Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3479

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
13-029534-20 en 13-156662-21 (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige man is veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, voor oplichting, afdreiging (sextortion), witwassen, het gebruikmaken van andermans foto’s op sociale media en het maken en bezitten van kinderporno.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13-029534-20 en 13-156662-21 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 7 juli 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [naam 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juni 2021. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. van der Vlugt en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S. Burmeister naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging (de beschuldiging)

Verdachte wordt kort samengevat verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting, afdreiging (‘sextortion’), witwassen, het gebruikmaken van andermans foto’s op sociale media en van het maken en bezitten van kinderporno.

In het navolgende wordt de beschuldiging uitgebreider weergegeven. Voor de volledige tekst van de beschuldigingen in zaak A en zaak B (in juridische taal: de tenlasteleggingen) wordt verwezen naar bijlage 1.

In zaak A wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij

Ten aanzien van feit 1:

drie personen heeft opgelicht doordat hij zich op sociale media voordeed als een vrouw, en met hen een afspraak maakte waarbij deze personen tegen betaling seksuele handelingen zouden gaan verrichten met deze vrouw en/of een (niet bestaand) nichtje van deze vrouw

en

drieëntwintig personen heeft opgelicht door zich op sociale media voor te doen als een vrouw, met deze personen contact te onderhouden en hen te bewegen seksueel getinte afbeeldingen (foto’s en/of video’s) van zichzelf naar haar te sturen. Vervolgens heeft hij hen gezegd geldbedragen over te maken om te voorkomen dat hij deze foto’s en/of video’s openbaar zou maken;

Ten aanzien van de feiten 2 en 6:

in totaal twaalf personen heeft gedwongen geldbedragen naar hem over te maken door te dreigen seksueel getinte afbeeldingen (foto’s en/of video’s), die deze personen naar hem hadden toegestuurd openbaar te maken als zij de geldbedragen niet zouden overmaken;

Ten aanzien van de feiten 3 en 7:

heeft geprobeerd in totaal negen personen te dwingen geldbedragen naar hem over te maken door zich op sociale media voor te doen als een vrouw, contact te onderhouden met deze personen en te dreigen de seksueel getinte afbeeldingen (foto’s en/of video’s) die deze negen personen naar hem hebben gestuurd openbaar te maken als deze personen het geld niet zouden overmaken;

Ten aanzien van feit 4:

geldbedragen, in totaal € 77.329,00, heeft witgewassen en van dit witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

Ten aanzien van feit 5:

gebruik heeft gemaakt van valse biometrische persoonsgegevens, door zonder toestemming een foto van [slachtoffer 1] te gebruiken ten behoeve van het aanmaken van sociale media accounts met het doel zijn eigen identiteit geheim te houden en de identiteit van [slachtoffer 1] te misbruiken.

Verdachte wordt in zaak B – kort gezegd – beschuldigd van het maken en in bezit hebben van kinderporno.

3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het dossier in zaak A is opgedeeld in drieëntwintig zaaksdossiers. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte kan worden vervolgd voor elk van die zaken.

In twee van die zaken heeft het Openbaar Ministerie op een eerder moment namelijk besloten dat verdachte daarvoor niet zou worden vervolgd (die zaken zijn geseponeerd).

Daarnaast is van belang dat voor vervolging wegens afdreiging een klacht van de aangever is vereist. In deze rubriek van het vonnis buigt de rechtbank zich over deze vragen.

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

3.1.1.

Vervolging na sepotbeslissing

Op 11 oktober 2019 zijn twee zaken van afdreiging tegen verdachte geseponeerd omdat er onvoldoende bewijs was. Dit betrof de zaak van [slachtoffer 2] (zaak 13) en van [slachtoffer 3] (zaak 17). In de sepotbrief van de officier van justitie van 11 oktober 2019 die aan verdachte is verstuurd staat dat deze zaken zijn afgedaan tenzij:

a. ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien;

b. het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld

door een feit waarvan u nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te

vervolgen.”

Van de onder a. opgenomen omstandigheid is nu sprake.

Er zijn veel nieuwe feiten en omstandigheden waardoor de sepotbeslissing is herzien. Dit betreft onder meer:

  • -

    de vele andere zaken tegen verdachte met eenzelfde modus operandi die sindsdien bekend zijn geworden,

  • -

    de informatie die uit de telefoons van verdachte naar voren is gekomen en die eerder niet voorhanden was,

  • -

    het financieel onderzoek naar verdachte, waaruit ook bewijs in de zaken van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is voortgevloeid en

  • -

    de eigen verklaring van verdachte.

