Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3645

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
23-07-2021
Zaaknummer
13.270536.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Diefstal met een valse sleutel, meermalen gepleegd. Verdachte heeft in opdracht van een ander aankopen gedaan via Apple Pay waarbij hij wist dat de daaraan gekoppelde bankrekening aan een ander toebehoorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummer: 13.270536.20
Parketnummer vordering tul: 13.225721.18

Datum uitspraak: 25 juni 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,

wonende op het adres [adres 1] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Dankers en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat naar voren is gebracht door [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [persoon 2] , namens Jeugdbescherming regio Amsterdam (hierna: JBRA).

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 december 2019 tot en met 5 juli 2020 te Amsterdam, en/of Groningen en/of Hoofddorp ,in elk geval in Nederland en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening
heeft/hebben weggenomen één of meerdere geldbedrag(en ) , in elk geval enig goed te weten:
op of omstreeks 25 mei 2020 een geldbedrag van 12750,57 euro geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , welk bedrag door verdachte en/of zijn mededader(s) was overgemaakt van haar spaarrekening naar haar lopende rekening en/of vervolgens vanaf deze rekening meermalen een of meer betalingen heeft verricht en/of geld heeft openomen te weten een geldbedrag van

1399 euro aan/bij [bedrijf 1] en/of

10,70 euro aan /bij [bedrijf 2] en/of

1429 euro aan/bij [bedrijf 3] en/of

18.18

euro aan/bij [bedrijf 4] en/of

10 euro aan / bij [bedrijf 5] en/of

879 euro aan/bij [bedrijf 6] en/of

650 euro aan/bij [bedrijf 7] en/of 450 euro aan/bij [bedrijf 8] en/of 600 euro aan/bij [bedrijf 9] en/of

3041,95 euro aan/bij [bedrijf 10]

(dossier Groningen)

en/of

op of omstreeks 4 juli 2020 een geldbedrag van 2,25 euro geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2]

(dossier Hoofddorp)
en/of

op in of omstreeks de periode van 26 december 2019 tot en met 11 februari 2020 een geldbedrag van 21.450,76 euro geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] , welk bedrag was overgeschreven van haar spaarrekening op een door verdachte en/of zijn mededader(s) geopende rekening op naam van [aangever 3] en/of vervolgens vanaf deze rekening een of meer betalingen heeft verricht en/of geld heeft opgenomen te weten een geldbedrag van

1349 euro aan/bij [bedrijf 11] en/of

750 euro aan/bij [bedrijf 12] en/of

1660 euro en/of 1600 euro en/of 1180 euro aan/bij [bedrijf 13] en/of 1290 euro en/of 1650 euro en/of 290 euro aan/bij [bedrijf 14] en/of 1118 euro en/of 700 euro en/of 1500 euro aan/bij [bedrijf 15] en/of

1000 euro aan/bij pin Buikslotermeerplein Amsterdam en/of

vanaf de betaalrekening van die [aangever 3] een of meer betalingen heeft verricht en/of geld heeft opgenomen te weten een geldbedrag van 1000 en/of

een geldbedrag van 11 euro aan/bij [bedrijf 16] en/of

een geld bedrag van 0,91 euro aan/bij [bedrijf 16]

( dossier Achterhoek)

