Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:358

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
C/13/694870 / KG ZA 20-1151
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, verstrekken zakelijke bankrekening aan coffeeshophouder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2021/125 met annotatie van Hekman, T.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/694870 / KG ZA 20-1151 CdK/JE

Vonnis in kort geding van 2 februari 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 28 december 2020,

advocaat mr. J. de Groot te Amstelveen,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. D.M.H. de Leeuw en F.A. van de Wakker te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en ING worden genoemd.

1 De procedure

Op de zitting van 19 januari 2021 heeft [eiser] de vordering zoals omschreven in de dagvaarding verminderd en toegelicht. ING heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben schriftelijke stukken en een pleitnota ingediend. Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    [eiser] met mr. De Groot,

  • -

    aan de kant van ING: [naam 1] (CDD analist) en [naam 2] (bedrijfsjurist) met mr. De Leeuw en mr. Van de Wakker.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] exploiteert sinds 2011 als eenmanszaak een coffeeshop in Amsterdam onder de naam [naam coffeeshop] .

2.2.

[eiser] heeft twee privé betaalrekeningen bij ING.

2.3.

In 2012 en 2013 heeft ING verzoeken van [eiser] om een zakelijke rekening voor [naam coffeeshop] geweigerd.

2.4.

In 2015 is [naam coffeeshop] conform het openbare-orde-beleid tijdelijk gesloten geweest op last van de Burgemeester van Amsterdam, na een beschieting van de coffeeshop op [datum incident] . In diezelfde periode is een tiental andere coffeeshops in Amsterdam ook buiten de openingstijden beschoten. Nadat de burgemeester de coffeeshops niet meer automatisch sloot na een beschieting zijn de beschietingen geëindigd.

2.5.

In 2017 en in 2018 heeft [eiser] opnieuw bij ING verzoeken gedaan tot het verstrekken van een zakelijke rekening, hetgeen ING op 6 juli 2017 en 20 februari 2018 heeft geweigerd.

2.6.

In een brief van 5 augustus 2019 aan ING heeft mr. De Groot bericht dat [eiser] zich met de afwijzing van een zakelijke rekening niet kan verenigen en ING verzocht deze beslissing te heroverwegen.

2.7.

In reactie hierop heeft ING mr. De Groot op 21 november 2019 bericht dat het verstrekken van een zakelijke rekening aan [eiser] voor haar onacceptabele risico’s meebrengt. ING heeft zich bij haar weigering beroepen op haar contractsvrijheid. Verder heeft zij verwezen naar de sluiting van [naam coffeeshop] in 2015 in verband met de beschieting en naar zakelijk gebruik door [eiser] van zijn privérekening.

2.8.

Mr. De Groot heeft ING op 25 november 2019 opnieuw bericht dat [eiser] geen genoegen neemt met de afwijzing. Op 14 februari 2020 heeft ING aan [naam coffeeshop] laten weten de aanvraag te heroverwegen en verzocht het formulier “Aanvullende gegevens klant worden” in te vullen en voorzien van de gevraagde bijlagen aan ING retour te zenden.

2.9.

[eiser] heeft van eind februari tot eind juni 2020 in Marokko verbleven. Hij was van plan een paar weken te blijven, maar moest langer blijven omdat hij het land niet kon uitreizen in verband met de coronacrisis.

2.10.

In de periode 26 februari 2019 tot 23 juni 2020 is bij verschillende kantoren van ING in Amsterdam contant geld gestort op de privérekeningen van [eiser] , in totaal € 64.008,15 en € 93.259,90.

2.11.

In een e-mail van 5 maart 2020 heeft een medewerker van het administratiekantoor van [eiser] antwoorden gestuurd aan ING op de door haar op 14 februari 2020 gestelde vragen, met daarbij een aantal bijlagen.

2.12.

Op 7 april 2020 heeft ING aanvullende vragen gesteld met het verzoek deze binnen drie weken te beantwoorden.

