2020 de kantonrechter niet overtuigt van het standpunt van [gedaagde] dat [naam bedrijf 1] geen baten meer had, nu de onderliggende financiële stukken ontbreken en de balans niet door een administrateur/accountant is opgemaakt. Ook heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwing gegeven van de teloorgang van [naam bedrijf 1] . Bovendien is niet inzichtelijk geworden waar de waarborgsommen zijn gebleven.

18. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het gaat om een situatie waarin [naam bedrijf 1] is tekortgeschoten in haar verplichtingen door in strijd met de wet administratiekosten te bedingen. Bovendien dienden de waarborgsommen enkel als borg voor het nakomen van de verplichtingen door [eisers] van hun verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. [naam bedrijf 1] had zich verplicht om deze binnen een maand na de beëindiging van de huurovereenkomst aan [eisers] terug te betalen. Op het moment van de liquidatie hadden deze waarborgsommen al terugbetaald moeten zijn. Dat [naam bedrijf 1] deze (derden)gelden niet heeft gereserveerd, maar blijkbaar heeft gebruikt om eigen schulden te betalen is dan ook onrechtmatig jegens [eisers] Door aldus te handelen zijn de belangen van de schuldeisers opzettelijk veronachtzaamd. Daar komt bij dat ondanks dat [naam bedrijf 1] in meerdere procedures is veroordeeld tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde administratiekosten, zij is doorgegaan met het in rekening brengen van administratiekosten bij haar huurders. [gedaagde] was daarvan op de hoogte en heeft als bestuurder bewerkstelligd en/of toegelaten dat [naam bedrijf 1] haar wettelijke en/of contractuele verplichtingen niet nakomt en geen verhaal biedt voor de als gevolg daarvan optredende schade.

18. Daarnaast valt zonder inzage in de financiële stukken niet uit te sluiten dat [gedaagde] , zoals door [eisers] is gesteld, de bedrijfsactiviteiten van [naam bedrijf 1] (aansluitend) is gaan verrichten vanuit [naam bedrijf 2] B.V. met of zonder medeneming van gelden en/of klanten, nu [naam bedrijf 2] B.V. blijkens de website [URL] soortgelijke verhuuractiviteiten verricht vanuit hetzelfde bedrijfsadres als [naam bedrijf 1] .

20. De kantonrechter komt dan ook gelet op de aard en ernst van de normschending en alle omstandigheden van het geval tot de conclusie dat ter zake van de benadeling van [eisers] aan [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zodat [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade, die bestaat uit de gevorderde bedragen. De hoofdsom is dan ook toewijsbaar. De gevorderde rente is gegrond op de wet en toewijsbaar.

verklaring voor recht

21. Nu niet in geschil is dat [naam bedrijf 1] geen administratiekosten in rekening mocht brengen bij de totstandkoming van de huurovereenkomst, hebben [eisers] geen belang meer bij een beoordeling van de gevorderde verklaring voor recht en vernietiging van het beding, zodat deze vorderingen zullen worden afgewezen.

proceskosten

22. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser 1] van:

- € 906,95 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2020 tot aan de voldoening;

II. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser 2] van:

- € 906,95 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2020 tot aan de voldoening;

III. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser 3] van:

- € 906,95 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2020 tot aan de voldoening;

IV. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisers] begroot op:
exploot € 102,96
salaris € 374,00
griffierecht € 236,00
---------------
totaal € 712,96
voor zover van toepassing, inclusief btw;

V. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

VI. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

VII. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kraak, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.