Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3653

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
13/125022-20 (A) en 13/059429-20 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft de ruiten van een restaurant te Amsterdam op 8 mei 2020 vernield en daarna een Israëlische vlag, toebehorend aan dat Israëlische restaurant, in brand gestoken. De rechtbank acht bewezen dat verdachte deze feiten heeft begaan met een terroristisch oogmerk. De rechtbank heeft hiervoor gekeken naar de verklaringen van verdachte over de reden van zijn handelen, de aard van de feiten en de door de NTA opgestelde duidingsrapportage. Verdachte geeft een ondubbelzinnige afwijzing van de Israëlische bevolking en de Israëlische staat en stelt dat hij handelde onder leiding van God, Allah. Bij verdachte is onder andere sprake van geweldslegitimatie om zijn politieke doelen te bereiken en hij is er sterk van overtuigd dat de bevolkingsgroep waartoe hij zichzelf rekent bedreigd en onderdrukt wordt door een duidelijk omschreven vijand, zijnde de Israëlische bevolking. Verdachte heeft daarnaast een verleden als getrainde en geoefende militair bij een terroristische groepering en is vertrouwd met extremistische denkkaders. De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte op 28 februari ontucht heeft gepleegd. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13.125022.20 en [jw.sys.2.verdachte_parketnummer] (ter terechtzitting gevoegd) [verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/125022-20 (A) en 13/059429-20 (B)

Datum uitspraak: 14 juli 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ter lande,

thans gedetineerd in het [naam JC] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juni 2021.

De meervoudige kamer heeft de zaken A en B, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting van 23 december 2020 gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. de Graaf, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W. van Vliet, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, in zaak A ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

  1. vernieling van een of meer glazen ruit(en) en/of een vlag, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam 1] en/of [naam restaurant] toebehoorden, begaan met een terroristisch oogmerk op 8 mei 2020 te Amsterdam;

  2. primair:
    opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is, begaan met een terroristisch oogmerk op 8 mei 2020 te Amsterdam;
    subsidiair:
    een poging tot brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is, begaan met een terroristisch oogmerk op 8 mei 2020 te Amsterdam.

Aan verdachte is in zaak B ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

aanranding van [naam 2] op 28 februari 2020 te Amsterdam.

De integrale tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in zaak A gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de vernieling (1) en de brandstichting (2 primair), beide begaan met een terroristisch oogmerk.

Verdachte heeft het oogmerk gehad om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, waardoor een terroristisch oogmerk kan worden bewezen. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van verdachte en uit de objectieve feiten en omstandigheden.

Ook de in zaak B ten laste gelegde ontucht acht de officier van justitie bewezen. Verdachte heeft opzettelijk de billen van aangeefster aangeraakt.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vernieling en de (poging) brandstichting op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een terroristisch oogmerk. Verdachte is zwaar getraumatiseerd en heeft geestelijke problemen. Hij heeft uit wanhoop de ruiten ingeslagen en de Israëlische vlag uit de etalage gepakt en geprobeerd die vlag in brand te steken, omdat die vlag voor hem het symbool is van de Israëlische politiek. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte deze daad vooraf heeft besproken met anderen of dat hij kenbaar heeft gemaakt wat hij met deze daad wilde bereiken. Het heeft er alle schijn van dat verdachte vanuit een opwelling heeft gehandeld. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:7308).

De raadsman heeft, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, verder geen inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van de vernieling (1).

Ten aanzien van de brandstichting (2 primair) heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, zodat verdachte van de brandstichting dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft ten aanzien van de poging brandstichting (2 subsidiair) een partiële vrijspraak voor het levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen bepleit. Verdachte heeft geprobeerd de vlag in brand te steken. Dit is slechts beperkt gelukt en wegens het ontbreken van enig technisch onderzoek kan niet worden gesproken over voorwaardelijk opzet op levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen. De raadsman heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ontucht (zaak B). Verdachte bevond zich samen met aangeefster in een drukke tram, waardoor hoogstens van een onbedoelde aanraking sprake is geweest.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Ten aanzien van zaak A