2.13.

Op 25 juni 2020 heeft mr. De Groot een rapport van een registeraccountant van 20 juni 2020 over [naam coffeeshop] aan ING overgelegd. Daarin wordt opgemerkt dat de Belastingdienst in 2016 onderzoek heeft gedaan over de jaren 2012, 2013 en 2014 en dat uit dat onderzoek geen correcties nodig zijn gebleken inzake omzet en brutowinstmarge. Daarna zijn de aangiftes steeds door de Belastingdienst gevolgd. De conclusie van dat rapport is “dat het zeer goed mogelijk is dat de fiscaal gepresenteerde omzet ook daadwerkelijk in de onderneming wordt gerealiseerd”; “Het inkomen over de afgelopen jaren is dusdanig dat dit objectief benodigd is voor het levensonderhoud en privé bestedingen van de heer [eiser] ”;”er is niet van vermogensobjecten gebleken die niet zijn verantwoord in de aangiften inkomstenbelasting”; “er is een schuld van € 47.000,-- (familielening) gepresenteerd op de balans die uit privé middelen al is voldaan”; “Er is sprake geweest van een boekenonderzoek waarbij omzet en marges akkoord zijn bevonden.”.

2.14.

ING heeft per e-mail van 26 juni 2020 opheldering gevraagd over het gebruik van de betaalpas en pincode, behorend bij de privérekening van [eiser] , gedurende de periode waarin hij in Marokko verbleef. Op 6 juli 2020 heeft ING [eiser] nog een laatste gelegenheid gegeven te reageren en verzocht dit uiterlijk de volgende dag te doen.

2.15.

ING heeft bij brief van 9 juli 2020 [eiser] definitief een zakelijke bankrekening voor [naam coffeeshop] geweigerd en hem bericht dat zij de bankpassen van zijn privérekeningen had geblokkeerd. Zij heeft het verdere onderzoek gestaakt.

2.16.

In een brief van 12 augustus 2020 heeft mr. De Groot ING bericht dat [eiser] geen genoegen neemt met de weigering hem een zakelijke rekening te verstrekken. Daarnaast heeft hij ING erover geïnformeerd dat toen [eiser] in Marokko verbleef en langer moest verblijven door de vliegbeperkingen wegens de corona-besmettingen, zijn broer ervoor heeft gezorgd dat [naam coffeeshop] open kon blijven en dat deze de bankpas en pincode van [eiser] heeft gebruikt om contant geld op zijn privérekening te storten. Hij heeft verzocht [eiser] alsnog een zakelijke rekening te vertrekken, zonder stortingsfaciliteit.

2.17.

In een brief van 14 september 2020 aan mr. De Groot heeft ING bericht ook niet bereid te zijn een zakelijke rekening zonder stortingsfaciliteit te verstrekken.

2.18.

[eiser] heeft telkens een jaarvergunning voor [naam coffeeshop] en in dat kader laat de gemeente Amsterdam jaarlijks een toets op grond van de wet Bibob doen. Daaruit zijn geen bezwaren gebleken.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat en na vermindering van eis – ING te gebieden aan [eiser] een zakelijke bankrekening te verschaffen met de gebruikelijke betaalproducten en diensten, maar zonder pinautomaat en faciliteit voor het storten van contant geld, met veroordeling van ING in de proceskosten.

3.2.

