Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3544

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
81/128470-20 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verbeurdverklaring van ten verkoop aangeboden voorwerp van nijlpaardivoor. Ontslag van rechtsvervolging voor het ten verkoop aanbieden van voorwerpen van olifantenivoor: genoegzaam aangetoond dat sprake was van antiek ivoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 81/128470-20 (Promis)

Datum uitspraak: 9 juli 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1945,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juni 2021 en mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting voor de politierechter van 22 januari 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.S. Mackor en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – samengevat – van beschuldigd dat hij zich op 26 september 2019 schuldig heeft gemaakt aan het ten verkoop aanbieden van een groot aantal ivoren voorwerpen. Het gaat om 33 snijwerken van olifantenivoor en één snijwerk van nijlpaardivoor.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit in de opzetvariant heeft begaan, voor wat betreft 28 schaakstukken en één armband van olifantenivoor en één voorwerp van nijlpaardivoor. De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken van de haartang en de drie “horen, zien en zwijgen”-beeldjes, omdat gebleken is dat die voorwerpen geen ivoor bevatten.

3.2.

Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft geen verweer gevoerd tegen een mogelijke bewezenverklaring wat betreft de schaakstukken, de armband en het voorwerp van nijlpaardivoor.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt, net als de officier van justitie, niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan wat betreft de haartang en de “horen, zien en zwijgen”-beeldjes. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank vindt wel bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan wat betreft de 28 schaakstukken, de armband en het voorwerp van nijlpaardivoor. Daarvoor zijn in het bijzonder van belang de bekennende verklaring van verdachte (opgenomen in het SAM proces-verbaal Cités) en het relaas van determinatie. Daaruit volgt dat verdachte de ivoren voorwerpen opzettelijk te koop heeft aangeboden.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte

op 26 september 2019 te Amsterdam opzettelijk heeft gehandeld in strijd met bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschriften van een EU-verordening, te weten artikel 8 lid 1 en 5 van de Basisverordening (EG) nr. 338/97,

immers heeft hij, verdachte, specimen van de in bijlage A en B bij deze verordening genoemde soorten, te weten:

  • -

    één armband van olifantenivoor (Loxodonta africana) en

  • -

    28 relatief kleine beeldjes, waarvan 14 rood geverfd, van olifantenivoor (Loxodonta africana)

en

één van nijlpaard (Hippopotamus amphibius) afkomstig ivoren voorwerp, in de vorm van een slagtand,

ten verkoop aangeboden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezen feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden in bewijsmiddelen.

Omdat verdachte het feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

De bewijsmiddelen

  1. Een SAM proces-verbaal Cités met nummer 260920191315027246 van 26 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , onder meer inhoudende de bekennende verklaring van verdachte (met fotobijlage);

  2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2019203483-5 van 10 december 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] (met als bijlage een relaas van determinatie).

6 Strafbaarheid van het feit

6.1.

Wettelijk kader

Voor het beantwoorden van de vraag of het bewezen verklaarde feit een strafbaar feit oplevert zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

Wet Natuurbescherming (paragraaf 3.8)

Artikel 3.36:

“EU-verordeningen en EU-richtlijnen als bedoeld in deze paragraaf zijn:

a. verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61);

(…)”

Artikel 3.37:

“1 Het is verboden in strijd te handelen met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen.

(…)”

Regeling natuurbescherming

Artikel 1.1:

“In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

- CITES-basisverordening: verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61);

(…)”

Artikel 3.14:

“Als voorschriften als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

a. de artikelen 4, eerste lid, eerste volzin, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste volzin, 6, derde lid, 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid van de CITES-basisverordening;

(…)”

Verordening (EG) Nr. 338/97 (hierna: basisverordening)

Artikel 2 (Definities):

“Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

w) „meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens":

specimens die meer dan 50 jaar vóór de inwerkingtreding van deze verordening ter vervaardiging van juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of muziekinstrumenten zijn gebracht in een toestand die grondig verschilt van hun natuurlijke ruwe staat en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken Lid-Staat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven. Dergelijke specimens gelden enkel als bewerkt indien zij duidelijk passen in een van de genoemde categorieën en indien zij de beoogde functie kunnen vervullen zonder dat daarvoor nog snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig zijn;

(…)”

Artikel 8 (Bepalingen betreffende de controle op handelsactiviteiten):

“1. De aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, is verboden.

(…)

3. In overeenstemming met de voorschriften van andere Gemeenschapswetgeving betreffende de instandhouding van wilde fauna en flora kan per geval ontheffing van de in lid 1 genoemde verbodsbepalingen worden verleend door afgifte van een daartoe strekkend certificaat door een administratieve instantie van de Lid-Staat waarin de specimens zich bevinden, indien de specimens:

(…)

b) bewerkte specimens zijn die meer dan 50 jaar geleden zijn verkregen;

(…)

5. De in lid 1 genoemde verbodsbepalingen gelden ook voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B, behalve indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna.”

