Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3562

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2764
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOB. Eiser heeft bij de gemeente een Wob-verzoek ingediend, waarmee hij tot doel heeft om op een aantal punten duidelijkheid te krijgen. Zo zou eiser meer inzicht willen krijgen in wat er tussen 2010 en 2015 met de door de makelaars en taxateurs opgestelde taxatierapporten voor de herziening van de erfpachtcanon is gebeurd, ook specifiek ten aanzien van het zogenoemde bouwblok KM02. Daarnaast zou eiser ook meer inzicht willen krijgen in de stukken over de door de gemeente aangestelde Grondwaardecommissie, bestaande uit professoren, die hebben geadviseerd bij het vaststellen van een nieuwe eeuwigdurende erfpacht. Verweerder meent dat de wet hem niet verplicht tot verdergaande openbaarmaking dan uiteindelijk is gedaan. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/2764

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. O. Chraibi en mr. J.J.R. Lautenbach).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een aantal besluiten van verweerder op verzoeken van hem tot openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Bij brief van 9 maart 2021 heeft verweerder de rechtbank een rectificatie gestuurd ten aanzien van een verklaring van diens gemachtigde ter zitting.

Bij e-mail van 16 maart 2021, gericht aan de gemachtigde van verweerder met de griffier in de CC, heeft eiser gereageerd op de brief van 9 maart 2021 en heeft hij verzocht om nog een rectificatie. Bij e-mail van 8 april 2021 heeft eiser de rechtbank nadere informatie gezonden.

De rechtbank heeft voormelde correspondentie opgevat als verzoeken om heropening van het onderzoek. De rechtbank heeft partijen bericht dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het onderzoek te heropenen. De rechtbank heeft de nieuwe stukken niet bij de beoordeling betrokken, behoudens de rectificatie van verweerder. De rectificatie van verweerder zal de rechtbank wel meenemen, omdat dit in het voordeel van eiser is.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging

1. Eiser is bestuurslid van de Amsterdamse Woon- en Erfpachtvereniging en uit dien hoofde betrokken bij de materie van erfpacht in Amsterdam. De gemeente mag ten aanzien van de erfpacht veel eenzijdig vaststellen. Eiser wil controleren of dit goed gebeurt. Vanuit dit oogpunt doet eiser met regelmaat Wobverzoeken bij verweerder.

2. Eiser heeft ter zitting toegelicht, welke toelichting door verweerder is bevestigd, dat de gemeente in de periode 1990-2010 voor het vaststellen van de erfpacht met een rekenmethode rekende waarbij de gemeente uitging van 13% van de grondwaarde. Bij de gemeente heeft vervolgens een beleidswijziging plaatsgevonden, waarna er vanaf 2010/2011 door de gemeente een nieuwe taxatiemethode voor het vaststellen van de erfpacht werd toegepast. Deze nieuwe rekenmethode heeft de gemeente toegepast op het bouwblok [bouwblok] , hetgeen heeft geleid tot verhoging van de canon. Na deze eenmalige toepassing heeft de gemeente deze manier van taxeren niet voortgezet. In 2014 is vervolgens de Grondwaardecommissie ingesteld om te adviseren over een nieuw erfpachtstelsel dat gericht is op het vaststellen van eeuwigdurende erfpacht.

3. Eiser heeft naar aanleiding van het bovenstaande bij de gemeente een Wob-verzoek ingediend. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn onderhavige Wob-verzoek tot doel heeft op een aantal punten duidelijkheid te krijgen. Eiser zou meer inzicht willen krijgen in wat er tussen 2010 en 2015 met de door de makelaars en taxateurs opgestelde taxatierapporten voor de herziening van de erfpachtcanon is gebeurd, ook specifiek ten aanzien van het zogenoemde bouwblok [bouwblok] . Daarnaast zou eiser ook meer inzicht willen krijgen in de stukken over de door de gemeente aangestelde Grondwaardecommissie, bestaande uit professoren, die hebben geadviseerd bij het vaststellen van een nieuwe eeuwigdurende erfpacht. Uit eerder door eiser verkregen notulen blijkt volgens hem dat de gemeente externe beïnvloeding en druk heeft uitgeoefend. Ook wenst eiser inzage in het zogeheten “Memo MT aanvulling CHET”.

