Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3529

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2533
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor innemen ligplaats dekschuit (bedrijfsvaartuig) t.b.v. opslag van goederen. Beroep van omwonenden tegen vergunning ongegrond. Onderliggende wantrouwen tegen vergunninghouder en gemeente en vrees voor gevolgen van (oneigenlijk) gebruik dekschuit zijn op zitting en in uitspraak besproken. Juridische beoordeling van desondanks gehandhaafde beroepsgronden. Vergunning is rechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 21/2533 (voorlopige voorziening) en AMS 21/2534 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser 1] [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiser 5] ,

allen te Amsterdam, verzoekers/eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C.L. Brinks).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: V.O.F. Hesta, te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als verzoekers, het college en Hesta. Het beroep is mede ingediend namens in de bijlage vermelde personen.

Procesverloop

Hester heeft bij het college een aanvraag ingediend om verlening van een omgevingsvergunning voor:

  • -

    het bouwen van een steiger;

  • -

    het gebruiken van grond/bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan.

Het college heeft met het besluit van 25 maart 2021 de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

Verzoekers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021. Verzoeker/eiser [eiser 2] en eiser [naam2] zijn verschenen. De andere verzoekers/eisers zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens Hesta is verschenen [naam] (hierna: [naam] ).

Overwegingen

Inleiding

1.1

Hesta is eigenaar van een dekschuit. Deze ‘ [dekschuit] ’ is ongeveer 17 meter lang en 4 meter breed en ligt afgemeerd in het [plaats] ter hoogte van de jachthaven van Hesta aan de [adres 1] . Op die locatie mag de dekschuit niet liggen omdat dit in strijd is met het bestemmingsplan ‘Water’. Het college stelt zich op het standpunt dat in dit geval het eigen beleid handhaving uitsluit en dat dit beleid voorschrijft dat moet worden gezocht naar een andere locatie.1 Het college heeft Hesta voorgesteld om de dekschuit af te meren aan de [adres 2] ter hoogte van [adres 2] . Daarvoor is echter wel een omgevingsvergunning vereist. Die heeft Hesta vervolgens aangevraagd.

1.2

Het college heeft de aanvraag in een uitgebreide voorbereidingsprocedure behandeld. Na de indiening van een zienswijze heeft Hesta de aanvraag voor wat betreft het beoogde gebruik van de dekschuit op diverse punten aangepast. Vervolgens heeft het college op 25 maart 2021 aan Hesta een omgevingsvergunning verleend.

De omgevingsvergunning

2.1

De omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een steiger en het plaatsen van een bedrijfsvaartuig ten behoeve van opslag van watergebonden goederen. De beroepsgronden richten zich niet tegen de verlening van de vergunning voor het bouwen van de steiger. In deze zaak gaat het uitsluitend om de verlening van de omgevingsvergunning voor het gebruik van de dekschuit in strijd met het bestemmingsplan.

2.2

Voor de beoogde locatie aan de [adres 2] was ten tijde van de aanvraag het bestemmingsplan ‘Water’ van kracht. Op de betreffende grond rust de bestemming ‘Water’ en is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van water – ligplaats bedrijfsvaartuig’ geplaatst. Een ligplaats voor een bedrijfsvaartuig is daarom toegestaan. Omdat echter uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 20142 volgt dat bij vervanging van een bedrijfsvaartuig een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist en het bestemmingsplan daarin niet voorziet, is de activiteit in strijd met het bestemmingsplan (zie artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo).3 Voor die activiteit kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wabo. Daarin staat dat de omgevingsvergunning kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

2.3

Het college heeft in dit kader onder meer overwogen dat het bestemmingsplan bedrijfsvaartuigen ter plaatse op zich genomen toestaat. De locatie is vrijgekomen en het innemen van deze ligplaats leidt niet tot overschrijding van het maximaal aantal ligplaatsen. De bedrijfsactiviteiten zijn watergebonden en vallen binnen de vereiste milieucategorieën. Verder hebben de Commissie van Welstand en Monumenten en Waternet positief advies uitgebracht over de beoogde plaatsing.