in elk geval (telkens) enig goed geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s, waarbij verdachte en/of diens mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)/geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten
- door onder andere gebruik te maken van een mobiel bankieren app (op naam van voornoemde aangevers), door het installeren van een mobielbankieren app op een/de telefoon(s) en/of devices van verdachte en/of die van zijn, verdachtes, mededader(s)) waartoe hij verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren en/of
- door onder andere gebruik te maken van Apple Pay/Apple Pay account welke door verdachte en/of zijn mededader(s) was gekoppeld aan een betaalpas(sen) van voornoemde aangever(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) in onbevoegd verkregen bankrekeningen en/of bankaccounts van voornoemde aangevers Apple Pay hebben geactiveerd en/of geselecteerd, en/of deze Apple Pay/Apple Pay account heeft/hebben gekoppeld aan een telefoon en/of een device in bezit van verdachte en/of van zijn mededader(s), waartoe hij verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 december 2019 tot en met 5 juli 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in (een) (gedeelte van) één of meer geautomatiseerd(e)werk(en), te weten een server en/of netwerk van de [bedrijf 17] , althans een bank, is/zijn binnengedrongen, althans een deel daarvan,
- doordat verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) één of meerdere “Tikkie" link(s), althans (een) applicatie(s), heeft/hebben verzonden naar [aangever 1] (dossier Groningen) en/of [aangever 2] (dossier Hoofddorp) en/of [aangever 3] (dossier Achterhoek) althans eén of meer andere perso(o)n(en), waarbij die [aangever 1] en/of die [aangever 2] en/of die [aangever 3] en/of één of meer andere perso(o)n(en), naar phishings website(s) werd(en) geleid, waardoor (telkens) één of meer (inlog)gegevens van de bankrekening(en) van voornoemde perso(o)n(en) zijn opgevangen/afgevangen en/of achterhaald, en/of onder andere
- doordat verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) (telkens) inlogden met die al dus verkregen gegevens (al dan niet met behulp van mobiel bankieren betaal-apps van die banken) op/van voornoemd(e) geautomatiseerd(e) werk(en), waarin hij verdachte en/of zijn mededader(s) zich wederrechtelijk bevond(en) en gegevens voor zichzelf en/of een ander heeft/hebben opgenomen, afgetapt of overgenomen, althans betalingen mee heeft/hebben verricht en/of onder andere
- door in onbevoegd verkregen bankrekeningen en/of bankaccounts van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] en/of die [aangever 3] , Apple Pay te activeren en/of te selecteren en/of deze te koppelen aan een betaalpas(sen) van voornoemde aangever(s) en/of deze Apple Pay/Apple Pay account te koppelen aan een telefoon en/of een device in bezit van verdachte en/of van zijn mededader(s) en/of onder andere
- door met dit Apple Pay account, middels telefoons in bezit van verdachte en/of van verdachte’s mededader(s), betalingen te verrichten, waardoor (telkens) wederrechtelijk toegang wordt verkregen tot de bankrekening en/of bankaccount van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] en/of die [aangever 3] ;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft integrale bewezenverklaring gevorderd van de diefstal in vereniging met een valse sleutel ten aanzien van de aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] .

Verdachte kreeg naar eigen zeggen steeds 20 euro om aankopen te doen via Apple Pay met andermans telefoon. Dat is niet een keer gebeurd, maar meermalen over een heel lange periode. Het ging daarbij om grote bedragen. Verdachte heeft tijdens een aankoop de naam van aangever [aangever 3] opgegeven en een keer een valse naam.

Verdachte heeft geweten waar hij zich mee bezig hield. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij na de eerste aankoop wel wist dat het niet zuiver was. Verdachte heeft dit bovendien samen met anderen gedaan. Bij de [bedrijf 11] zijn er beelden waaruit kan worden afgeleid dat verdachte feitelijk niet alleen is geweest bij de aankopen. Daarnaast blijkt, ook uit zijn eigen verklaring, dat hij instructies van een ander heeft gehad overhoe hij moest handelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Het aandeel van verdachte in de uitgebreide tenlastegelegde fraudestructuur is zeer beperkt geweest, namelijk betaling van een aantal goederen en deze afgeven. Verdachte komt in het uitgebreide onderzoek naar de fraude, behoudens de aankopen via ApplePay, niet naar voren. Hij heeft enkel een faciliterende rol gehad en van een enige verdere samenwerking is niet gebleken. Verdachte is als katvanger ingezet en kreeg daarbij 20 euro per keer. Er is geen sprake van een zekere inwisselbaarheid van rollen en er is dan ook geen sprake van medeplegen, aldus de verdediging.

Ten aanzien van zaaksdossier Hoofddorp ontkent verdachte stellig dat hij degene is die op de beelden van de [bedrijf 5] een aankoop van 2,25 euro doet. De raadsvrouw merkt daarbij op dat de persoon op de beelden eerder lijkt op een van de andere verdachten die voorkomen in het dossier.

In het geval dat de rechtbank van oordeel is dat wel sprake is van medeplegen dan verzoekt de raadsvrouw om verdachte enkel zijn eigen handelen aan te rekenen en niet ook voor de geldbedragen die in de tenlastelegging staan opgenomen waar geen enkele link met verdachte bestaat. Dat maakt ook de pleegperiode beperkter, namelijk zijn eerste handeling is van 8 februari 2020, de laatste van 25 mei 2020.