[eiser] stelt daartoe – kort weergegeven – het volgende. Doordat hij voor [naam coffeeshop] geen zakelijke rekening kan openen, wordt het functioneren van de onderneming bemoeilijkt en het voortbestaan ervan op termijn in gevaar gebracht. Hij kan daardoor geen pinbetalingen van klanten ontvangen, waardoor veel contant geld in de onderneming omgaat. Dit brengt veiligheidsrisico’s mee en praktische problemen in de bedrijfsvoering. De contante betalingen zouden met rond de 70% afnemen, indien [naam coffeeshop] met een pinautomaat zou kunnen werken, hetgeen mogelijk wordt als hij een zakelijke bankrekening heeft. Weliswaar werkt ING kennelijk alleen met Visa en Mastercard die geen pinautomaat aan coffeeshops wensen te verstrekken, maar er zijn ook andere partijen met wie een overeenkomst voor een pinautomaat kan worden gesloten als hij een zakelijke bankrekening heeft. [naam coffeeshop] heeft de benodigde vergunningen, na zorgvuldige onderzoeken, onder meer op grond van de wet Bibob, en exploiteert een legale onderneming. Dat blijkt ook uit de onderzoeken van de Belastingdienst en uit het accountantsonderzoek. ING heeft een maatschappelijke functie en een daarmee corresponderende bijzondere zorgplicht, op grond waarvan zij gehouden is aan [eiser] een zakelijke bankrekening te verstrekken voor [naam coffeeshop] . Daarnaast is haar weigering dit te doen in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

3.3.

ING voert verweer dat er in de kern op neer komt dat zij gebonden is aan de bepalingen van de Wet financieel toezicht (Wft) en van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), dat zij onderzoek naar [naam coffeeshop] heeft gedaan, maar tegen omstandigheden is aangelopen voordat haar onderzoek was afgerond, waardoor zij aan [naam coffeeshop] geen zakelijke bankrekening ter beschikking wil stellen. Daarbij beroept zij zich op hun contractvrijheid. Bovendien heeft [naam coffeeshop] niet aangetoond dat zij bij een andere bank niet terecht kan. Op deze verweren wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in dit kort geding om de vraag of ING kan worden verplicht een zakelijke bankrekening te verstrekken aan [eiser] voor [naam coffeeshop] en aldus met hem een contractuele relatie aan te gaan. [eiser] heeft gelet op de transacties die met contant geld worden betaald, voldoende aangetoond spoedeisend belang bij de vordering te hebben.

4.2.

In dit vonnis wordt eerst de regelgeving waaraan banken dienen te voldoen toegelicht en dan de verplichtingen die uit de hierna te noemen Leidraad van de Nederlandsche Bank volgen. Daarna wordt het juridisch kader besproken voor de vraag of er contractvrijheid voor ING bestaat en wordt hetgeen ING aanvoert omtrent haar cliëntenonderzoek besproken. Tenslotte wordt beoordeeld of [eiser] tot nu toe voldoende heeft gedaan om met enige bank tot een zakelijke bankrelatie te komen.

Regelgeving en Leidraad

4.3.

Banken zijn op grond van de Wet financieel toezicht (Wft) verplicht zijn tot een integere bedrijfsvoering. De maatregelen die een bank neemt om betrokkenheid bij witwassen en terrorismefinanciering te voorkomen, maken daarvan deel uit. In dat kader dienen banken zich te houden aan verplichtingen neergelegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Artikel 3 lid 1 Wwft verplicht banken (voorafgaand aan de dienstverlening) cliëntenonderzoek te verrichten als onderdeel van een integere bedrijfsvoering en het beheersen van specifieke integriteitsrisico’s. Al naar gelang de cliënt, het product, de dienst, de transactie, het leveringskanaal, het land of de geografie bestaat er een verhoogd risico op witwassen en financiering van terrorisme (vgl. 3.3 en 3.4 van de hierna te noemen Leidraad). De bank heeft een eigen taak bij het bepalen van het risico op witwassen of financiering van terrorisme en daarmee ook bij het op dat risico af te stemmen cliëntenonderzoek en integriteits- en acceptatiebeleid (vgl. artikel 3 lid 8 Wwft).

4.4.