Afdoening van het beroep

3. Verzoekers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Daarom hebben zij, samen met anderen, bij de rechtbank daartegen beroep ingesteld. Omdat zij menen dat de uitspraak op het beroep niet kan worden afgewacht hebben zij de voorzieningenrechter ook gevraagd de omgevingsvergunning te schorsen zodat tot de uitspraak daar geen gebruik van kan worden gemaakt. Nader onderzoek kan redelijkerwijs echter niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal daarom ook uitspraak doen op het beroep.

Waar gaat het in deze zaak om?

4.1

Verzoekers en de heer [naam] hebben elkaar nooit eerder dan nu in de zittingzaal ontmoet en gesproken. Op de zitting is gebleken dat deze zaak een voorgeschiedenis kent, waarin ook de vader van de heer [naam] (de heer [naam] ) een rol speelt. Die voorgeschiedenis heeft geleid tot onrust en ongerustheid in de buurt die voortleeft tot de dag van vandaag en die doorwerkt in deze zaak.

4.2

[naam] heeft te kennen gegeven de voorgeschiedenis te kunnen plaatsen, en daarvoor (als opvolger van zijn vader) een oplossing te willen. Ook heeft [naam] ter zitting te kennen gegeven dat hij de argumenten van verzoekers in het algemeen reëel en begrijpelijk vindt en dat hij daarmee rekening wil houden in het gebruik van de dekschuit.

[naam] heeft op de zitting ook laten weten dat, anders dan verzoekers vrezen, er geen toegangshek bij de steiger komt, dat Hesta de mast en de hijsinrichting neergelaten zal houden en dat aan- en afvoer van goederen voor opslag vooral via het water zal plaatsvinden. Er is dus geen behoefte aan een hek voor en toegangsweg naar de dekschuit.

4.3

Met de vastlegging van die toezeggingen in deze uitspraak is er in die opzichten geen grond meer voor de vrees voor negatieve effecten op de omgeving.

Tussen verzoekers en [naam] zijn verder contactgegevens uitgewisseld, zodat verder doorpraten in de toekomst en overleg over en weer is vergemakkelijkt.

4.4

Een en ander heeft echter op zitting niet geleid tot intrekking van het verzoek en/of beroep, zodat de voorzieningenrechter daarop uitspraak zal moeten doen. Maar ook dan blijft staan dat Hesta en verzoekers in onderling overleg verdere afspraken kunnen maken over het gebruik van de dekschuit.

Juridische beoordeling

5.1

De voorzieningenrechter merkt in het kader van de juridische beoordeling allereerst op dat er geen twijfel bestaat voor welk vaartuig en welke locatie de omgevingsvergunning is verleend. Het betoog dat de omgevingsvergunning het vaartuig en de locatie onvoldoende specificeert treft daarom geen doel. Ook kan in het midden blijven of het vaartuig voldoet aan de definitie van ‘dekschuit’. Voor de vraag of de omgevingsvergunning mocht worden verleend is dat niet relevant. Ter plaatse staat het bestemmingsplan een bedrijfsvaartuig toe, ongeacht of dat een dekschuit is of niet. In het bestemmingsplan is dus al een afweging gemaakt of bedrijfsvaartuigen in het algemeen ter plaatse toelaatbaar zijn.

5.2

In de zienswijzen keren verzoekers zich tegen het gebruik van de [dekschuit] voor reparatie/onderhoud, verhuur van bootjes en van de dekschuit zelf aan de [adres 2] nabij de speeltuin/kinderboerderij. Naar aanleiding van de zienswijzen heeft Hesta in samenspraak met het college de aanvraag echter aangepast, in die zin dat het gebruik van de dekschuit wordt beperkt tot opslag van watergebonden goederen. Voor dat – beperkte – gebruik is de omgevingsvergunning verleend. Ander gebruik wordt in de omgevingsvergunning expliciet niet toegestaan en levert een overtreding op waartegen het college handhavend zal moeten optreden als daarvan sprake zal zijn. Dat punt kan dus niet leiden tot gegrondverklaring.