Het oordeel van de rechtbank

De zaaksdossiers Achterhoek/Groningen/Hoofddorp waarin verdachte vervolgd is, maken deel uit van een grootschalig onderzoek naar oplichting van een reeks aangevers waarbij meerdere verdachten betrokken zijn. Daarbij is op slinkse wijze door de daders inzicht gekregen in de persoonlijke bankgegevens van de aangevers. Deze gegevens zijn onder meer gekoppeld aan een Apple Pay account waarmee vervolgens aankopen en geldopnames zijn gedaan. Verdachte is in het kader van dit grootschalige onderzoek bij een aantal aankopen op camerabeelden van winkels herkend als de koper en op die wijze in beeld gekomen. Ten aanzien van aangever [aangever 1] (zaaksdossier Groningen) en [aangever 3] (zaaksdossier Achterhoek) heeft verdachte zijn aandeel bekend, terwijl hij betrokkenheid bij de aankopen ten aanzien van aangever [aangever 2] (zaaksdossier Hoofddorp) ontkent.

Zaaksdossier Hoofddorp

In dit dossier is het belangrijkste bewijsmiddel een proces-verbaal van herkenning door één verbalisant, die stelt verdacht te hebben herkend op beelden van de [bedrijf 5] op de [adres 2] , terwijl hij een transactie verrichtte.

De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt temeer als deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn waaruit de betrokkenheid van een verdachte kan worden afgeleid.

Voor een beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenningen aan de hand van camerabeelden is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn.

Een mogelijke gezichtsherkenning heeft daarbij de hoogste diagnostische waarde. Eerst dient te worden onderzocht wat de kwaliteit van de afbeeldingen of bewegende beelden is en de mate waarin persoonskenmerken zichtbaar zijn. Het is aan het openbaar ministerie om de rechtbank in staat te stellen de kwaliteit van de opnamen te controleren. In de onderhavige zaak zijn stills toegevoegd aan het dossier die de rechtbank aldus dient te beoordelen.

Voorts is van belang hoe goed de verbalisant de herkende kent. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Daarbij is ook de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Bovendien is het aantal onafhankelijke herkenningen door verbalisanten van belang.

Tot slot kan worden gekeken naar feiten en omstandigheden die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar maken.1

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de onderhavige herkenning het volgende in aanmerking genomen.

In het onderhavige zaaksdossier is verdachte herkend door een verbalisant op basis van de politiefoto van verdachte. De verbalisant heeft de verdachte niet eerder gezien.

De desbetreffende verbalisant heeft korte fragmenten van bewegende beelden én zogenaamde stills bekeken.

De rechtbank heeft de bewegende beelden niet, maar wel de stills in het dossier nader bestudeerd. De stills zijn erg donker en niet volledig scherp. Het is daarom lastig om echt specifieke uiterlijke kenmerken van de verdachte te kunnen waarnemen. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat ook andere verdachten die voorkomen in het onderzoek zouden kunnen passen in het signalement van de persoon op de beelden.

Verder stelt de rechtbank vast dat er sprake is van één herkenning

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid/objectiviteit van de herkenning zoals die door de verbalisant is gedaan. Daarbij heeft de verdachte stellig ontkend dat hij degene is die op de beelden van de [bedrijf 5] te zien is, terwijl hij zichzelf wel heeft aangewezen op andere beelden. Nu dit proces-verbaal van herkenning aldus niet meeweegt, is er onvoldoende wettig bewijs en zal de rechtbank verdachte ten aanzien van het zaaksdossier Hoofddorp vrijspreken.

Zaaksdossiers Groningen en Achterhoek

Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte meermalen zonder toestemming via de bankrekeningen van aangever [aangever 1] en aangever [aangever 3] de volgende aankopen heeft gedaan:

Op 8 februari 2020:

1349 euro bij [bedrijf 11]

Op 25 mei 2020:

  • -

    1399 euro bij [bedrijf 1] en

  • -

    1429 euro bij [bedrijf 3] en

  • -

    879 euro bij [bedrijf 6] en

  • -

    450 euro bij [bedrijf 8] en

  • -

    3041,95 euro bij [bedrijf 10]