Deze overvloed aan nieuwe feiten en omstandigheden maakt dat de sepotbeslissing thans wordt teruggedraaid en verdachte alsnog voor deze feiten wordt vervolgd.

De officier van justitie is van mening dat de sepotbeslissing een “utiliteitsbeslissing” was. De beslissing om verdachte alsnog te dagvaarden is geen beslissing waar volgens artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een machtiging van de rechter-commissaris voor is vereist, aldus de officier van justitie. Wel dient dezelfde toets te zijn aangelegd, namelijk dat het gaat om nieuwe feiten en omstandigheden die later bekend zijn geworden. Daarvan is hier sprake.

De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat hij ontvankelijk is in de vervolging van de zaken van de aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

Ontbreken van klachten

Ten aanzien van het ontbreken van formele klachten merkt de officier van justitie het volgende op.

De tenlastegelegde feiten 2, 3, 6, en 7 zijn klachtdelicten. Dat betekent dat naast de aangifte uit een klacht moet blijken dat de aangever vervolging van de mogelijke dader wenst.

In een aantal zaken ontbrak zo’n klacht, maar dat wordt ondervangen door een aanvullend proces-verbaal van 21 juni 2021. Hierin staat vermeld dat aangevers telefonisch door de politie zijn benaderd met de vraag of zij ten tijde van de aangifte de bedoeling, wens of intentie hadden dat de dader zou worden gevolgd. Deze aangevers hebben aan de verbalisant aangegeven dat zij ten tijde van de aangifte wilden dat de dader zou worden vervolgd. In die zaken is dus aan het klachtvereiste voldaan.

In sommige zaken is de klacht niet gedaan binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde delict. De Hoge Raad is weliswaar streng wat betreft de termijn van drie maanden waarbinnen een klacht moet zijn ingediend, maar onder bijzondere omstandigheden kan van de termijn worden afgeweken. In deze zaak is de bijzonderheid hierin gelegen dat verdachte op een bijzondere manier zijn identiteit heeft verhuld, namelijk door een fictieve identiteit (die van [fictieve naam] ) aan te nemen in diverse sociale media-accounts. De aangevers geloofden hierdoor dat zij werden afgedreigd door ene [fictieve naam] , die in werkelijkheid niet bestond. Op het moment van de aangifte was verdachte niet in beeld en kon nog geen klacht tegen hem worden ingediend en kon geen goede afweging worden gemaakt met betrekking tot de vervolgingswens.

Het klachtvereiste moet niet alleen worden gezien als bescherming van de aangever/het slachtoffer tegen een vervolging die hij/zij niet wenst. De termijn biedt ook de verdachte bescherming, want daarmee wordt voorkomen dat aan een andere persoon (de aangever) een wettelijk zwaard in handen wordt gegeven waarvan hij gedurende de gehele verjaringstermijn gebruik zou kunnen maken. In deze strafzaak geloofden de aangevers dat zij met [fictieve naam] van doen hadden. Zij hebben dus niet steeds dat wettelijk zwaard boven het hoofd van verdachte gehouden. Verdedigbaar is dat de klachttermijn in deze zaken pas is gaan lopen op het moment dat de aangevers begrepen hoe de vork in de steel zat, namelijk dat niet [fictieve naam] maar verdachte degene was die hen heeft afgedreigd. Ook in deze zaken is het Openbaar Ministerie dus ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Met betrekking tot aangever [slachtoffer 4] (zaak 22) merkt de officier van justitie op dat van deze aangever geen klacht is ontvangen, zodat de officier van justitie in deze zaak niet ontvankelijk moet worden verklaard.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

3.2.1.

Vervolging na sepotbeslissing

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de zaken van [slachtoffer 2] (zaak 13) en [slachtoffer 3] (zaak 17). Deze zaken zijn eerder door de officier van justitie in Rotterdam geseponeerd.

Nieuwe feiten en omstandigheden kunnen reden zijn om toch tot vervolging over te gaan, maar die nieuwe feiten en omstandigheden moeten wel uit de zaak zelf komen. Dat is in deze zaken niet het geval.

3.2.2.

Ontbreken van klachten

De raadsman is het niet eens met het standpunt van de officier van justitie dat de termijn van drie maanden (zie artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)) pas aanvangt als bekend is wie de dader is. Het uitgangspunt in artikel 66 Sr is dat de klachtgerechtigde de klacht moet indienen binnen drie maanden na de dag waarop hij kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Het maakt niet uit of de dader bekend is. Dat betekent dat het aanvullende proces-verbaal van 21 juni 2021 het gebrek van het ontbreken van de klachten of het te laat instellen van een klacht niet repareert.