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Verdachte, gekleed in camouflagekleding, slaat op 8 mei 2020 met een metalen staaf op een ruit van het [naam restaurant] te Amsterdam. Verdachte steekt vervolgens zijn linkerhand door het ontstane gat in de ruit en trekt de Israëlische vlag, die in de etalage hangt, naar buiten. Hij haalt een aansteker uit zijn linker broekzak en probeert de vlag in brand te steken. Verdachte stopt even later zijn aansteker weer in zijn broekzak en loopt voor het restaurant langs. Terwijl hij dit doet, slaat hij wederom met de metalen staaf op een andere ruit van het restaurant waardoor er barsten ontstaan. Verdachte loopt vervolgens weg in de richting van de Zeilstraat. Niet veel later komt hij teruggelopen en haalt hij de aansteker opnieuw uit zijn zak. Hij pakt de vlag onderaan vast en probeert die vlag opnieuw aan te steken. Daarna stapt hij iets naar achteren terwijl hij naar de vlag blijft kijken. Het onderste deel van de vlag staat in brand. Enkele minuten later wordt verdachte door de politie op heterdaad aangehouden. Tijdens het omslaan van de handboeien wordt in de bloedende hand van verdachte de aansteker aangetroffen.

De rechtbank is, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van aangifte, van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte op 8 mei 2020 te Amsterdam ruiten en een vlag die geheel aan [naam restaurant] toebehoorden heeft vernield.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de brandstichting (2 primair). Uit het procesdossier volgt enkel dat verdachte het uiteinde van de Israëlische vlag in brand heeft gestoken, terwijl deze door het gat in de ruit heen naar buiten was getrokken. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat door deze handeling gemeen gevaar is ontstaan. Zonder meer volgt dit evenmin uit algemene ervaringsregels.

De poging brandstichting kan wel worden bewezen. Verdachte heeft geprobeerd brand te stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Het vuur van de brandende vlag had immers kunnen overslaan naar andere goederen die zich in het [naam restaurant] bevonden.

Dat door het handelen van verdachte ook levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen. Dergelijk gevaar volgt, in de omstandigheden van het geval, evenmin uit algemene ervaringsregels. Zo is niet gebleken dat er personen in de nabijheid aanwezig waren, dan wel dat de brand had kunnen overslaan naar woningen. Ook ontbreekt een rapport van een daarnaar verricht (technisch) onderzoek. Verdachte zal daarom van deze onderdelen partieel worden vrijgesproken.

Terroristisch oogmerk

De vraag die de rechtbank thans nog moet beantwoorden is of verdachte heeft gehandeld met een terroristisch oogmerk.

Artikel 83a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt dat onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om:

  1. de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel;

  2. een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel;

  3. de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen.

Voor het aannemen van het bestaan van een terroristisch oogmerk is voldoende dat één van de in artikel 83a Sr onderscheiden oogmerkvormen wordt bewezen. Het terroristisch oogmerk kan blijkens de wetgeschiedenis worden opgevat als een strafverzwarende omstandigheid bestaand in een bijkomend oogmerk. Dit betekent dat – in het kader van de beantwoording van de vraag of een misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk – niet beslissend is welk gevolg door de gedraging wel of niet kan worden verwezenlijkt, maar welk gevolg de dader met zijn gedraging daadwerkelijk beoogde.

Daarbij staat voorop dat het terroristisch oogmerk niet hetzelfde is als iemands ideologische of religieuze motief, hoewel dit motief wel een rol kan spelen in het bewijs van het terroristisch oogmerk. Het gaat er met name om welk effect de verdachte met een gedraging wilde bereiken en dus niet om de vraag waarom de daad wordt gepleegd. Wanneer uit verklaringen van verdachte onvoldoende kan worden afgeleid wat verdachte met zijn daad wilde bereiken, kan het bewijs van het oogmerk mogelijk uit objectieve feiten en omstandigheden worden afgeleid.

Voor de beantwoording van de vraag welk effect de verdachte met zijn gedraging wilde bereiken, kijkt de rechtbank allereerst naar wat verdachte heeft verklaard over de reden van zijn handelen.