Daarbij heeft verdachte steeds via Apple Pay betaald. Verdachte heeft verklaard dat hij deze aankopen in opdracht van een oude vriend deed en dat hij daarbij een telefoon kreeg waarop de applicatie Apple Pay reeds was geïnstalleerd. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij niet betrokken is geweest en geen weet heeft gehad van de andere tenlastegelegde aankopen/geldopnames. Deze verklaringen kunnen niet worden weerlegd door de bewijsmiddelen. Er is geen directe link tussen verdachte en de oplichtingshandelingen die voorafgaand aan de frauduleuze aankopen hebben plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt evenmin dat verdachte wetenschap heeft gehad van of anderszins betrokken is geweest bij de overige tenlastegelegde aangekochte goederen/geldopnames. Van de resterende in de dagvaarding genoemde aankopen zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte de door hem gedane aankopen in samenwerking met anderen heeft gepleegd. Verdachte werd betaald om in opdracht van een ander de aankopen te doen. Hij kreeg daarbij de instructies om met een telefoon via Apple Pay te betalen en te zorgen voor een factuur/bon. Verdachte heeft deze instructies opgevolgd. Uit het dossier blijkt dat hij ten behoeve van het verkrijgen van een factuur tenminste twee keer zijn eigen e-mailadres heeft opgegeven. Eénmaal heeft hij als naam van de koper, de naam van aangever [aangever 3] opgegeven. Verder valt uit de camerabeelden van de [bedrijf 11] af te leiden dat verdachte bij de aankoop van de notebook in aanwezigheid was van twee andere jongens.

Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het meermalen medeplegen van diefstal met een valse sleutel.

4.2.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is, anders van de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een feitelijke rol heeft gespeeld bij de handelingen omtrent de computervredebreuk ten aanzien van de aangevers [aangever 3] , [aangever 2] en [aangever 1] . Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de wijze waarop de medeverdachten de gegevens van voornoemde aangevers in handen hebben gekregen en vervolgens de bankrekeningen virtueel zijn binnengedrongen.

Er heeft een uitgebreid onderzoek plaatsgevonden. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er sprake was van een geoliede machine die deze fraudes en aankopen pleegde. Verdachte wordt echter op geen enkele wijze gelinkt aan een telefoonnummer waarmee is gecommuniceerd via Marktplaats of waarmee Tikkielinks zijn verstuurd. Evenmin valt verdachte te linken aan het opvragen van nieuwe pinpassen, het gebruik maken van phishing-websites of het activeren of koppelen van Apple Pay. Het enkele feit dat verdachte moet hebben geweten dat de aankopen die hij met Apple Pay deed ‘niet pluis’ waren, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen van computervredebreuk te komen. Verdachte zal van feit 2 worden vrijgesproken.

5. Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 8 februari 2020 tot en met 25 mei 2020 in Nederland en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen geldbedragen, te weten:


op 25 mei 2020 een geldbedrag toebehorende aan [aangever 1], welk bedrag door zijn mededader(s) was overgemaakt van haar spaarrekening naar haar lopende rekening en vervolgens vanaf deze rekening meermalen betalingen heeft verricht te weten een geldbedrag van

1399 euro aan [bedrijf 1] en

1429 euro aan [bedrijf 3] en

879 euro aan [bedrijf 6] en

450 euro aan [bedrijf 8] en

3041,95 euro aan [bedrijf 10]


en

op 8 februari 2020 een geldbedrag toebehorende aan [aangever 3], welk bedrag was overgeschreven van haar spaarrekening op een door zijn mededaders geopende rekening op naam van [aangever 3] en vervolgens vanaf deze rekening een betaling heeft verricht te weten een geldbedrag van 1349 euro bij [bedrijf 11]


waarbij verdachte en diens mededaders de weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten
- door gebruik te maken van Apple Pay welke door zijn mededaders was gekoppeld aan betaalpassen van voornoemde aangevers, waarbij zijn mededaders in onbevoegd verkregen bankrekeningen en bankaccounts van voornoemde aangevers Apple Pay hebben geactiveerd en geselecteerd, en deze Apple Pay hebben gekoppeld aan een telefoon in bezit van verdachte en van zijn mededaders, waartoe hij verdachte en zijn mededaders niet gerechtigd waren.

7 Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor duur van 7 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Daarbij heeft zij verzocht als bijzondere voorwaarden op te leggen dat verdachte:

  • -

    zich houdt aan de aanwijzingen van Jeugdbescherming regio Amsterdam;

  • -

    zijn medewerking verleent aan de IFA-coach;

  • -

    zijn medewerking verleent aan een zinvolle dagbesteding;

  • -

    zijn medewerking verleent aan behandeling van [kliniek] of een soortgelijke instelling;

  • -

    onderwijs en/of dagbesteding volgt volgens het aangegeven rooster;

  • -

    zich houdt aan een avondklok van 22:00 uur tot 05:30 uur

  • -

    zijn medewerking verleend aan elektronisch toezicht voor de duur van drie maanden;

  • -

    geen contact heeft met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en

[medeverdachte 3] voor de duur van een jaar.