In de zaken 1, 2, 5, 6, 7, 22 en 23 is de klacht niet binnen drie maanden ingediend. In deze zaken dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

In de zaken 11, 14, 15 en 20 is geen klacht in het dossier opgenomen. Ook in deze zaken dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

Daarnaast zijn de te laat opgenomen klachten in de zaken 2 en 6 niet gedaan bij een bevoegde ambtenaar, zoals is vereist volgens artikel 165 Sv.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de ontvankelijkheid van het

Openbaar Ministerie

3.3.1.

Vervolging na sepotbeslissing

Gebleken is dat verdachte in de zaken van [slachtoffer 2] (zaak 13) en [slachtoffer 3] (zaak 17) met een op 11 oktober 2019 gedateerde sepotbrief ervan op de hoogte is gesteld dat hij niet (verder) zou worden vervolgd omdat er volgens de officier van justitie onvoldoende bewijs was. De officier van justitie heeft gesteld dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat hij verdachte om die reden ook voor deze twee zaken kan vervolgen.

Op deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank artikel 255 Sv van toepassing. Dit artikel luidt (voor zover relevant in deze strafzaak) als volgt:

  1. De verdachte kan (…) na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging (…) ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn.

  2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van de verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.

  3. In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard, dan na een ter zake van deze nieuwe bezwaren ingesteld opsporingsonderzoek.

  4. Tot de instelling van een opsporingsonderzoek als bedoeld in lid 3 wordt niet overgegaan dan na machtiging door de rechter-commissaris, verleend op vordering van de officier van justitie die met de opsporing van het strafbare feit is belast.

De rechtbank stelt vast dat er geen machtiging is van de rechter-commissaris, zoals is voorgeschreven in het vierde lid van artikel 255 Sv. Dat is een onherstelbaar vormverzuim. Relevant voor de vraag welke consequentie daaraan moet worden verbonden is het volgende.

Na het verzenden van de sepotbrief in 2019 is in 2020 het onderzoek Amulet opgestart. Dat onderzoek heeft veel nieuw bewijs tegen verdachte opgeleverd. Zo zijn soortgelijke aangiftes aan het licht gekomen, zijn er veel data in zijn telefoons gevonden en heeft financieel onderzoek aangetoond dat hij betalingen van aangevers heeft ontvangen. Verdachte is in dit onderzoek ook meermalen gehoord en in april 2021 heeft hij voor het eerst een bekennende verklaring afgelegd. Er zijn daarom veel nieuwe bewaren tegen verdachte gerezen, ook met betrekking tot de zaken 13 en 17.

De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat de rechter-commissaris op diverse momenten nadat de sepotbrief was verzonden, machtigingen heeft afgegeven voor het inzetten van bijzondere opsporingsmiddelen in het onderzoek jegens verdachte. Daarmee heeft de rechter-commissaris zijn goedkeuring verleend aan nader opsporingsonderzoek en in zekere zin impliciet een machtiging als bedoeld in artikel 255, vierde lid Sv verstrekt. Gelet op de grote hoeveelheid nieuwe bezwaren die naar voren zijn gekomen in het opsporingsonderzoek, acht de rechtbank het voorts zeer aannemelijk dat de rechter-commissaris een machtiging zou hebben verleend als de officier van justitie dit had gevorderd.

Op grond van bovenstaande volstaat de rechtbank met de vaststelling dat er sprake is van een vormverzuim.

3.3.2

Het (tijdig) doen van een klacht

Verdachte wordt onder meer vervolgd wegens het plegen van afdreiging en poging tot afdreiging zoals omschreven in artikel 318 Sr. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat dit misdrijf niet wordt vervolgd tenzij er een klacht is van degene tegen wie het feit is gepleegd. Dit feit is een absoluut klachtdelict, wat betekent dat de feiten uitsluitend op klacht vervolgbaar zijn.

In minder juridische taal betekent dit dat verdachte alleen kan worden vervolgd wegens (poging tot) afdreiging als de aangever ook kenbaar heeft gemaakt dat hij wil dat verdachte wordt vervolgd. De achtergrond hiervan is onder meer dat vervolging van de verdachte voor het slachtoffer vervelend of pijnlijk kan zijn, bijvoorbeeld omdat een strafproces ruchtbaarheid met zich mee kan brengen.

In artikel 164 Sv is bepaald dat een klacht bestaat in ‘eene aangifte met verzoek tot vervolging’. In artikel 66 lid 1 Sr is bepaald dat deze klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.