Verordening (EG) Nr. 865/2006 (hierna: uitvoeringsverordening)

Artikel 62 (Algemene ontheffingen van artikel 8, leden 1 en 3, van Verordening (EG) nr. 338/97):

“De bepaling van artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 dat ontheffingen van de verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van die verordening per geval worden verleend door de afgifte van een certificaat, is niet van toepassing op de volgende specimens, waarvoor geen certificaat is vereist:

(…)

3. meer dan 50 jaar geleden verworven bewerkte specimens als omschreven in artikel 2, onder w), van Verordening (EG) nr. 338/97.”

6.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt het bewezen feit strafbaar, zowel wat betreft de voorwerpen van olifantenivoor (bijlage A) als het voorwerp van nijlpaardivoor (bijlage B).

Bijlage A

De officier van justitie stelt dat uit de regelgeving volgt dat sprake is van een verbod, tenzij sprake is van een ontheffing of – voor olifantenivoor – een vrijstelling aanwezig is. Voor het toepassen van de algemene ontheffing voor antiek ivoor (ivoor dat voldoet aan de definitie van artikel 2 onder w van de basisverordening) is vereist dat door de verkoper moet worden aangetoond dat het betreffende voorwerp vóór (3 maart) 1947 is verworven en bewerkt. De officier van justitie leidt uit de basisverordening en de zogenaamde Richtsnoeren (2017/C 154/07 en 2017/C 154/06) af dat het bewijs voor de rechtmatige verwerving al aanwezig moet zijn op het moment dat het voorwerp ten verkoop voorradig is en/of ten verkoop wordt aangeboden. De officier van justitie wijst er ook op dat op basis van artikel 62 van de uitvoeringsverordening geen certificaat vereist is, maar dat nog steeds geldt dat ten genoegen van de administratieve instantie is aangetoond dat de voorwerpen onder de voorwaarden van artikel 2 onder w van de basisverordening zijn verworven.

De officier van justitie concludeert dat ten tijde van het aantreffen van de voorwerpen het bewijs dat sprake was van een rechtmatige verwerving niet is getoond en dat verdachte daarom geen beroep toekomt op de antiekvrijstelling.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat een verdachte ook nadat het voorwerp ten verkoop wordt aangeboden nog mag aantonen dat de antiekvrijstelling op het voorwerp van toepassing is, verzoekt de officier van justitie op dit punt prejudiciële vragen voor te leggen aan het Europees Hof van Justitie.

De officier van justitie heeft niet gesteld dat verdachte achteraf onvoldoende heeft aangetoond dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen onder de antiekvrijstelling vallen.

Bijlage B

De officier van justitie stelt dat de antiekvrijstelling niet van toepassing is op ‘bijlage B’-ivoor. Ook verder blijkt niet van omstandigheden die maken dat het bewezen feit wat betreft de voorwerpen van nijlpaardivoor niet strafbaar is.

6.3.

Standpunt van de verdachte

Verdachte stelt dat sprake is van antiek ivoor en dat de regelgeving zo uitgelegd moet worden, dat degene die het voorwerp te koop aanbiedt gevraagd kan worden om bewijs te verschaffen dat sprake is van antiek ivoor. In deze zaak is dat ook aan verdachte gevraagd en verdachte heeft aangetoond dat sprake is van antiek ivoor. Verdachte stelt dat hij dit ook achteraf aan moet kunnen tonen.

Verdachte stelt verder dat de antiekvrijstelling zowel ingeroepen kan worden voor specimens van bijlage A als voor specimens van bijlage B.

Tot slot verzet verdachte zich tegen het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie. Verdachte stelt dat het belang daarvoor te beperkt is en dat het stellen van prejudiciële vragen een onredelijke vertraging van het strafproces, dat al enige tijd duurt, zal meebrengen.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

6.4.1.

Strafbaar feit wat betreft de voorwerpen van olifantenivoor?

De rechtbank vindt het bewezen feit niet strafbaar voor zover sprake is van voorwerpen van olifantenivoor en de rechtbank zal verdachte daarvoor ontslaan van alle rechtsvervolging. Daarvoor is het volgende van belang.

Wanneer moet zijn aangetoond dat sprake is van antiek ivoor?

De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat op grond van artikel 8, eerste lid, van de basisverordening het verboden is om onder andere specimens van olifantenivoor ten verkoop aan te bieden.