De herziene Leidraad “Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en Sanctiewet (Sw)" van de Nederlandsche Bank (versie december 2020) bevat bepalingen voor verscherpt cliëntenonderzoek bij cliënten met potentieel hoger risico, waaronder bedrijven vallen waar veel geldverkeer in contanten plaatsvindt.1 De Nederlandsche Bank benadrukt dat een verhoogd risico

dus niet betekent dat bij dit type cliënten het aangaan van een bankrelatie categoraal geweigerd kan worden. Er dient steeds cliëntenonderzoek plaats te vinden. Dit is in lijn met de brief van de minister van Financiën van 18 januari 2010.2 Daarin verwoordt de minister dat hij de dreigende situatie dat coffeeshops van iedere vorm van bancaire dienstverlening uitgesloten worden ongewenst vindt. Voorts heeft hij aangegeven dat het noodzakelijk is dat zeker gesteld wordt dat naast legale ook gedoogde bedrijven toegang hebben tot betaalfaciliteiten. Deze bedrijfstakken categoraal uitsluiten van betaalfaciliteiten die noodzakelijk zijn voor een maatschappelijk geaccepteerde deelname aan het economisch verkeer, is ongewenst. Zonder een pakket primaire betaalfaciliteiten is het volgens de minister immers praktisch onmogelijk om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. De minister heeft dit besproken en afspraken gemaakt met de Nederlandse Vereniging van Banken en die hebben verklaard zich hieraan te houden. Tegen deze achtergrond dient de contractvrijheid van de banken te worden beschouwd.

Contractvrijheid

4.5.

ING heeft zich beroepen op het fundamentele beginsel van contractvrijheid, dat meebrengt dat het eenieder vrijstaat het aangaan van een overeenkomst te weigeren, zonder verantwoording verschuldigd te zijn over de redenen daarvoor. Volgens ING bestaat in dit geval geen juridische grondslag die een inbreuk hierop rechtvaardigt, zodat zij niet verplicht kan worden te contracteren met een niet-consument. Een verplichting tot het ter beschikking stellen van een zakelijke bankrekening kan niet worden opgelegd op basis van de zorgplicht van de bank, er is immers nog geen bankrelatie op basis waarvan die zorgplicht geldt en evenmin kan dit worden gebaseerd op artikel 2:5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo. 4:71f Wft.

4.6.

De contractsvrijheid is voor banken niet onbegrensd. Er bestaat een wettelijke verplichting een betaalrekening te verstrekken aan consumenten (de basisbankrekening), zoals is opgenomen in artikel 4:71f Wft, die is gebaseerd op de EU-richtlijn (2014/92/EU). Deze richtlijn geldt expliciet niet voor (kleine) bedrijven3, maar dat betekent niet dat de contractsvrijheid van banken ten opzichte van niet-consumenten in het geheel niet kan worden ingeperkt. De maatschappelijke functie van een bank brengt immers een bijzondere zorgplicht mee, zowel ten opzichte van bestaande cliënten als van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het onmogelijk is in Nederland om legale of door de overheid gedoogde bedrijfsmatige activiteiten te ontplooien zonder toegang te hebben tot het betalingsverkeer, waarvoor een bankrekening nu eenmaal is vereist. Alleen al de Belastingdienst accepteert immers slechts girale betalingen van loonheffingen en (vennootschaps-) belasting. Een bank kan daarom onder bijzondere omstandigheden worden verplicht een contractuele relatie aan te gaan met een rechtspersoon of persoon die niet als consument handelt. Dit kan gevergd worden van met name de systeembanken, gelet op hun cruciale rol binnen de Nederlandse samenleving. Een weigering een zakelijke rekening te verstrekken, kan afhankelijk van de omstandigheden onrechtmatig zijn jegens de betreffende derde. In zoverre vult de voorzieningenrechter de gronden van de vordering aan.

Cliëntenonderzoek

4.7.