5.3

Hoewel het college en Hesta met de aanpassing van de aanvraag aan een groot deel van de bezwaren tegemoet zijn gekomen, vinden verzoekers dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend. De argumenten die verzoekers schriftelijk naar voren hebben gebracht, zijn niet zozeer feitelijk van aard, maar vooral een uitdrukking van het wantrouwen van verzoekers tegen Hesta en het college. Verzoekers vrezen voor oneigenlijk gebruik van de dekschuit en voor een negatief effect op de nabije omgeving, in het bijzonder de speeltuin en kinderboerderij aan de kade. Vrees en wantrouwen zijn echter geen juridische gronden om te komen tot een vernietiging van de omgevingsvergunning.

5.4

Verzoekers betogen dat het college een integriteitsonderzoek op grond van de Wet Bibob had moeten verrichten naar de ondernemer vanwege de sociale omgeving waarin de dekschuit wordt afgemeerd en meldingen van misdragingen van [naam] . De voorzieningenrechter ziet echter niet in waarom zakelijk gezien voor opslag van watergebonden goederen een integriteitsonderzoek moet plaatsvinden. De Wet Bibob vereist daarvoor dat er ernstige vrees bestaat dat de in geding zijnde beschikking, in dit geval de omgevingsvergunning, wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen of daaruit geldelijk voordeel te krijgen.

5.5.

Voor zover verzoekers nog stellen dat (de opslag op) de dekschuit leidt tot geluidsoverlast en aantasting van natuurwaarden, is die stelling niet onderbouwd.

5.6

Het college hoefde ook niet te onderzoeken of Hesta daadwerkelijk behoefte heeft aan de opslag. Dat doet bij de beoordeling van de aanvraag niet ter zake. Er is overigens ook geen concrete reden om daaraan te twijfelen. De stelling dat Hesta de dekschuit niet voor opslag nodig heeft, levert, wat daar verder ook van zij, daarom geen grond op voor het oordeel dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend. Het college moet wel toetsen of voor het in de uiteindelijke aanvraag genoemde gebruik een omgevingsvergunning kan worden verleend. Dat heeft het college ook gedaan.

5.7

De twijfel van verzoekers aan de integriteit van het college leidt evenmin tot het oordeel dat omgevingsvergunning niet mocht worden verleend. Van samenspanning van het college en Hesta is niet gebleken. Het college heeft in de nota van beantwoording en op de zitting uitgelegd dat er een noodzaak was om voor de dekschuit een andere ligplaats te vinden, omdat de dekschuit niet langer in de jachthaven mocht liggen. Het eigen beleid schrijft voor dat het college zich moet inspannen om een andere locatie te vinden, of het nu om Hesta gaat of om een ander. Andere locaties dan die aan de [adres 2] waren niet beschikbaar, aldus het college. Om die reden heeft het college deze locatie aan Hesta aangedragen om daarvoor een aanvraag in te dienen. Bij de beoordeling van die aanvraag heeft het college ook rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Naar aanleiding van de zienswijzen heeft het college Hesta ook voorgesteld om het beoogde gebruik te beperken tot opslag en heeft het college ander gebruik uitdrukkelijk niet toegestaan. Het is dus bepaald niet zo dat het college alleen de oren naar Hesta heeft laten hangen Dat de omwonenden alleen door de zienswijzen en niet door inspraak vooraf hun standpunt naar voren konden brengen en dat het college over de besluitvorming onvoldoende zou hebben gecommuniceerd, doet niks af aan het eindresultaat en maakt de omgevingsvergunning niet onrechtmatig.

Conclusie

6.1.

De omgevingsvergunning is rechtmatig. De dekschuit mag daarom op de beoogde locatie uitsluitend worden gebruikt voor opslag van watergebonden goederen. Ander gebruik is niet toegestaan en ook niet te verwachten. Mocht dat – onverhoopt - toch zo zijn, dan kan het college beëindiging van overtredingen door handhaving afdwingen.

6.2.

Het beroep is ongegrond. Omdat uitspraak op het beroep wordt gedaan, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.P. Braam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Hoger beroep

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Het beroep is mede namens de volgende personen ingediend:

[mede indiener]

[mede indiener]

[naam2]

[mede indiener]

1 Uitvoeringsnota van het bedrijfsvaartuigenbeleid in de binnenstad van 11 december 2007.

2 ECLI:NL:RVS:2014:1159.

3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.