4. Verweerder meent dat de wet hem niet verplicht tot verdergaande openbaarmaking dan uiteindelijk is gedaan.

5. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennis genomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken.

Het oordeel van de rechtbank

Namen van de taxateurs

6.1.

Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij de door verweerder geweigerde namen van de taxateurs graag openbaar wil hebben. De erfpachtkamer bestaat volgens eiser slechts uit elf mensen, waarbij hij de namen van [naam1] , [functie 1] van de erfpachtkamer van de makelaarsvereniging Amsterdam, en [naam2] , [functie 2] van de erfpachtkamer, vaak terug ziet komen in de deskundigencommissies. Eiser heeft berichten gekregen dat [naam2] verantwoordelijk is voor 70% van de deskundigentaxaties bij de gemeente en [naam1] verantwoordelijk is voor 68% hiervan. Eiser wil graag kunnen bevestigen dat [naam2] en [naam1] belangrijke deskundigen voor de gemeente zijn. Bij een dergelijk hoog percentage van betrokkenheid kunnen volgens eiser vragen worden gesteld bij de onafhankelijkheid van de deskundigen ten opzichte van de gemeente. Het gaat eiser enkel en alleen om inzage te krijgen in het aantal keer dat [naam2] en [naam1] als deskundige in taxatierapporten voor de gemeente optraden.

6.2.

De rechtbank stelt voorop dat de Wob geen plicht tot het vergaren en openbaren van bestuursinformatie bevat die niet reeds is vastgelegd in documenten. Verweerder was dus niet gehouden om naar aanleiding van het verzoek van eiser een totaaloverzicht te maken van het aantal keer dat [naam2] en [naam1] als deskundige in taxatierapporten voor de gemeente optraden.

6.3.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat in de inventarislijst (de zogeheten A-lijst) slechts één taxatierapport (nummer 034) wordt genoemd.

6.4.

Volgens vaste rechtspraak1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zijn namen persoonsgegevens en het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen openbaarmaking daarvan verzetten. Uit de rechtspraak kan echter niet worden afgeleid dat namen nimmer openbaar hoeven te worden gemaakt. Het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer dient per geval te worden afgewogen tegen het belang van de openbaarmaking.

6.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, de namen van de taxateurs op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob niet openbaar hoefde te maken. De namen van de taxateurs raken direct hun persoonlijke levenssfeer. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de taxateurs dient dan ook te prevaleren boven het algemene belang van openbaarmaking. Verweerder heeft onbetwist toegelicht dat de publicatie van de namen van de taxateurs in eerdere besluiten een fout betrof. Deze fout hoeft verweerder niet te herhalen.2 Voor zover eiser heeft gesteld dat de taxateurs uit hoofde van hun functie in de openbaarheid zouden treden, waardoor aan de persoonlijke levenssfeer een ander gewicht toekomt, overweegt de rechtbank dat het taxatierapport is geadresseerd aan verweerder. De taxateurs presenteerden hun bevindingen daarmee niet in de openbaarheid.3 Ook overweegt de rechtbank dat, voor zover eiser zich ter zitting onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4262 op het standpunt heeft gesteld dat verweerder de namen van de taxateurs openbaar moet maken, in die zaak sprake is van documenten van een andere aard. Ook dit betoog slaagt dus niet.

Onvolledige openbaarmaking taxatie bouwblok [bouwblok]

7.1.

Volgens vaste rechtspraak4 van de Afdeling is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

7.2.

Volgens eiser is het ongeloofwaardig dat er niet meer documenten zijn, dan verweerder heeft overgelegd. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar het (deels openbaar gemaakte) Taxatierapport Canonherziening Einde Tijdvak, de Reactie op het concept taxatierapport [bouwblok] van 7 december 2010, het Verslag Taxateursoverleg van 15 november 2010 en de e-mail ‘Aanvraag offerte voor second opinion’ van 16 december 2010.