In zijn arrest van 4 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2242) heeft de Hoge Raad overwogen dat in het geval dat voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennisgenomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit. De Hoge Raad heeft daarbij in ogenschouw genomen dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat met het stellen van die termijn wordt voorkomen dat de klachtgerechtigde een wettelijk zwaard in handen wordt gegeven, waarvan hij gedurende de hele verjaringstermijn gebruik zou kunnen maken. De macht van de klachtgerechtigde om te bepalen of de verdachte wordt vervolgd, is dus in de tijd begrensd. De Hoge Raad heeft in dit arrest voorts geoordeeld dat ingeval de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, van die wens binnen die termijn van drie maanden zal moeten zijn gebleken.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 januari 1994 (LJN ZC8448, NJ 1994/278) volgt dat vervolging zonder formele klacht ook mogelijk is als op grond van het onderzoek op de terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.

Uit onder andere bovenstaande arresten concludeert de rechtbank dat doorslaggevend is of op grond van het dossier of de zitting genoegzaam is komen vast te staan dat het de uitdrukkelijke wens van het slachtoffer is dat het Openbaar Ministerie vervolging instelt tegen de verdachte. Deze wens moet hebben bestaan binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit, maar het is niet bezwaarlijk als daarvan pas later blijkt (bijvoorbeeld tijdens de zitting of in een aanvulling op het strafdossier).

Voor de stelling van de officier van justitie dat die termijn van drie maanden pas gaat lopen nadat de aangevers duidelijk is geworden wie de verdachte achter de social media accounts van [fictieve naam] was, ziet de rechtbank geen steun in de wet of in de jurisprudentie.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het volgende oordeel.

a. Aangevers die tijdig een klacht hebben ingediend

Door de aangevers [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] is binnen 3 maanden nadat zij kennis namen van de afdreiging kenbaar gemaakt dat zij vervolging wensten. Deze wens blijkt uit een apart opgemaakte klacht of staat expliciet vermeld in de aangifte.

Ten aanzien van deze aangevers is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Aangevers die niet binnen drie maanden na kennisname van het feit een klacht hebben geuit

[slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] hebben niet binnen drie maanden nadat zij bekend werden met de (poging tot) afdreiging een wens tot vervolging van verdachte geuit. Zij hebben blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 21 juni 2021 echter wel allemaal aan de politie gezegd dat zij ten tijde van het doen van aangifte de wens hadden dat de dader zou worden vervolgd. Voor al deze aangevers geldt dat zij aangifte hebben gedaan binnen drie maanden nadat zij bekend werden met het misdrijf. Dat betekent dat met de mondelinge bevestiging – vastgelegd in het proces-verbaal van bevindingen van 21 juni 2021 – genoegzaam vaststaat dat zij binnen de klachttermijn een vervolgingswens hadden.

Ook ten aanzien van deze aangevers is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Overige aangevers: [slachtoffer 20] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] en [slachtoffer 23]

De rechtbank heeft in lijn met de arresten van de Hoge Raad van 27 maart 2012 en 4 december 2018 onderzocht of op andere wijze is gebleken dat zij vervolging wensten.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Alle aangevers hebben in hun aangifte aangegeven dat zij geïnformeerd willen worden over het verloop van het onderzoek. Ook hebben zij verklaard dat zij hun schade op de mogelijke dader willen verhalen. Voor al deze aangevers behalve [slachtoffer 23] geldt dat zij wel een klacht hebben ingediend, maar na het verstrijken van de termijn van drie maanden. Het heeft er alle schijn van dat dit uitsluitend valt te wijten aan de politie, die hen niet eerder heeft gevraagd of zij ook een klacht wensten in te dienen. Voor [slachtoffer 23] geldt dat hij in zijn aangifte uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij een klacht wilde doen (maar die aangifte werd meer dan drie maanden na kennisname van het feit door [slachtoffer 23] gedaan). [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] en [slachtoffer 23] hebben voorts een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Dit alles wijst erop dat ook deze aangevers de wens hadden dat tot vervolging zou worden overgegaan en naar het oordeel van de rechtbank is dat onder de gegeven omstandigheden voldoende.