In zijn politieverklaring op 8 mei 2020 heeft verdachte onder meer het volgende verklaard:

“Omdat Allah dat wilde. Het is nog niet klaar, er komt een tweede keer.” (…) “Om de vlag helemaal in de fik te doen. Ik hoop dat ik de volgende keer door niemand wordt belemmerd, want dan is er een kans dat ik hen ga schieten.” (…) “Voor Israël komt er een einde. Ze hebben alles verloren. Ze gaan allemaal dood.” (…) “Dat is een waarschuwing voor de Israëliërs. Ik hoop met de hulp van God, dat er over twee jaar een einde komt aan Israël.” (…) “Ik bedoel dat het een waarschuwing voor de Israëliërs is. Ze moeten weg uit Palestina en onder de grond begraven worden.” (…) “Het is afgelopen. Er komt een tijd voor een nieuwe vlag.” (…) “Ik bedoelde dat de tijd van de vlag is verlopen.” (…) “Wij krijgen gewoon orders van de hoge leiding, God, Allah.”.

Ter terechtzitting van 30 juni 2021 heeft verdachte hierin volhard door nogmaals te bevestigen dat zijn handelen een waarschuwing voor de Israëliërs was. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard:

“Wij haten het beleid van Israël. We haten de Israëlische vlag.”

Verdachtes verklaringen geven aldus blijk van een ondubbelzinnige afwijzing van de Israëlische bevolking en de Israëlische staat. Uit de consistente verklaringen van verdachte kan worden geconcludeerd dat verdachte met de waarschuwing waarover hij het heeft het aanjagen van vrees van (een deel van) de Israëlische bevolking beoogde.

Ook uit de aard van de feiten, te weten het vernielen van een ruit van een Israëlisch restaurant en het daarna in brand steken van een aan dat restaurant toebehorende Israëlische vlag, kan worden afgeleid dat het de bedoeling van verdachte was om vrees aan te jagen aan een deel van de bevolking.

De rechtbank ziet steun voor het oordeel dat verdachte handelde met een terroristisch oogmerk in de door “Nuance door Training en Advies” (hierna: NTA) opgestelde duidingsrapportage, gedateerd september 2020. De opstellers van de rapportage hebben vijf keer met verdachte gesproken. In de rapportage wordt het volgende geconcludeerd:

Bij verdachte is sprake is van een radicaliseringsproces en een extremistische ideologie. Er is bij verdachte sprake van een politiek denken dat gekenmerkt wordt door vijanddenken, een dichotoom wereldbeeld en geweldslegitimatie om zijn politieke doelen te bereiken. Verdachte is er sterk van overtuigd dat de bevolkingsgroep waartoe hij zichzelf rekent bedreigd en onderdrukt wordt door een duidelijk omschreven vijand, zijnde de Israëlische bevolking. Hij is zeer gedreven om deze vijand te bestrijden.

Door zijn verleden als getrainde en geoefende militair bij een terroristische groepering, is verdachte al jarenlang vertrouwd met extremistische denkkaders. Hij toont zich opportunistisch en inconsistent. Dat geldt voor de middelen die hij aanwendt om zijn doelen te bereiken en voor zijn affiliaties met groeperingen die dezelfde doelen voor ogen hebben. Hij laat zich in zijn gewelddadig handelen niet zozeer inspireren (of juist tegenhouden) door specifieke ideologieën maar gebruikt hiervoor individuele afwegingen, die hij met religieuze symboliek bekleedt. Hij wordt hierbij getriggerd door dromen, specifieke symbolen en gebeurtenissen.

Het delict is gepleegd vanuit een extremistische ideologie. Er is sprake van geweldslegitimatie vanuit een extremistisch denkkader.

De verwijzing door de raadsman naar het vonnis van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2019:7308) gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, nu er, anders dan in die zaak, blijkens het rapport van het Pieter Baan Centrum onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte handelde vanuit een psychose.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden, staat het voor de rechtbank vast dat verdachte de bedoeling heeft gehad om een deel van de bevolking van een land, ernstige vrees aan te jagen. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair heeft begaan met een terroristisch oogmerk.