De officier van justitie vordert daarnaast de tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 13.225721.18 opgelegde voorwaardelijke straf.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft in het kader van de voorlopige hechtenis een ruime tijd in de Kleinschalige voorziening verbleven. Gedurende zijn schorsing heeft hij een avondklok en elektronische controle opgelegd gekregen. Dit heeft een forse impact op verdachte gehad. Verdachte is gestart met IFA en dat verloopt positief. Verder werkt verdachte goed mee aan de begeleiding van de jeugdreclassering. Verdachte heeft zijn leven goed op orde. Hij volgt een opleiding bij [school] in de richting van modeverkoop, heeft een bijbaan bij Greetz en is bezig met het behalen van zijn autorijbewijs. In zijn vrije tijd is verdachte actief in muziek en het ontwerpen en produceren van een eigen kledinglijn. Hij is serieus bezig met het maken van muziek en is te vinden op Spotify en YouTube onder de naam [naam] .

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van vier maanden meermalen schuldig gemaakt aan diefstal met een valse sleutel. Hij heeft in opdracht van een ander een aantal aankopen gedaan via Apple Pay waarbij hij wist dat de betaalrekening die was gekoppeld aan Apple Pay aan een ander toebehoorde. Verdachte heeft verklaard dat hij in ruil daarvoor steeds 20 euro per aankoop kreeg. Op deze wijze heeft hij veelal voor grote bedragen aankopen gedaan ten koste van de geldrekening van aangevers.

Dit levert schade en overlast op voor de direct betrokkenen zoals de rekeninghouders en het bankwezen. Daarnaast leidt het onbevoegd gebruik maken van Apple Pay tot een inbreuk op het vertrouwen dat door de consument en de acceptant in het elektronisch betalingsverkeer wordt gesteld. Dit vertrouwen is van groot economisch en maatschappelijk belang. Wanneer dit vertrouwen niet meer aanwezig is, bestaat het risico van een ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. Verdachte en zijn mededaders hebben kennelijk enkel oog gehad voor hun eigen financiële gewin. De feiten zijn gedurende een langere periode gepleegd en de goederen vertegenwoordigden een behoorlijke waarde. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij ondanks dat hij wist dat het niet in de haak was, is doorgegaan met het doen vadergelijke aankopen, puur voor zijn eigen gewin.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 maart 2021 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld onder meer voor (winkel)diefstal en oplichting. De rechtbank concludeert dat sprake is van recidive van vermogensdelicten.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de rapportages die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt waaronder:

- de rapportage Pro Justitia opgemaakt door mw. drs. R.C. Norp, GZ-psycholoog, onder supervisie van mw. drs. L. Heukelom, GZ-psycholoog, van 11 februari 2021;

  • -

    de rapportage en het advies van de Raad van 9 april 2021 en van 1 juni 2021;

  • -

    de rapportage en het advies van JBRA van 27 mei 2021.

De psycholoog komt in de Pro Justitia rapportage tot de volgende bevindingen en het volgende advies:

Er is bij verdachte sprake van gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van een disharmonisch intelligentieprofiel (beperkte handelingsvaardigheden) en een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis.
Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde, gezien het structurele karakter van de problematiek. Vanuit zijn problematiek heeft verdachte beperkt inzicht in oorzaak- gevolgrelaties en moeite om de gevolgen van zijn handelingen in te schatten.

Hij is voornamelijk op zichzelf gericht en houdt onvoldoende rekening met de behoeften en gevoelens van de ander. [verdachte] is egocentrisch ingesteld en is gericht op de eigen behoeftebevrediging. Zorgelijk is de lange tijdsduur van het tenlastegelegde feit en het berekende karakter. Ondanks zijn beperktere handelingsvaardigheden kan op basis van zijn verdere cognitieve vermogens worden verwacht dat hij weet heeft van wat goed en fout is, hij weet heeft van de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag en hij hier enige keuze in had. Het verloop van het tenlastegelegde kent een weinig impulsief karakter, er is sprake van een langer tijdbestek in recidive van vermogensdelicten, als het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard. Gezien het berekende karakter en de uitvoering van bewuste handelingen wordt geadviseerd verdachte het tenlastegelegde, indien bewezen, volledig toe te rekenen.