7.3.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de gesprekken die met de taxatiedeskundigen zijn gevoerd niet op schrift zijn vastgelegd. In die tijd gebeurde dat ook niet structureel. De bevindingen uit de gesprekken zijn mondeling teruggekoppeld aan andere betrokken collega’s die niet bij de gesprekken aanwezig waren. Ook heeft verweerder toegelicht dat na het gesprek met de taxatiedeskundigen bij het eerstvolgende taxatierapport de omstreden [bouwblok] -taxatiemethode niet meer is gebruikt. In plaats daarvan hanteerden zij een andere, beter onderbouwde, methode. Hiermee was de noodzaak tot verder onderzoek naar de [bouwblok] -taxatiemethode ook weg. Om die reden zijn hiervan geen beleidsdocumenten gemaakt, anders dan die welke (deels) zijn geopenbaard. Verweerder heeft tevens ter zitting de zoekslag uiteengezet. Zo heeft verweerder de interne systemen geraadpleegd, is navraag gedaan bij de ambtenaren van de gemeente Amsterdam die aanwezig waren bij de gesprekken met de taxateurs inzake [bouwblok] en is in bezwaar het fysieke bedrijfsarchief geraadpleegd. Deze zoekslagen leverden geen positief resultaat op. Op de zitting heeft verweerder gezegd dat bij de Grondwaardecommissie is gecheckt of daar stukken over dit punt liggen, maar die mededeling was onjuist, zo heeft verweerder in de rectificatie laten weten.

7.4.

Ook zonder de check bij de Grondwaardecommissie acht de rechtbank niet ongeloofwaardig, gelet op de door verweerder gegeven toelichting en de beschreven zoekslag, dat alle bij verweerder berustende documenten zijn gelicht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er, over dit aspect, nog meer documenten bij verweerder berusten.

Verstrekken financiële model

8. Verweerder heeft ter zitting het standpunt herhaald dat het financiële model niet is aangetroffen in haar bestanden, ook niet bij herhaalde navraag. Het financiële bestand bestond uit een aantal omvangrijke databestanden die te zwaar waren voor het computersysteem van verweerder. Om deze reden is het financiële model op de lokale schijven van twee nieuw aangeschafte laptops geplaatst. Bij navraag is gebleken dat deze laptops niet meer in gebruik zijn door de medewerkers van verweerder die destijds met het financiële model hebben gewerkt. De laptops zijn bij anderen in gebruik en overschreven met andere informatie. Ook de link naar Docwerker, de digitale omgeving van verweerder waarin het financiële model is gedeeld, is volgens verweerder inmiddels verlopen. Hierdoor zijn de bestanden van het financiële model niet meer te achterhalen. Verweerder heeft ter zitting echter wel erkend dat bij de interne ICT’ers navraag gedaan had kunnen worden of het financiële model nog ergens kan worden aangetroffen. Nu dit niet is gedaan, is de zoekslag naar het oordeel van de rechtbank niet volledig geweest. Er is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank merkt hierbij op dat, zoals ter zitting is besproken, verweerder bij een nieuwe zoekslag – mogelijk juridisch onverplicht, maar niettemin verkiesbaar vanuit praktisch oogpunt – ook navraag kan doen bij Ortec Finance B.V.

E-mailcorrespondentie verweerder en Ortec Finance B.V.

9. De rechtbank overweegt ten aanzien van de door eiser verzochte emailcorrespondentie tussen verweerder en Ortec Finance B.V. dat verweerder in het bestreden besluit niet alle onder hem berustende documenten heeft geopenbaard. Uit het besluit met het kenmerk 2020-7536 blijkt namelijk dat er nog meer emailcorrespondentie onder verweerder berustte dat niet eerder (deels) is geopenbaard. Deze grond van eiser slaagt dus.

E-mailcorrespondentie ambtelijk secretaris Grondwaardecommissie

10.1.

