Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3726

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
C/13/700914 / HA RK 2021-142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Een wrakingsverzoek kan zich niet richten tegen een rechterlijke beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter in hoger beroep. Voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden gebleken om te twijfelen aan de rechterlijke onpartijdigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 11 april 2021 ingekomen en onder rekestnummer C/13/700914 / HA RK 2021.142 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. M. van Walraven, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    het wrakingsverzoek van 11 april 2021;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter van 6 mei 2021;

  • -

    de schriftelijke reactie van verzoekster met bijlagen ingekomen op 14 mei 2021.

1.2.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 14 mei 2021, waar de rechtbank verzoekster en de rechter heeft gehoord. Namens de wederpartij van verzoekster was de gemachtigde, de heer [gemachtigde] aanwezig. Na de behandeling is direct mondeling uitspraak gedaan. Deze beslissing vormt de uitwerking daarvan.

2 De feiten

2.1.

Bij de rechter is een zaak met verzoekster als eisende partij in behandeling met zaaknummer C/13/ 8315787 / CV EXPL 20-2590. Verzoekster verhuurt een woning aan haar wederpartij. De Huurcommissie heeft de huurprijs van de woning verlaagd wegens ernstige gebreken. Verzoekster vordert de beslissing van de Huurcommissie ongedaan te maken. Op 30 maart 2021 heeft de mondelinge behandeling van deze zaak plaatsgevonden.

3 Het verzoek

3.1.

Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat:

1. de rechter ten onrechte het verzoek tot aanhouding niet heeft gehonoreerd. Dat verzoek had onder andere te maken met de gezondheid van verzoekster. Verzoekster acht zich hierdoor benadeeld;

2. verzoekster haar pleitnota pas aan het einde van de zitting kon voorlezen. Zij werd daarbij bovendien enkele malen door de rechter onderbroken met de mededeling ‘hier toch niets mee te gaan doen’;

3. de rechter het centrale argument van verzoekster, dat de wederpartij haar geen toegang tot de woning had verleend teneinde de gestelde gebreken te kunnen inspecteren, direct ter zijde heeft geschoven.

Vooral door deze laatste beslissing, waarbij de rechter het standpunt van de wederpartij steunde, al zo vroeg tijdens de zitting te laten blijken is de rechter tekort geschoten in haar onpartijdigheid.

Voorts heeft de rechter verzoekster benadeeld doordat zij onheus gedrag van de wederpartij niet bij haar beoordeling leek te willen betrekken en geen kritische vragen aan de wederpartij richtte. Zo werd verzoekster niet toegestaan tegen het einde van de zitting een opname van een telefoongesprek met de wederpartij te laten horen.

4 De reactie van de rechter

4.1.

De rechter heeft aangevoerd dat de beslissingen die zij voorafgaand en tijdens de mondelinge behandeling heeft genomen, niet uit vooringenomenheid heeft genomen maar in het belang van een voortvarende behandeling van de zaak. Verzoekster heeft in haar wrakingsverzoek uitlatingen geparafraseerd. Voor zover de rechter zich op die wijze heeft uitgelaten, is dat in de context van de gehele mondelinge behandeling gebeurd. In het belang van beide partijen heeft de rechter een volledige mondelinge inhoudelijke behandeling van de zaak voorgestaan.

5 De beoordeling

5.1.

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.

5.3.

In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat

het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.

Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

5.4.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een aantal beslissingen van de rechter. Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest.

5.5.

Aan de rechter komt voorts ruimte en vrijheid toe in de wijze waarop hij een zaak behandelt. Het is de rechter die bepaalt op welke wijze en aan welke partij hij vragen stelt. Daarbij mag ook een voorlopig oordeel worden gegeven over een stelling van één van partijen. Niet is gebleken dat verzoekster haar standpunt niet voldoende voor het voetlicht kon brengen of dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is gerespecteerd.

5.6.

Met betrekking tot de overige door verzoekster aangehaalde uitlatingen van de rechter, is de rechtbank van oordeel dat de door verzoekster aangevoerde gronden de perceptie van verzoekster weergeven. Die subjectieve zienswijze van verzoekster brengt nog niet mee dat de door verzoekster jegens de rechter gestelde vrees van partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Niet de perceptie van verzoekster is beslissend: de vrees dat het een rechter aan onpartijdigheid ontbreekt moet objectief gerechtvaardigd zijn. Dit kan uit de opmerkingen, de gebezigde bewoordingen en de context waarin zij zijn gedaan niet worden afgeleid. De wijze waarop de rechter de zitting heeft geleid, getuigt niet van een gebrek aan onbevangenheid jegens de zaak van verzoekster. Feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden zijn dan ook niet gebleken.

5.7.

Dit betekent dat het verzoek dient te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, S.P. Pompe en S. Djebali, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.