Het derde lid van artikel 8 van de basisverordening bepaalt dat de administratieve instantie van een Lid-Staat per geval ontheffing kan verlenen door het afgeven van een certificaat als sprake is van een in dat lid genoemde uitzonderingssituatie, waaronder als sprake is van antiek ivoor. Daarnaast bepaalt artikel 62 van de uitvoeringsverordening dat er onder andere voor antiek ivoor een algemene ontheffing geldt van het verbod, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de basisverordening. In dat geval is sprake van een algemene ontheffing van het verbod en hoeft er geen individuele ontheffing in de vorm van een certificaat als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de basisverordening te worden verleend.

De rechtbank leidt hieruit af dat bij een individuele ontheffing op grond van artikel 8, derde lid, van de basisverordening een betrokkene voorafgaand aan het ten verkoop aanbieden (of een andere verboden gedraging van het eerste lid van dit artikel) moet beschikken over een certificaat waaruit deze individuele ontheffing blijkt. Hiervoor geldt dus dat er een certificaat vereist is en dat de betrokken administratieve instantie deze per geval kan verlenen.

Dit ligt anders als sprake is van een algemene ontheffing op grond van artikel 62 van de uitvoeringsverordening. De Europese wetgever heeft kennelijk voor daar genoemde gevallen geen certificaatplicht willen opleggen. Op het moment dat ten genoegen van de administratieve instantie is aangetoond dat sprake is van een bewerkt specimen van vóór 3 maart 1947 is sprake van een ontheffing. Uit de tekst van artikel 2 onder w van de basisverordening volgt niet dat het bewijs voorafgaand aan verkoop of tentoonstellen geleverd moet zijn. De officier van justitie heeft bij requisitoir verwezen naar diverse bronnen, waaronder de Richtsnoeren, op grond waarvan gesteld werd dat voorafgaand aan het ten verkoop aanbieden aangetoond moest worden dat sprake is van antiek ivoor. De rechtbank kan uit die bronnen enkel de verplichting afleiden dat het de betrokkene is, die moet aantonen dat sprake is van antiek ivoor, maar niet dat die dat in geval van toepasselijkheid van de algemene ontheffing van artikel 62 van de uitvoeringsverordening (of een voorloper van die bepaling) voorafgaand aan het ten verkoop aanbieden moet doen.

De bewijslast om aan te tonen dat de algemene ontheffing van artikel 62 van de uitvoeringsverordening van toepassing is, ligt in beginsel bij degene die de in artikel 8, eerste lid, van de basisverordening verboden gedragingen verricht. Als een betrokkene voorafgaand aan het te koop aanbieden zich er onvoldoende van heeft vergewist dat sprake is van bijvoorbeeld antiek ivoor, komt het voor zijn risico als achteraf blijkt dat niet overtuigend kan worden aangetoond dat de gedragingen binnen het bereik van deze ontheffing vallen en dat dus een strafbaar feit is gepleegd.

Is aangetoond dat sprake is van antiek ivoor?

Omdat de rechtbank tot de conclusie komt dat verdachte ook ná het te koop aanbieden van de voorwerpen van olifantenivoor nog in de gelegenheid moet worden gesteld om aan te tonen dat sprake is van olifantenivoor, is de vraag aan de orde of verdachte dat ook genoegzaam heeft aangetoond.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat door verdachte verklaringen zijn overgelegd van J.B.M. Fijnaut en dat uit deze rapporten volgt dat sprake is van bewerkt ivoor van vóór 1947. Dat sprake is van antiek ivoor is door het Openbaar Ministerie overigens ook niet betwist.

De rechtbank vindt daarom dat genoegzaam is aangetoond dat de ten verkoop aangeboden voorwerpen van olifantenivoor onder de antiekvrijstelling vallen. Daarom komt aan verdachte een beroep toe op deze antiekvrijstelling, waardoor het bewezen verklaarde feit niet te kwalificeren is als een strafbaar feit. Verdachte zal daarom voor wat betreft de specimens van bijlage A ontslagen worden van alle rechtsvervolging.

6.4.2.

Strafbaar feit wat betreft de voorwerpen van nijlpaardivoor?

De rechtbank acht het bewezen feit voor wat betreft het voorwerp van nijlpaardivoor wel strafbaar. Daarvoor is het volgende van belang.

Op basis van het vijfde lid van artikel 8 van de basisverordening zijn de verboden gedragingen van het eerste lid (dat ziet op specimens van bijlage A) ook van toepassing op specimens van bijlage B. Het vijfde lid bepaalt niet dat de uitzonderingen op het verbod van het derde lid ook gelden voor specimens van bijlage B. In plaats daarvan geeft het vijfde lid een eigen uitzondering op het verbod. Omdat het derde lid niet van toepassing is op specimens van bijlage B geldt dat ook voor de uitzondering van artikel 62 van de uitvoeringsverordening op het derde lid. De antiekvrijstelling van artikel 62 kan daarom niet worden ingeroepen voor wat betreft het ten verkoop aanbieden van specimens van bijlage B.