De rechtbank realiseert zich dat van deze vijf aangevers geen schriftelijk stuk voorhanden is waaruit letterlijk volgt dat die wens er reeds was in de drie maanden nadat deze aangevers werden afgedreigd. Dat de rechtbank het Openbaar Ministerie in die zaken toch ontvankelijk acht, is mogelijk een ruimere benadering dan de Hoge Raad in het arrest van 4 december 2018 voor ogen had. Toch kiest de rechtbank bewust voor deze uitkomst, op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in deze vijf zaken zou in de ogen van de rechtbank namelijk een onrechtvaardige uitkomst zijn. Ten eerste omdat de rechtbank er niet aan twijfelt dat deze aangevers vervolging van de verdachte wensten. Zij hebben immers aangifte gedaan, allemaal (niet tijdig) een klacht ingediend en in drie van de vijf gevallen om schadevergoeding verzocht. Ten tweede omdat het er alle schijn van heeft dat de enige reden dat er niet tijdig een klacht door hen is ingediend, is dat de politie zich niet heeft gerealiseerd dat dit een vereiste was en het de aangevers niet tijdig heeft gevraagd. Van de aangevers in kwestie kan niet worden verlangd dat zij op de hoogte zijn van het klachtvereiste en zij mogen niet de dupe worden van het tekortschieten van de politie. Ten derde kent afdreiging een verjaringstermijn van twaalf jaren. Als vervolging nimmer meer mogelijk is als er geen klacht wordt gedaan binnen drie maanden na het feit, staat dat op gespannen voet met deze verjaringstermijn. Indien de ‘afdreiger’ er (door bijvoorbeeld intimidatie of het zaaien van angst) het slachtoffer er gedurende drie maanden van weet te weerhouden een klacht te doen, zou de afdreiging onbestraft blijven. Dat zou een onwenselijke uitkomst zijn. Ten vierde meent de rechtbank dat haar beslissing past bij maatschappelijke ontwikkelingen en bij het voornemen van de wetgever om het klachtvereiste geheel te schrappen.

De rechtbank acht het Openbaar Ministerie daarom ook ontvankelijk in de zaken van deze vijf aangevers.

Ontvankelijkheid officier van justitie in de zaak [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van aangever [slachtoffer 2] geldt dat hij tijdig een klacht heeft ingediend waarin hij uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan. Op 21 juni 2019 heeft hij echter aangegeven zijn aangifte in te willen trekken. Hij vertelde daarbij: “Ik vergeef het meisje. Het is maar geld.” De rechtbank maakt hieruit op dat [slachtoffer 2] niet meer wilde dat de mogelijke dader zou worden vervolgd. Dat dit anders zou zijn als [slachtoffer 2] had geweten dat de dader niet een meisje maar verdachte was, is niet gebleken. Nu vervolging door [slachtoffer 2] uitdrukkelijk niet werd gewenst, zal de rechtbank de officier van justitie ten aanzien van [slachtoffer 2] (zaak 13) niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Klacht bij bevoegde ambtenaar

Artikel 164, eerste lid, Sv bepaalt dat een klacht geschiedt bij een bevoegde ambtenaar. In artikel 165 Sv staat dat de bevoegde ambtenaar een hulp officier van justitie of een officier van justitie is. De rechtbank stelt vast dat een aantal klachten niet bij een hulp officier van justitie of een officier van justitie is ingediend.

Volgens vaste jurisprudentie hoeft een verzuim van deze aard niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie te leiden. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een vormverzuim en volstaat met deze vaststelling, nu verdachte door dit verzuim niet in zijn belangen is geschaad.

Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van de zaak van aangever [slachtoffer 2] . In alle overige zaken is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van het witwassen (feit 4) merkt de officier van justitie op dat verdachte heeft aangegeven dat hij contant geld heeft ontvangen met het organiseren van evenementen en reizen en met werkzaamheden in de muziekbranche. Verdachte heeft hierover echter geen verifieerbare verklaring afgelegd of aangegeven waar of bij wie onderzoek naar dit alternatieve scenario kan worden gedaan. Ook zijn verklaring dat hij geld heeft ontvangen uit leningen is onvoldoende concreet en daarom niet vatbaar voor nader onderzoek. De officier van justitie vindt dan ook dat dit feit kan worden bewezen. In de tenlastelegging staat een bedrag van € 77.329,-. Dat is een kennelijke verschrijving. Uit het dossier blijkt duidelijk dat verdachte een bedrag van € 78.329,- heeft ontvangen van zijn slachtoffers.

Ook kan worden bewezen dat verdachte kinderporno heeft vervaardigd en in zijn bezit heeft gehad. Er zijn erotische opnamen van een minderjarige op de telefoons van verdachte gevonden. Uit een Whatsapp-gesprek tussen verdachte en deze minderjarige jongen blijkt dat verdachte naar de leeftijd van het slachtoffer heeft gevraagd en hij heeft geantwoord dat hij zeventien jaar was. Verdachte wist dus dat hij met een minderjarige te maken had, maar heeft vervolgens toch opnamen van hem gemaakt.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de in feit 7 tenlastegelegde poging om [slachtoffer 3] af te dreigen. Gebleken is immers dat hier geen sprake is van een poging, omdat [slachtoffer 3] daadwerkelijk geld aan verdachte heeft overgemaakt.