Voor zover verweerder de openbaarmaking van de e-mailcorrespondentie van de secretaris van de Grondwaardecommissie heeft geweigerd, omdat deze documenten zich niet onder verweerder bevinden, overweegt de rechtbank als volgt.

10.2.

De gemeente is ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon. Voor de vraag of de Grondwaardecommissie kan worden beschouwd als een orgaan daarvan, is blijkens de memorie van antwoord op artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Awb de aanwezigheid van een publiekrechtelijke grondslag bepalend. De rechtbank stelt vast dat van een dergelijke publieksrechtelijke grondslag geen sprake is bij de Grondwaardecommissie.

10.3.

Dit betekent dat de Grondwaardecommissie niet als orgaan van de gemeente kan worden beschouwd, en dat verweerder ook niet verplicht was om het verzoek van eiser aan die commissie door te zenden ter afdoening. Verweerder heeft ook geen toegang tot het archief c.q. de stukken bij de Grondwaardecommissie waarom eiser heeft verzocht. De door eiser verzochte interne emailcorrespondentie van de Grondwaardecommissie bevindt zich ingevolge artikel 1, onder a, van de Wob daarom niet onder verweerder. Verweerder is dan ook niet verplicht deze documenten onder de Wob te beoordelen. Het gegeven dat de secretaris van de Grondwaardecommissie een ambtenaar van verweerder is maakt dit oordeel niet anders. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 20035 is, hoewel iemand een ambtenaar is van de gemeente, hij in zijn functie van een commissie onafhankelijk van het college en valt hij in zoverre niet onder diens verantwoordelijkheid.

10.4.

Voor zover ter zitting door eiser is gesteld dat zijn Wob-verzoek te beperkt is opgevat ten aanzien van de externe emailcorrespondentie van de Grondwaardecommissie met verweerder over een bepaalde periode, volgt de rechtbank dit betoog niet. Naar het oordeel van de rechtbank is het Wob-verzoek van eiser niet zo ondubbelzinnig gericht op een bepaalde periode als eiser stelt. Verweerder heeft het Wob-verzoek daarom niet te beperkt opgevat. De rechtbank merkt hier wel bij op dat eiser en verweerder in het kader van efficiëntie en de onder rechtsoverweging 8 opgedragen (nieuwe) zoekslag, ook hier over de door eiser verlangde informatie in gesprek kunnen treden.

Weigering ‘Memo MT aanvulling CHET’

11.1.

Verweerder heeft geweigerd dit memo openbaar te maken onder verwijzing naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. De rechtbank is – na kennisname van het betreffende stuk – van oordeel dat die weigering niet deugdelijk is gemotiveerd. In het stuk worden risico’s benoemd over het al dan niet voeren van een hoorprocedure. De motivering onder punt 4.3 van het advies van de bezwaarcommissie, waarnaar verweerder heeft verwezen, vindt de rechtbank daarom onvoldoende. De rechtbank ziet niet in hoe kennis van het stuk kan leiden tot een verminderde kwaliteit van taxatierapporten. Het stuk dateert bovendien uit 2014, waardoor de rechtbank ook daarom niet inziet waarom en hoe openbaarmaking van de inhoud nu nog tot benadeling leidt. Voor zover er al sprake zou zijn van benadeling, ziet de rechtbank niet in dat in dit geval kan worden gesproken van een onevenredige benadeling, hetgeen voor toepassing van de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob is vereist.

11.2.

Het beleid van verweerder staat toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Wob enkel toe in combinatie met een op artikel 10 van de Wob gebaseerde weigeringsgrond. Toetsing aan dit artikel heeft derhalve geen meerwaarde en laat de rechtbank dan ook achterwege.

Conclusie

12.1.

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12.2.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de emailcorrespondentie met Ortec, het financiële model en het memo MT aanvulling CHET;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond voor het overige;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzitter, en mr. H.J. Tijselink en mr. A.C. Loman, leden, in aanwezigheid van mr. L.H.J. van Haarlem, griffier. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2060.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1647.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2019:BL1844.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:270.

5 Zie ECLI:NL:RVS:2003:AF6023