Zorgelijk is dat verdachte vanwege zijn hang naar erkenning en waardering vatbaar is voor negatieve beïnvloeding. Zijn problematiek, beïnvloedbaarheid en het beperktere toezicht en sturing vanuit de thuissituatie beïnvloeden de beschermende factoren negatief, waardoor hij vatbaarder is voor delinquent gedrag. Het recidiverisico wordt alles overziend als matig ingeschat. Vanuit zorgoogpunt wordt, ter vermindering van het recidiverisico en ter bevordering van een gunstige ontwikkeling, individuele en systemische behandeling gericht op inzicht krijgen zijn eigen gedragspatronen en gevolgen ervan evenals versterken van zijn copingsvaardigheden als noodzakelijk geacht. Verdachte dient te leren eigen verantwoordelijkheid te nemen en meer in contact te staan met zijn gevoelens en negatieve gevoelens te leren (h)erkennen en reguleren. Ook dient er aandacht besteed te worden aan de morele ontwikkeling van verdachte en zijn beïnvloedbaarheid. Van belang is dat moeder, naar haar mogelijkheden, bij de behandeling betrokken wordt in de vorm van ouderbegeleidingsgesprekken of systeemtherapie. Gedacht wordt aan een gespecialiseerde (forensische) instelling zoals de Waag of een soortgelijke instelling. Tenslotte wordt ook praktische hulp bij het vormgeven van zijn dagelijks leven noodzakelijk geacht, waarin een jeugdreclasseringstoezicht naast zijn coaches kan voorzien.
Binnen de begeleiding dient afgewogen te worden of verdachte in aanmerking komt voor een kamertrainingstraject of begeleid wonen en kan [verdachte] hiervoor gemotiveerd worden.
Ondanks dat er diverse strafrechtelijke interventies zijn ingezet vanwege eerdere veroordelingen, heeft verdachte tot op heden geen psychologische behandeling genoten. Behandeling prevaleert boven detentie en wordt als essentieel gezien om tot gedragsverandering te komen. Geadviseerd wordt om de geadviseerde behandeling, begeleiding door de jeugdreclassering en de coaches op te leggen in het kader van een jeugdreclasseringsmaatregel (ITB Harde Kern) als bijzondere voorwaarden bij een (fors) voorwaardelijk strafdeel.

Uit het onderzoek van de Raad komen zowel beschermende als risicofactoren naar voren. Beschermend is dat verdachte weer naar school gaat, een bijbaan heeft en meewerkt met de hulpverlening. Het is ook positief dat hij opener is richting de hulpverlening dan vroeger, maar hij blijft een beperkte motivatie houden ten aanzien van hulpverlening. De Raad ziet voornamelijk risicofactoren in het beperkte toezicht en de beperkte sturing van moeder en de houding en de vaardigheden van [verdachte] . De Raad heeft zorgen met betrekking op de kans op recidive door zijn beperkte inzicht in de consequenties van zijn gedrag, mate van
beïnvloedbaarheid en zijn beperkte morele ontwikkeling. De Raad deelt de mening van de psycholoog dat behandeling noodzakelijk is, gericht op inzicht krijgen in zijn eigen gedragspatronen en gevolgen ervan, evenals versterken van zijn coping vaardigheden.

Van belang is dat de betrokken hulpverlening ook de voorwaarden meeneemt waarvan [verdachte] eerder, toen hij in de Kleinschalige Voorziening verbleef zelf heeft aangegeven dat deze hem zullen helpen om niet meer met politie en justitie in aanraking te komen, namelijk het blijven meewerken aan de hulpverlening, naar school/stage gaan, werken voor zijn geld en leren 'nee' zeggen tegen verkeerde vrienden.
De Raad kan zich deels vinden in het advies van de psycholoog. Behandeling is belangrijker om de kans op recidive te verminderen dan een langere tijd in detentie. Verdachte is reeds aangemeld bij [kliniek] maar het is nog onduidelijk wanneer [kliniek] kan starten.