Ten aanzien van de kinderpornozaak heeft de raadsman het volgende betoogd. Uit de afbeeldingen valt niet af te leiden dat de persoon op de afbeeldingen jonger is dan 18 jaar. Ook de zedenrechercheur heeft in zijn beschrijving van de beelden opgenomen dat hij de leeftijd van het slachtoffer schatte tussen de 20 en 25 jaar.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Partiële vrijspraak van oplichting (feit 1)

De rechtbank acht niet bewezen wat onder feit 1 onder “EN/OF” (cumulatief/alternatief) is tenlastegelegd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Voor een strafbare oplichting zoals bedoeld in artikel 326 lid 1 Sr is nodig dat de dader één of meer oplichtingshandelingen heeft gebruikt, waardoor degene die wordt opgelicht, is bewogen tot afgifte van (in dit geval) geld.

Vooropgesteld zij dat aangevers [slachtoffer 12] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 18] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] niet zijn bewogen tot afgifte van een geldbedrag teneinde te voorkomen dat verdachte seksueel expliciete afbeeldingen of video’s van hen openbaar zou maken. Zij hebben in het geheel niet betaald. Poging tot oplichting is niet tenlastegelegd.

Voor de overige in dit deel van de tenlastelegging genoemde personen geldt dat er geen sprake is geweest van enige vorm van bedrog. Zij hebben weliswaar geld betaald aan verdachte, maar zij zijn hiertoe niet bewogen op grond van de opgenomen oplichtingsmiddelen en zij hebben in feite ook gekregen waarvoor zij hebben betaald (namelijk dat hun beeldmateriaal niet openbaar is gemaakt). Verdachte heeft gebruik gemaakt van sociale media-accounts op naam van niet-bestaande personen en heeft zich voorgedaan als die niet bestaande personen. Maar hierdoor zijn aangevers niet bewogen tot afgifte van geldbedragen. Het tot stand brengen of in stand houden van communicatie of het vragen om toezending van seksueel expliciete afbeeldingen of videobeelden kunnen niet worden gezien als oplichtingsmiddelen. Ditzelfde geldt voor het tegen aangevers zeggen dat zij geldbedragen moeten overmaken om openbaarmaking van de beelden te voorkomen.

Alleen van aangever [slachtoffer 5] zijn de beelden na betaling van een geldbedrag alsnog openbaar gemaakt, maar het na betaling alsnog openbaar maken van beeldmateriaal is niet in de tenlastelegging opgenomen.

Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.3.2.

Overige partiële vrijspraken

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de onder feit 2 tenlastegelegde afdreiging van U. [slachtoffer 6] , omdat dit feit niet valt in de tenlastegelegde periode. Gelet op de veelheid aan soortgelijke zaken tegen verdachte, kan niet worden gezegd dat het verdachte duidelijk moet zijn geweest dat hier sprake is geweest van een kennelijke verschrijving van de opsteller van de tenlastelegging.

De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van de onder feit 7 tenlastegelegde poging tot afdreiging van [slachtoffer 3] , omdat gebleken is dat [slachtoffer 3] geldbedragen aan verdachte heeft overgemaakt en er dus sprake is van een voltooide afdreiging en niet van een poging daartoe.

4.3.3.

Witwassen

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat een deel van de geldbedragen die zijn gestort door mensen met een Turkse naam onder vermelding van de tekst ‘lening’ of ‘terugbetaling’ (totaal € 25.566,00), mogelijk van een daadwerkelijke lening afkomstig zijn en dus niet van afdreiging.

De rechtbank overweegt hierover dat verdachte niet heeft kunnen of willen aangeven van wie hij leningen heeft ontvangen, terwijl het wel op de weg van verdachte had gelegen om zijn alternatieve scenario over de herkomst van het geld te onderbouwen. Nu verdachte dit niet heeft gedaan, is het alternatieve scenario over de herkomst van dit geld niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt dit verweer en acht bewezen dat verdachte € 77.329,- heeft witgewassen.

4.3.4.

Kinderporno (zaak B)

Artikel 240b, eerste lid, Sr luidt: “Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding – of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding – van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, of schijnbaar is betrokken, verspreidt, aanbiedt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert, verwerft, in bezit heeft of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft.”

Het begrip “kennelijke leeftijd” is een geobjectiveerd bestanddeel, wat betekent dat de opzet van de verdachte niet gericht hoeft te zijn op de leeftijd en hij ook geen wetenschap hoeft te hebben van de leeftijd van het slachtoffer. Een verdachte kan in een strafzaak niet tegenwerpen dat hij niet wist dat de persoon op de afbeelding minderjarig was. Uit het dossier blijkt dat de afgebeelde persoon op de foto’s en video die waren opgeslagen op de telefoon van verdachte de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt. Dat deze minderjarige jongen ouder oogt, doet niet ter zake.