3.3.2

Ten aanzien van zaak B

De rechtbank is van oordeel dat verdachte op 28 februari 2020 te Amsterdam [naam 2] heeft aangerand. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de door aangeefster en getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen, voor wat betreft de feitelijke handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, overeenkomen. De rechtbank is van oordeel dat het aanraken van de bil van aangeefster in deze omstandigheden naar zijn uiterlijke verschijningsvorm beschouwd moet worden als een handeling van seksuele aard die in de gegeven omstandigheden in strijd was met de sociaal-ethische norm. Dit is ook zo ervaren door aangeefster. Zij werd meteen erg emotioneel waardoor de tram is gestopt met rijden. De door verdachte verrichte handeling dient aldus te worden aangemerkt als ontuchtige handeling. Doordat verdachte aangeefster onverhoeds van achteren heeft benaderd, was aangeefster gedwongen de handeling van verdachte te dulden.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

in zaak A:

  1. op 8 mei 2020 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk ruiten en een vlag, die geheel aan een ander, te weten aan [naam restaurant] toebehoorden, heeft vernield, begaan met een terroristisch oogmerk;

  2. subsidiair: op 8 mei 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een pand (gelegen aan de [adres] , waarin het [naam restaurant] is gevestigd), met dat opzet,

- ruiten van het voornoemde restaurant heeft ingeslagen en

- vervolgens zijn hand door de ruit heeft gestoken en een vlag door de ruit heeft getrokken en

- een brandende aansteker in aanraking heeft gebracht met de vlag,

ten gevolge waarvan die vlag gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor zich in dat pand bevindende goederen te duchten was, begaan met een terroristisch oogmerk, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

in zaak B:

op 28 februari 2020 te Amsterdam, door een feitelijkheid, [naam 2] heeft
gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij,
verdachte, onverhoeds zijn hand op de bil van die [naam 2] gelegd.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in bijlage II zijn vervat.

5 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Onder verwijzing naar de conclusie in de over verdachte uitgebrachte PBC-rapportage, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in een uitzichtloze situatie terecht zal komen als aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd. Verdachte zal waarschijnlijk zijn rechtmatige verblijfstitel verliezen en tot ongewenst vreemdeling worden verklaard. Hij heeft dan geen enkel recht op resocialisatie en repatriëring naar Syrië is niet reëel.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan en de na te noemen maatregel in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vernieling en een poging tot brandstichting met een terroristisch oogmerk. Dit zijn ernstige feiten. Blijkens de aangifte heeft het feit grote gevolgen voor de eigenaren van het restaurant.

Verdachte heeft geen blijk gegeven van spijt of berouw, maar hij heeft bij de politie juist verklaard dat er een tweede keer komt en dat hij hoopt dan niet te worden belemmerd in zijn handelen. De rechtbank constateert dat verdachte zich in 2017 ook al heeft schuldig gemaakt aan een vernieling van het [naam restaurant] . Dat verdachte zich nu opnieuw richt tegen dat restaurant is uitermate zorgelijk.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een aanranding. Daardoor heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffer.

Het handelen van verdachte is geschikt om gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg te brengen en dat is ook het resultaat van dat handelen geweest.

Over de persoon van verdachte is na zijn verblijf in het Pieter Baan Centrum (PBC) door deskundigen, te weten GZ-psycholoog A. Witvliet en psychiater A.E. Grochowska gerapporteerd. De rapportage is uitgebracht in zaak A. In de rapportage van 7 mei 2021 is onder meer het volgende opgenomen:


Bij verdachte is sprake van een ernstige depressie met kenmerken van katatonie en een licht verstandelijke beperking. Omdat er onvoldoende zicht is op de belevingswereld van verdachte, kunnen psychotische belevingen (hallucinaties en paranoïde wanen) niet helemaal worden uitgesloten. Er zijn echter te weinig aanwijzingen gevonden voor een op zichzelf staande psychotische stoornis. De persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte is door de combinatie van aanleg gerelateerde factoren, zoals zijn licht verstandelijke beperking en omgevingsfactoren, zoals gevoelens van onveiligheid en traumatisering, verstoord verlopen. Er kan daarom worden gesproken van een ongespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis. Ook is er sprake van een stoornis in cannabisgebruik. Voornoemde stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig en hebben het handelen van verdachte beïnvloed. Gezien de ernst van de gecombineerde pathologie van verdachte en de daaruit voortvloeiende gedragsstoornissen en oordeel- en kritiekstoornissen wordt geadviseerd om verdachte het ten laste gelegde in sterk verminderde mate toe te rekenen.