In dit geval gaat het om een coffeeshop, waar zonder een zakelijke bankrekening geen pinfaciliteit kan worden verkregen en waar in dat geval uitsluitend contant geld rondgaat. Algemeen bekend is dat er een achterdeurproblematiek speelt bij de aanlevering van de softdrugs, in zoverre ontvangt elke coffeeshop niet-legale leveranties. Dit aspect alleen kan niet tot weigering van de bankrelatie leiden. Voorts behoeft gelet op de onder 4.4. weergegeven standpunten van de minister van Financiën en de Nederlandsche Bank geen nadere overweging te worden gewijd aan het grote risico voor de coffeeshophouder en zijn medewerkers en daarmee het maatschappelijk belang, indien zij te veel contant geld bij zich dragen, wat gebeurt als zij niet de mogelijkheid krijgen zoveel mogelijk pinbetalingen te laten plaatsvinden. Mede daarom is het noodzakelijk om over een zakelijke bankrekening te beschikken.

4.8.

ING heeft gewezen op haar verplichtingen op grond van de Wft en de Wwft, die meebrengen dat zij bij risicovolle potentiële klanten zoals coffeeshops verscherpt cliëntenonderzoek moet verrichten. Volgens ING kan zij geen zakelijke rekening verstrekken aan [eiser] ten behoeve van [naam coffeeshop] , omdat dit onacceptabele risico’s mee zou brengen. In dat kader heeft ING aangevoerd dat [naam coffeeshop] betrokken is geweest bij een schietincident in 2015, waaruit volgens ING een link met de criminaliteit blijkt, in een sector die al verhoogde integriteitsrisico’s met zich brengt vanwege de grotere risico’s op witwassen.

4.9.

In de periode waarin de beschieting heeft plaatsgevonden, zijn meerdere coffeeshops in Amsterdam beschoten. Uit niets blijkt dat deze actie specifiek was gericht tegen [eiser] of [naam coffeeshop] . Aannemelijk is dat dit geen aan [naam coffeeshop] gerelateerd incident betrof, maar een breder probleem, dat weer is opgehouden nadat de burgemeester van Amsterdam in overleg met de coffeeshophouders het openbare ordebeleid van sluiting van coffeeshops na een incident had gewijzigd. De conclusie van ING dat het incident een link met de criminaliteit aantoont, is voorshands dan ook niet gerechtvaardigd.

4.10.

Daarbij komt dat er onvoldoende andere aanwijzingen zijn dat [naam coffeeshop] een integriteitsrisico mee brengt – afgezien van de achterdeurproblematiek, die inherent is aan coffeeshops. Bij iedere verlenging van de exploitatievergunning vindt een Bibob-toets ten aanzien van strafrechtelijke handelen plaats. Deze toets is steeds positief uitgevallen en aan [naam coffeeshop] is steeds opnieuw een vergunning verleend. Ook is onbetwist dat [naam coffeeshop] voldoet aan alle veiligheidsvoorwaarden die de gemeente haar oplegt, zoals het plaatsen van camera’s. Daarnaast is in het onderzoek van de registeraccountant die daarvan op 20 juni 2020 verslag heeft gedaan niet van onregelmatigheden gebleken. Uit het verslag van de registeraccountant blijkt verder dat in 2016 een controle is uitgevoerd door de Belastingdienst, waaruit geen correcties zijn voortgekomen ter zake van de omzet en bruto winstmarge. Bovendien is aan een betaalrekening zonder faciliteiten voor het storten van contant geld – zoals [eiser] vordert – een minder groot risico op witwassen verbonden. De in dit verband door ING opgeworpen bezwaren kunnen dan ook in redelijkheid niet aan het verstrekken van een zakelijke rekening zonder stortingsfaciliteit in de weg staan.

4.11.

ING heeft verder aangevoerd dat het vertrouwen ontbreekt dat noodzakelijk is voor het aangaan van een bancaire relatie. Daartoe heeft ING gesteld dat [eiser] zijn privérekening op structurele basis heeft gebruikt voor zakelijke transacties van [naam coffeeshop] en dat hij zijn bankpas en pincode in gebruik heeft gegeven aan een derde. Toen ING hem hierover via mr. De Groot vragen stelde, heeft zij wekenlang geen reactie ontvangen. Pas na blokkade van de betaalpassen van [eiser] ontving zij een reactie, aldus ING.