De rechtbank vindt dan ook bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het vervaardigen en voorhanden hebben van kinderpornografie.

4.3.5.

Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Zaak A

1.

in de periode van 22 december 2016 tot en met 6 mei 2020 te Bergen op Zoom en/of Schiedam en/of Rotterdam

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

 [slachtoffer 12] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 22] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

 met gebruikmaking van door hem opgemaakte niet op zijn, verdachtes, naam staande social media accounts, te weten social media accounts (van/via Snapchat en/of Instragram) op naam van een of meer niet bestaande personen (te weten een of meer accounts op naam van de niet bestaande persoon [fictieve naam] ( [fictieve naam] ),

 terwijl hij zich voordeed als die niet bestaande personen (waaronder die [fictieve naam] ( [fictieve naam] ))

 met voornoemde [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 22] communicatie in stand gehouden en

 in strijd met de waarheid een of meer afspra(a)k(en) gemaakt, inhoudende dat die [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 16] en/of [slachtoffer 22] tegen betaling van een of meer geldbedragen (272 euro en/of 450 euro en/of 2835 euro) seksuele handelingen zouden gaan verrichten met die niet bestaande [fictieve naam] ( [fictieve naam] ) en/of een niet bestaand nichtje van die niet bestaande [fictieve naam] ( [fictieve naam] );

2.

in de periode van 9 maart 2019 tot en met 15 november 2019 in Amsterdam en/of Den Bosch en/of Den Haag, in elk geval in Nederland,

meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaring van een geheim,

[slachtoffer 11] en [slachtoffer 20] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 13] heeft gedwongen tot het overmaken aan hem, verdachte, van geldbedragen, toebehorend aan die [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 13] ,

immers heeft verdachte die [slachtoffer 11] en [slachtoffer 20] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 13] gedreigd met het openbaar maken van seksueel getinte afbeeldingen en/of naaktfoto’s van die [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 13] als zij het gevraagde geldbedragen niet zouden overmaken;

3.

in de periode van 2 januari 2017 tot en met 11 september 2019 te Bergen op Zoom en/of Twello en/of Rotterdam en/of Schiedam,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaring van een geheim,

[slachtoffer 12] en [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 7] te dwingen tot afgifte van geldbedragen, toebehorende aan die [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 7]

- met gebruikmaking van een of meer door hem opgemaakte niet op zijn, verdachtes, naam staande social media accounts, te weten social media accounts (van/via Snapchat en/of Instragram) op naam van niet bestaande personen (te weten een of meer accounts op naam van de niet bestaande personen [fictieve naam] en/of andere niet bestaande personen) en

- terwijl hij zich voordeed als die niet bestaande personen (waaronder die [fictieve naam] )

- met die [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 7] communicatie in stand heeft gehouden en

- die [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 7] heeft gevraagd seksueel expliciete afbeeldingen en/of videobeelden van zichzelf aan hem, verdachte, te sturen en

- die [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 7] heeft gedreigd om een of meer van die seksueel getinte afbeelding(en) en/of naaktfoto(’s) van voornoemde [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 7] openbaar te maken als zij een of meer door hem, verdachte, aan hen gevraagde geldbedrag(en) niet zouden overmaken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

in de periode van 24 december 2016 tot en met 22 oktober 2020, te Rotterdam van geldbedragen, te weten een totaalbedrag van 77.329,- euro,

de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, en

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet,

terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

5.

in de periode van 1 maart 2019 tot en met 22 oktober 2020, te Rotterdam,

opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van valse identificerende persoonsgegevens, zijnde biometrische persoonsgegevens van een ander, te weten diverse foto’s van [slachtoffer 1] , door die foto’s van die [slachtoffer 1] te verstrekken als identificerende foto’s ten behoeve van het gebruiken van een social media accounts (te weten een social media-account van/via Snapchat) met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen en de identiteit van die ander (te weten die [slachtoffer 1] ) te misbruiken;

6.

in de periode van 1 februari 2018 tot en met 3 mei 2020 in Amsterdam en/of Rotterdam en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, en/of Augsburg (Duitsland) en/of Lier (België), met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaring van een geheim,