De Raad vraagt zich net als JBRA sterk af of systemische behandeling haalbaar zal zijn gezien de houding van moeder. De Raad ziet het belang van systemische behandeling, maar gezien de beperkte mate van haalbaarheid is de Raad van mening dat dit niet als bijzondere voorwaarde opgenomen moet worden in het strafadvies. De Raad vindt het belangrijk dat de IFA-coach verdachte blijft begeleiden.
De Raad kan zich niet vinden in het advies van de psycholoog met betrekking tot het
traject ITB Harde Kern. De Raad ziet voordelen in een strak en duidelijk kader met consequenties, echter wordt dit traject niet (volledig) uitgevoerd door JBRA. De Raad vindt een overstap naar een andere GI niet in het belang van verdachte. De Raad heeft daarom contact gezocht met de psycholoog om deze kwestie voor te leggen en te bezien welk kader dan het recidiverisico kan verminderen. Er is gesproken over zowel een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) als een toezicht en begeleiding. De psycholoog vindt een GBM nu niet passend aangezien verdachte nog maar één keer een toezicht en
begeleiding heeft gehad en hij nog niet heeft kunnen profiteren van behandeling. Daarnaast is verdachte ook (enigszins) gemotiveerd voor hulp en begeleiding. Het advies van de psycholoog is om een toezicht en begeleiding met behandeling als bijzondere voorwaarde op te leggen en het verlengen van het elektronisch toezicht voor het aanbrengen/behouden van structuur. De Raad kan zich vinden in dit aanvullend advies. De Raad is van mening dat er een forse stok achter de deur in de vorm van jeugddetentie tegenover moet staan.
De Raad concludeert tot een voorwaardelijke jeugddetentie onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich houdt aan de aanwijzingen van Jeugdbescherming regio Amsterdam;
- zijn medewerking verleent aan de IFA-coach;
- zijn medewerking verleent aan een zinvolle dagbesteding;
- zijn medewerking verleent aan behandeling van [kliniek] of een soortgelijke instelling;
- onderwijs en/of dagbesteding volgt volgens het aangegeven rooster;
- zijn medewerking verleent aan een contactverbod met de medeverdachten;
- zijn medewerking verleent aan elektronisch toezicht.
waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming regio Amsterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden.

JBRA kan zich behoudens de voorwaarde van elektronische controle vinden in het advies van de Raad. Verdachte lijkt zich met de huidige voorwaarden positief te ontwikkelen. Echter ziet JBRA ook dat verdachte de afgelopen tijd zijn best heeft gedaan. Het elektronisch toezicht had als doel om de avondklok te controleren. Dit is goed verlopen en verdachte was eenmalig 20 minuten te laat binnen. Hij heeft dit ook zelf aan JBRA laten weten en de reden hiervoor uitgelegd. JBRA is van mening dat verdachte de komende periode de kans dient te krijgen om te laten zien dat hij ook zonder elektronisch toezicht zich aan de avondklok kan houden.

Mocht het verdachte dan niet lukken om zich aan zijn bijzondere voorwaarde te houden dan zal JBRA verdachte terugmelden en de Rechtbank adviseren om als extra bijzondere voorwaarden het elektronisch toezicht toe te voegen. JBRA is van mening dat verdachte wel gebaat is bij een vaste structuur en adviseert dan ook een avondklok van zondag tot donderdag van 22:00 uur tot 05:30 uur. Zo kan verdachte zich de komende periode richten op het behalen van zijn diploma.

De rechtbank is, op grond van hetgeen de deskundigen in hun rapporten vermelden - en welke de rechtbank ten aanzien van de forensisch diagnostische conclusies overneemt -, tot het oordeel gekomen dat bij verdachte sprake is van gedragsproblematiek waarvoor behandeling nodig is. Voorts is sprake van een recidive risico dat zonder behandeling en begeleiding onveranderd blijft bestaan. Een stevig kader is nodig om de benodigde behandeling en begeleiding te waarborgen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk passend en geboden is. De rechtbank legt daarbij aan verdachte de na te noemen bijzondere voorwaarden op. De rechtbank heeft overwogen om elektronische controle op te leggen maar zal deze voorwaarde achterwege laten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte reeds een voorlopige hechtenis heeft ondergaan van twee en halve maand in de Kleinschalige Voorziening en inmiddels vier maanden in het kader van zijn schorsing onder elektronische controle staat. De ontwikkeling van verdachte is positief, hij heeft een zinvolle dag- en vrije tijdsbesteding en hij werkt mee aan het toezicht en de begeleiding van JBRA, Akwaaba Zorg en IFA. Hij heeft een visie over de toekomst en is hier met school, een bijbaan, een start up met een eigen kledinglijn en zijn zelfgemaakte muzieknummers op Youtube en Spotify, goed mee op weg. De rechtbank juicht verdachte toe zijn tijd en energie in zijn talenten te steken en zich niet meer te laten verleiden door snelle winst ten koste van een ander.