Het recidiverisico dat verdachte opnieuw vergelijkbare feiten begaat is hoog is en de kans op situationeel geweld jegens zowel bekenden als onbekenden tevens is verhoogd. Verdachte is in zijn huidige toestand nauwelijks te sturen en hij vertoont continu (gevaarlijk) wegloopgedrag. Daarom moet er sprake zijn van een hoge behandel- en begeleidingsintensiteit. Er blijken geen factoren aanwezig te zijn die verdachte zouden kunnen beschermen tegen gewelddadig gedrag. Daarom wordt de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geadviseerd. Verdachte zal dan aanvankelijk op een afdeling die is gespecialiseerd in de behandeling van psychische stoornissen en licht verstandelijke beperkingen-problematiek moeten worden geplaatst, die bij voorkeur beschikt over expertise op het gebied van transculturele psychiatrie, traumabehandeling en radicalisering.

Behandeling kan alleen binnen een tbs met dwangverpleging plaatsvinden. Een TBS met voorwaarden wordt niet haalbaar geacht omdat de kans te groot is dat verdachte zich aan behandeling en toezicht zal onttrekken. Ook een zorgmachtiging wordt niet geadviseerd, onder meer omdat het voorzieningenniveau en de benodigde forensische expertise binnen de reguliere GGZ onvoldoende is om het recidivegevaar terug te dringen.

Ter terechtzitting hebben de deskundigen hun conclusies bevestigd.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. Hoewel de deskundigen slechts hebben gerapporteerd naar aanleiding van de feiten in zaak A, ziet de rechtbank in deze rapportage voldoende grond om de ontucht (zaak B) ook sterk verminderd aan verdachte toe te rekenen. De misdrijven hebben immers in relatief korte tijd achter elkaar plaats gevonden en gezien de aard van de stoornissen gaat de rechtbank ervan uit dat die stoornissen ook bestonden tijdens het plegen van de ontucht (zaak B). Het kan niet anders dan dat verdachte ook in februari 2020 licht verstandelijk beperkt was en leed aan de vastgestelde ongespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis. Dat betreffen geen stoornissen die pas na de ontucht in een periode van enkele maanden zijn ontstaan.

De bewezen geachte feiten worden verdachte dus in sterk verminderde mate toegerekend.

De aard en ernst van de misdrijven en het daarbij in zaak A handelen met een terroristisch oogmerk rechtvaardigen een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank is daarnaast van oordeel, rekening houdend met de problematiek van verdachte zoals hiervoor uiteengezet, het hoge recidivegevaar en de mate van beveiliging die nodig zal zijn, dat de algemene veiligheid van personen en goederen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist.

Naar het oordeel van de rechtbank is de ontucht waar verdachte voor wordt veroordeeld in zaak B een feit gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e lid 1 Sr. Verdachte heeft zich seksueel opgedrongen aan een ander en daarmee is verdachte ingegaan tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander. Dit betekent dat de duur van de TBS niet gemaximeerd is tot vier jaren.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat de situatie van verdachte bij het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling volledig uitzichtloos wordt, omdat de mogelijkheid bestaat dat verdachte bij een veroordeling tot ongewenst vreemdeling wordt verklaard. Er zal dan bijvoorbeeld geen sprake kunnen zijn van verlof en ook zal er niet worden gewerkt aan een geleidelijke terugkeer van verdachte in de maatschappij.

De rechtbank acht het belang van bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid echter zwaarder wegen dan een mogelijke perspectiefloze situatie (als dat al zo is) van verdachte. Daarbij speelt ook mee dat als positief voor verdachte geldt dat hij een behandeling kan ondergaan voor zijn ernstige geestelijke problematiek. De rechtbank ziet dan ook in hetgeen is aangevoerd door de raadsman geen aanleiding om niet over te gaan tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Nu de vernieling begaan met een terroristisch oogmerk (zaak A, feit 1) niet met een gevangenisstraf van vier jaren of meer wordt bedreigd, kan de maatregel niet ten aanzien van dit feit worden opgelegd.