4.12.

[eiser] heeft verklaard dat hij geen andere keuze had dan het gebruiken van zijn privérekening voor de storting van contante gelden en voor betalingen voor [naam coffeeshop] , omdat hem stelselmatig een zakelijke rekening was geweigerd. Ook heeft [eiser] een uitleg gegeven voor het in gebruik geven van zijn bankpas en pincode, in de periode dat hij vanwege coronamaatregelen gedwongen was langer in Marokko te blijven dan de geplande twee weken. Zijn broer heeft toen de exploitatie van [naam coffeeshop] voortgezet en in de coffeeshop waren steeds grotere hoeveelheden contant geld aanwezig, hetgeen veiligheidsrisico’s meebracht voor zijn broer en het personeel. Daarom heeft [eiser] zijn broer verteld waar de bankpas van zijn privérekening lag, zodat daarop het contante geld gestort kon worden. Het was een noodsituatie waarin hij moest kiezen tussen de veiligheid van zijn broer en het personeel enerzijds en het overtreden van de voorwaarde dat een pinpas en -code niet aan anderen mag worden verstrekt anderzijds, aldus [eiser] .

4.13.

Overwogen wordt dat in [naam coffeeshop] grote hoeveelheden contant geld binnenkomen, mede doordat haar klanten niet kunnen pinnen. Zoals gezegd is aannemelijk dat het veiligheidsrisico’s meebrengt indien dit contante geld in de onderneming aanwezig blijft. Daarnaast vereisen allerlei instanties, waaronder de Belastingdienst, girale betaling. In dit licht is het zakelijke gebruik door [eiser] van zijn privérekening, hoewel niet toegestaan in de door ING gehanteerde voorwaarden, op zijn minst begrijpelijk. Zoals hiervoor overwogen is het vrijwel onmogelijk en volgens de minister van Financiën met betrekking tot coffeeshops onwenselijk een bedrijf te exploiteren, zonder te beschikken over een betaalrekening bij een bank. [eiser] heeft al in 2012 verzocht hem een zakelijke rekening te verstrekken en toen hem dit werd geweigerd, heeft hij betalingen via zijn privérekening laten verlopen. Er is geen reden om aan te nemen dat hij hiermee zou doorgaan, als hij zou beschikken over een zakelijke rekening.

4.14.

Het in gebruik geven door [eiser] van de bankpas en pincode van zijn privérekening aan zijn broer is ook in strijd met de voorwaarden van ING. Gelet op de hiervoor door [eiser] gegeven verklaring en de door hem geschetste omstandigheden, is echter het in gebruik geven van de bankpas en pincode aan zijn broer niet in die mate onzorgvuldig dat dit het verstrekken van een zakelijke rekening aan [eiser] in de weg mag staan. Hetzelfde geldt voor de late beantwoording van de vragen van ING over het gebruik van de bankpas en pincode. [eiser] was in Marokko een tijd in een dorp in de bergen, waar hij geen internet had. Verder had de opstelling van ING hem murw gemaakt voor het opnieuw beantwoorden van vragen. Aannemelijk is bovendien dat het in gebruik geven van de bankpas en pincode te maken had met de uitzonderlijke omstandigheid dat [eiser] door het uitbreken van de coronacrisis onverwacht lange tijd niet naar Nederland kon terugkeren. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan zijn toezegging in de toekomst zijn bankpas en pincode niet opnieuw aan een derde in gebruik te geven.

4.15.

Gelet op het voorgaande, kan ING op dit moment niet met succes aan [eiser] tegenwerpen dat zij het vertrouwen in hem heeft verloren. ING heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het objectief gerechtvaardigd is dat zij het vertrouwen heeft verloren dat vereist is voor het aanbieden van een betaalrekening zonder faciliteiten voor het storten van contant geld.