Vervolgens is wel de vraag of voldaan is aan de uitzondering van het vijfde lid van artikel 8 van de basisverordening. Op basis van die bepaling geldt het verbod van het eerste lid niet ook voor specimens van bijlage B ‘indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna.’

Op basis van het dossier en de behandeling op zitting is niet aannemelijk geworden dat aan deze voorwaarden is voldaan. Ook op andere wijze is het niet aannemelijk geworden dat het ten verkoop aanbieden van het voorwerp van nijlpaardivoor niet strafbaar is. Het bewezen verklaarde is wat die voorwerpen betreft dan ook strafbaar.

6.4.3.

Prejudiciële vragen?

De rechtbank ziet geen noodzaak om prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie voor te leggen. Het oordeel van de rechtbank in deze zaak is in lijn met een eerdere uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.1 Daarnaast heeft verdachte zich verzet tegen een langdurig uitstel van de beslissing en is het belang van een dergelijk oordeel niet zwaarwegend, omdat er kennelijk op afzienbare termijn, zo gaf de officier van justitie te kennen, een aanpassing van de uitvoeringsverordening op stapel staat, waarbij de algemene antiekvrijstelling wordt geschrapt.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en beslagbeslissingen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen en strafbaar geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 400,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van acht dagen.

Daarnaast vordert de officier van justitie dat de schaakstukken, de armband en het voorwerp van nijlpaardivoor onttrokken worden aan het verkeer. De haartang en de ‘horen, zien en zwijgen’-beeldjes mogen van de officier van justitie aan verdachte worden teruggegeven.

8.2.

Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft verzocht om de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het voorwerp van nijlpaardivoor verbeurd verklaren en bepalen dat de voorwerpen van olifantenivoor en de overige in beslag genomen voorwerpen aan verdachte worden teruggegeven. Het voorwerp van nijlpaardivoor is vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat het aan verdachte toebehoort en het bewezen en strafbaar geachte feit met betrekking tot dit voorwerp is gepleegd.2

Naast de verbeurdverklaring zal de rechtbank aan verdachte geen andere straf opleggen.

Verdachte heeft in strijd met de geldende regels een ivoren voorwerp ten verkoop aangeboden. Daarmee heeft verdachte regels overtreden die bedreigde diersoorten beogen te beschermen (in dit geval het nijlpaard). Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de eis van de officier van justitie en houdt zij ook rekening met de omstandigheid dat de rechtbank het bewezen feit voor het grootste deel niet strafbaar vindt. Het zwaartepunt van de beschuldiging lag bij het verkopen van voorwerpen met olifantenivoor, omdat de olifant de meest bedreigde diersoort is. Die beschuldiging bleek niet terecht.

Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte het nijlpaardivoren voorwerp niet terugkrijgt. Met de verbeurdverklaring wordt verdachte ook in financiële zin voldoende bestraft.

De overige in beslag genomen voorwerpen worden aan verdachte teruggegeven omdat verdachte niet wordt veroordeeld in verband met die voorwerpen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen (bijkomende) straf is gegrond op (de) artikel(en):

  • -

    33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    1a (oud), 2 en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten;

  • -

    3.37 van de Wet natuurbescherming;

  • -

    3.14 van de Regeling natuurbescherming; en

  • -

    8 van de Basisverordening (EG) 338/97.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Vernietigt de eerder uitgebrachte strafbeschikking.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezene voor wat betreft de specimens van bijlage A niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Het bewezen verklaarde levert voor wat betreft het specimen van bijlage B op:

- overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezene voor wat betreft het specimen van bijlage B strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Verklaart verbeurd:

1. STK Slagtanden

Goednummer: PL1300-2019203483-5812548

Bijzonderheden : Slagtand ivoor met opdruk olifanten (nijlpaard)

Gelast de teruggave aan verdachte van:

2 1 STK Armband

Goednummer: PL1300-2019203483-5812549

Bijzonderheden: Armband, ivoor (olifant)

3 3 STK Beeld

Goednummer: PL1300-2019203483-5812556

Bijzonderheden: Beeldje van drie apen, horen zien en zwijgen (olifant)

4 14 STK Schaakstuk

Goednummer: PL1300-2019203483-5812557

Bijzonderheden : Schaakstukken, wit, ivoor (olifant)

5 14 STK Schaakstuk

Goednummer: PL1300-2019203483-5812558

Bijzonderheden : Schaakstukken, ROOD, ivoor (olifant)

6 1 STK Haarklem

(Omschrijving: foto 2 Haartang)

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.J. Koene, voorzitter,

mrs. A.H.E. van der Pol en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2021.

1 In elk geval: ECLI:NL:GHARL:2019:6116.

2 Op grond van artikel 8, zesde lid, van basisverordening is het – onder voorwaarden – toegestaan om verbeurdverklaarde voorwerpen van specimens van in Bijlage B genoemde soorten te verkopen.