8 Beslag

Ten aanzien van zaak A

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  1. STK Telefoontoestel (goednr. 5916246);

  2. 1 STK USB-stick (memorykaart) (5916248);

  3. 1 STK Computer (goednr. 5916251);

  4. 1 STK Telefoontoestel (goednr. 5916247);

  5. 1 STK Tang (goednr. 3979636);

  6. 1 STK Aansteker (goednr. 5916217).

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen onder 5 en 6, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

De voorwerpen onder 1, 2, 3 en 4 zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde verdachte.

9 De vorderingen benadeelde partij

Ten aanzien van zaak A

9.1

De ingediende vorderingen

De benadeelde partij [naam restaurant] te Amsterdam vordert € 22.538,87 aan vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en vordert dat hierbij de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 5.074,- aan proceskosten.

De benadeelde partijen [naam 3] , [naam 4] en [naam 1] (hierna te noemen: de vennoten) vorderen elk een bedrag van € 1.800,- ter zake van immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Daarnaast vordert [naam 3] € 1.442,- aan proceskosten en [naam 4] en [naam 1] ieder € 721,- aan proceskosten.

9.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade van de benadeelde partij [naam restaurant] op het standpunt gesteld dat € 2.764,32 ten behoeve van herstelwerkzaamheden dient te worden toegewezen. De vordering dient voor wat betreft de gevorderde kosten van beveiliging niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat dit geen rechtstreekse schade betreft.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de immateriële schade op het standpunt gesteld dat € 1.000,- per vennoot toewijsbaar is.

De proceskosten kunnen in zijn geheel worden toegewezen.

9.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam restaurant] op het standpunt gesteld dat € 2.764,32 ten behoeve van herstelwerkzaamheden kan worden toegewezen. De overige materiële schade, zijnde de kosten van beveiliging, betreft geen rechtstreekse schade en dient daarom te worden afgewezen.

Voorts heeft de raadsman verzocht om het liquidatietarief van kantonzaken te hanteren, omdat de vordering met name door de beveiligingspost boven de € 25.000,- uitkomt en de vordering slechts voor een bedrag van € 2.764,32 kan worden toegewezen.

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de gevorderde immateriële schade per vennoot.

9.4

Oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [naam restaurant] te Amsterdam

De rechtbank is van oordeel dat de schade aan de ramen en kozijnen een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding van € 2.764,32 voor herstel daarvan geheel toewijzen.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding ten behoeve van beveiligingskosten overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht het aannemelijk dat er schade wordt geleden in de vorm van extra beveiligingskosten. De beveiligingskosten hangen immers samen met het bewezenverklaarde. Het volledige schadebedrag van de beveiligingskosten kan redelijkerwijs niet zonder meer worden toegerekend aan verdachte, omdat er vaker incidenten bij de benadeelde partij hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht het daarentegen wel redelijk dat er een schadebedrag wordt begroot voor de beveiligingsmaatregelen die – onder andere naar aanleiding van het bewezenverklaarde – moeten worden genomen. Deze beveiligingsmaatregelen zijn ook noodzakelijk gelet op de dreigementen. De rechtbank begroot de beveiligingskosten op een bedrag van € 10.000,-. De rechtbank wijst het overige gedeelte van de vordering met betrekking tot deze post af.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 12.764,32 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2020 tot de dag van algehele voldoening.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Benadeelde partijen [naam 3] , [naam 4] en [naam 1]

De vennoten hebben ter onderbouwing van hun vordering tot immateriële schadevergoeding gesteld dat het pijnlijk en onverteerbaar is wat er is gebeurd. Zij stellen dat zij geen willekeurig slachtoffer zijn, maar dat verdachte het juist op hen had gemunt.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze vordering het volgende voorop. Als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde ingevolge art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b, BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

De vennoten hebben geen concrete gegevens aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, zodat nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval echter mee dat in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de vennoten zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon van de vennoten kan worden aangenomen. De vennoten hebben aangevoerd dat bij hen steeds de angst aanwezig is dat hun zaak ieder moment weer aan de beurt kan zijn. Ook het feit dat verdachte voor de tweede keer bij hun restaurant toesloeg, verhevigt deze angst. Het is duidelijk dat het bewezenverklaarde door verdachte was bedoeld om de Israëlische identiteit van de vennoten aan te tasten en bij hun angst en vrees aan te jagen. Het is aannemelijk dat de vennoten hier psychisch onder te lijden hebben.