4.16.

Het onderzoek van ING is naar haar zeggen op dit moment nog niet afgerond. Opmerking verdient dat aannemelijk is dat [eiser] niet zonder risico kan blootgeven wie zijn leveranciers zijn zoals ING vraagt, aangezien aan coffeeshops altijd illegale leveranties plaatsvinden (de achterdeurproblematiek). Daarom kan van [eiser] niet gevergd worden dat hij volledig antwoord geeft op deze vragen van ING. De vragen die ING nog heeft, dienen voldoende specifiek aan [eiser] te worden voorgelegd en een eventuele weigering op andere gronden dan die hiervoor reeds zijn besproken, dient door ING afdoende te worden gemotiveerd. Indien hij de nog openstaande vragen van ING naar tevredenheid beantwoordt, is ING, als de bank die met [eiser] al een contractuele relatie heeft uit hoofde van zijn privérekening en waarop ING zodoende enige controle kan uitoefenen, de aangewezen partij om aan [eiser] een zakelijke rekening te verschaffen. Het dan nog niet verstrekken van een zakelijke bankrekening zou maatschappelijk onbetamelijk zijn jegens [eiser] .

Inspanningen [eiser]

4.17.

[eiser] heeft gesteld dat zijn belang daarin is gelegen dat hij bij andere banken niet terecht kan, omdat ook die weigeren een zakelijke rekening voor [naam coffeeshop] te verstrekken. ING betwist dat [eiser] dit afdoende heeft aangetoond. Ter zitting heeft hij e-mailcommunicatie met ABN AMRO Bank getoond, waaruit blijkt dat deze bank zijn verzoek om een zakelijke bankrekening eind vorig jaar heeft afgewezen. De reden waarom deze bank hem niet als klant heeft geaccepteerd is echter niet duidelijk geworden. Daarnaast heeft [eiser] niet aangetoond een zakelijke rekening te hebben aangevraagd bij de andere systeembanken, te weten Rabobank en SNS Bank. Immers, als de banken die deze cruciale positie in onze samenleving innemen allemaal een bankrelatie weigeren, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen mogelijkheid heeft om met een andere bank een bankrelatie aan te gaan. Voorshands is dus niet aannemelijk dat [eiser] zich in dit verband voldoende heeft ingespannen. Hiervoor dient [eiser] met stukken te onderbouwen dat hij bij deze drie banken een aanvraag heeft gedaan en dat hij de door deze banken gestelde vragen heeft beantwoord, maar dat deze hem desondanks als zakelijke klant hebben geweigerd. Dit leidt tot de conclusie dat, nu niet aannemelijk is gemaakt dat [eiser] met [naam coffeeshop] bij geen andere bank terecht kan en dus verstoken blijft van deelname aan het betalingsverkeer, de weigering van ING om aan [eiser] een zakelijke rekening te verstrekken op dit moment niet onrechtmatig is. De vordering van [eiser] zal dan ook worden afwezen, met compensatie van de proceskosten tussen partijen, nu de door ING aangedragen omstandigheden nog niet tot weigering van de zakelijke bankrekening hadden mogen leiden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening,

5.2.

compenseert de kosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.M. Eisenhardt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.4

1 Met verwijzing naar pagina 46 van de Leidraad en Bijlage III van richtlijn 2015/849 zoals aangepast in richtlijn 2018/843: 1. Cliëntgebonden risicofactoren: (...) e. bedrijven waar veel geldverkeer in contanten plaatsvindt;

2 TK kamerstuk 27863 nr. 35

3 Richtlijn 2014/92/EU, overweging (12): “Rekeningen die door bedrijven, zelfs kleine of micro- ondernemingen, worden aangehouden, tenzij deze op persoonlijke titel worden aangehouden, vallen buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn”.

4 type: JE coll: MV