Het is passend bij de leeftijd van verdachte om zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen. Wel zal de rechtbank de avondklok voor drie maanden laten voortduren, zodat niet alle structuur in een keer wegvalt en hij zich kan richten op het behalen van zijn diploma.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van aangever [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] vordert € 598,51 aan materiële schadevergoeding en

€ 2000,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte ten aanzien van de handelingen gepleegd tegen [aangever 2] wordt vrijgesproken en dus geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

De vordering van de [bedrijf 17]

Vast staat dat aan de benadeelde partij [bedrijf 17] , te dezen wettelijk vertegenwoordigd door [persoon 3] , door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Van de aangevers, waaronder [aangever 1] en [aangever 3] , klanten bij de [bedrijf 17] , is geld van de betaal/spaarrekening gestolen. De [bedrijf 17] heeft haar klanten schadeloos gesteld. De [bedrijf 17] heeft onderzoekskosten gemaakt.

De vordering is door de raadsvrouw betwist. Zij heeft verzocht de vordering voor zover deze ziet op de aangevers in andere zaaksdossiers waarvoor verdachte niet is vervolgd niet-ontvankelijk te verklaren.

Voorzover de vordering ziet op aangever [aangever 3] is het verzoek verdachte hoofdelijk te veroordelen tot deelbetaling van de door verdachte aangekochte Notebook ter waarde van

€ 1.349,00. Voorzover de vordering ziet op aangever [aangever 1] is het verzoek verdachte hoofdelijk te veroordelen tot deelbetaling van de door verdachte aangekochte goederen bij de [bedrijf 6] , [bedrijf 3] , [bedrijf 1] , [bedrijf 8] en [bedrijf 10] .

Dat verdachte wetenschap heeft gehad van alle andere aangekochte goederen en/of geldopnames vanaf de rekening van [aangever 3] of [aangever 1] wordt door verdachte ontkend en blijkt niet uit het dossier.

De rechtbank volgt gelet op de bewezenverklaring de redenering van de raadsvrouw en concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 8.547,95 euro (achtduizend vijfhonderd en zevenenveertig euro en vijfennegentig eurocent).:

Ten aanzien van de rekening van [aangever 3] :

€1349,- [bedrijf 11]

Ten aanzien van de rekening van [aangever 1] :

€1399,- aan [bedrijf 1] , €1429,- aan [bedrijf 3] , €879,- aan [bedrijf 6] , €450,-aan [bedrijf 8] en €3041,95 aan [bedrijf 10] .

Dit bedrag zal worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Verdachte zal worden veroordeeld aan de [bedrijf 17] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [bedrijf 17] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.547,95 euro (achtduizend vijfhonderd en zevenenveertig euro en vijfennegentig eurocent).

11 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 7 juni 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13-225721-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 11 juli 2019 van de kinderrechter Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 30 uren niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 6 augustus 2019 aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel, te weten 30 uren werkstraf, te gelasten.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13 Beslissing

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat van deze straf het gedeelte van 4 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarden.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren

onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

 zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende 2 (twee) jaar op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    zijn medewerking verleent aan de IFA-coach;

  • -

    zijn medewerking verleent aan een zinvolle dagbesteding;

  • -

    zijn medewerking verleent aan behandeling van [kliniek] of een soortgelijke instelling;

  • -

    onderwijs en/of dagbesteding volgt volgens het aangegeven rooster;

  • -

    zich houdt aan de avondklok van 22.00 uur tot 5.30 uur; met ingang van 25 juni 2021 tot 25 september 2021;

  • -

    geen contact heeft met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en

[medeverdachte 3] voor de duur van een jaar.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 17], toe tot een bedrag van € 8.547,95 euro (achtduizend vijfhonderd en zevenenveertig euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [bedrijf 17] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 17] , te betalen de som van € 8.547,95 euro (achtduizend vijfhonderd en zevenenveertig euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 11 juli 2019, zijnde 30 uren werkstraf met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Dinjens, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. I.M. Nusselder en M.R. Bruning, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Nijland, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2021.

1 ECLI:RBAMS:2019:1517