De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,- per vennoot en zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2020. De rechtbank wijst het overige deel van de vorderingen af.

In het belang van de benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Proceskosten

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.

De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief van rechtbankzaken bepalen op € 721,- per punt. Het bedrag van de te liquideren kosten is afhankelijk van de verrichte (genormeerde) werkzaamheden en van het belang van de zaak. Gelet hierop is tarief III van toepassing.

Ten aanzien van de verrichte werkzaamheden overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kent per pro forma behandeling een half punt toe en ten aanzien van de inhoudelijke behandeling een punt. De rechtbank zal ten aanzien van het indienen van de vorderingen benadeelde partijen een punt toekennen, omdat de vorderingen gelijkluidend zijn. De rechtbank ziet geen reden om de punten voor beide raadslieden toe te kennen, gelet op de gelijkluidende feiten en de verwevenheid van de vorderingen benadeelde partijen.

De rechtbank wijst daarom in totaal 4,5 punten toe, hetgeen het maximum aantal punten van 7 niet overschrijdt.

De rechtbank zal de verdeling van de proceskosten aan de hand van het liquidatietarief van rechtbankzaken als volgt bepalen.

De rechtbank kent toe aan de benadeelde partij [naam restaurant] 1,5 punt en bepaalt het toegewezen bedrag van de proceskosten op € 1.081,50.

De rechtbank kent aan de benadeelde partij [naam 3] 1 punt toe en bepaalt het toegewezen bedrag van de proceskosten op € 721,-.

De rechtbank kent aan de benadeelde partijen [naam 4] en [naam 1] ieder 1 punt toe, en bepaalt het toegewezen bedrag van de proceskosten op het door hen gevorderde bedrag van € 721,- per benadeelde partij.

10 De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

10.1

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Op 11 juli 2018 is verdachte door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank in de zaak met parketnummer 13/703029-17 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Daarbij is de voorwaarde opgelegd dat hij voor het einde van de proeftijd van twee jaren geen strafbaar feit pleegt.

Bij de stukken bevindt zich een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

10.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging te gelasten.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen indien de maatregel tot terbeschikkingstelling aan verdachte zal worden opgelegd.

10.3

Oordeel van de rechtbank

De bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf evenwel afwijzen, omdat tenuitvoerlegging gelet op de aan hem op te leggen maatregel op dit moment niet opportuun is.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 38e, 45, 57, 157, 176a, 246, 350 en 354a van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2 primair in zaak A ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is weergegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

zaak A:

  1. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk

  2. subsidiair: een poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk

zaak B:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die

straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van zaak A, feit 2 subsidiair, en ten aanzien van zaak B, feit 1:

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Verklaart verbeurd:

- 1 STK Tang (goednr. 3979636);

- 1 STK Aansteker (goednr. 5916217).

Gelast de teruggave aan de rechthebbende:

- 1 STK Telefoontoestel (goednr. 5916246);

- 1 STK USB-stick (memorykaart) (5916248);

- 1 STK Computer (goednr. 5916251);

- 1 STK Telefoontoestel (goednr. 5916247).

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam restaurant] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [naam restaurant] , van een bedrag van € 12.764,32 (zegge: twaalfduizendzevenhonderdvierenzestig euro en tweeëndertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Wijst af het overige deel van de vordering.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 1.081,50.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam restaurant] van een bedrag van € 12.764,32, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor 98 dagen gijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 3] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 3] , van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Wijst af het overige deel van de vordering.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 721,-.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 3] van een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor 20 dagen gijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 4] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 4] , van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Wijst af het overige deel van de vordering.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 721,-.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 4] van een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor 20 dagen gijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 1] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 1] , van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Wijst af het overige deel van de vordering.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 721,-.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] van een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor 20 dagen gijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer: 13/703029-17

Wijst af de vordering na voorwaardelijke veroordeling.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.W. Pieters, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en A.H.E. van der Pol, rechters,

in tegenwoordigheid mr. K. Kanters, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 juli 2021.