[slachtoffer 21] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 16] en [slachtoffer 19] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 23] , heeft gedwongen tot het overmaken aan hem, verdachte, van geldbedragen toebehorende aan die [slachtoffer 21] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 16] en/of [slachtoffer 19] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 23] en/of aan een derde,

immers heeft verdachte die [slachtoffer 21] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 16] en [slachtoffer 19] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 23] gedreigd met het openbaar maken van seksueel getinte afbeeldingen en/of naaktfoto’s van voornoemde [slachtoffer 21] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 16] en [slachtoffer 19] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 23] als zij het gevraagde geldbedrag niet zouden overmaken;

7.

in de periode van 22 december 2016 tot en met 6 mei 2020 te Rotterdam en/of Haarlem en/of Amsterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaring van een geheim,

[slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] te dwingen tot afgifte van geldbedragen, toebehorende aan die [slachtoffer 17] en/of [slachtoffer 18] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 10]

- met gebruikmaking van door hem opgemaakte niet op zijn, verdachtes, naam staande social media accounts, te weten social media accounts (van/via Snapchat en/of Instragram) op naam van niet bestaande personen (te weten accounts op naam van de niet bestaande persoon [fictieve naam] en/of een of meer andere niet bestaande personen)

- terwijl hij zich voordeed als die niet bestaande personen (waaronder die [fictieve naam] en/of die andere niet bestaande personen) en

- met die [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] contact heeft opgenomen en/of communicatie tot stand heeft gebracht en/of in stand heeft gehouden en

- die [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] heeft gevraagd een of meer seksueel expliciete afbeeldingen en/of videobeelden van zichzelf aan hem, verdachte, te sturen en

- die [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] heeft gedreigd om een of meer van die seksueel getinte afbeeldingen en/of naaktfoto’s van die [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] openbaar te maken als zij een of meer door hem, verdachte aan hen gevraagde geldbedragen niet zouden overmaken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak B:

op 2 mei 2020 in Nederland,

afbeeldingen heeft vervaardigd en

gegevensdragers (goednummer 5985654 en/of goednummer 5985641) bevattende afbeeldingen, te weten schermopnamen en screenshots, van seksuele gedragingen,

waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken

bestaande dat vervaardigen van en/of bezit van die afbeeldingen waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken

uit het maken en opslaan van schermopnamen en/of screenshots van [naam 2], die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

bestaande die schermopnamen en/of screenshots uit afbeeldingen waarbij deze persoon poseert in een (erotisch getinte) houding (waarbij deze persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel en billen en anus van die persoon in beeld gebracht worden waarbij de afbeeldingen aldus een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en strekken tot seksuele prikkeling en

waarbij deze persoon masturbeert waarbij de afbeeldingen aldus een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en streken tot seksuele prikkeling.

[Bestandsnaam: [bestandsnaam 1] ]

[Bestandnaam: [bestandsnaam 2] ]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond (een reden waarom de feiten niet strafbaar zouden zijn) is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

Ook vordert de officier de oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in het rapport van 21 juni 2021 geadviseerd. In aanvulling hierop vordert hij dat verdachte mee zal werken aan een psychologisch onderzoek en dat verdachte alle gegevens en afbeeldingen van de slachtoffers wist waarover verdachte mogelijk nog kan beschikken (bijvoorbeeld in de iCloud), onder toezicht van het Openbaar Ministerie.

Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.2.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd voor de strafmaat aan te sluiten bij het reclasseringsadvies. Bij toewijzing van de ontvankelijkheidsverweren zou het gaan om 11 klachtdossiers, witwassen en een zedenzaak. Wat die zedenzaak betreft is van belang dat verdachte niet wist dat de jongen op het beeldmateriaal minderjarig was. De raadsman verzoekt bij de strafmaat ook rekening te houden met het feit dat de moeder van verdachte is overleden terwijl verdachte in detentie zat en geen afscheid van haar heeft kunnen nemen.

Tot slot verzoekt de raadsman opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 67a lid 3 Sv. De beslissing hierover kan in het vonnis worden opgenomen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende lange tijd schuldig gemaakt aan een reeks van afdreigingen. Hij heeft zich op sociale media voorgedaan als een vrouw en heeft toen mannen bewogen seksueel expliciete foto’s en video’s van zichzelf naar verdachte te sturen. De mannen, allemaal van Turkse afkomst, dachten met een vrouw te communiceren. Nadat de mannen de seksueel getinte afbeeldingen en video’s hadden doorgestuurd, heeft verdachte gedreigd de afbeeldingen door te sturen naar familie en vrienden van de mannen als zij geen geldbedragen aan hem overmaakten. Verdachte heeft kennelijk slachtoffers met een Turkse achtergrond gezocht, omdat zij in verband met culturele aspecten wellicht sneller geneigd zijn om geld te betalen, in de hoop dat het beeldmateriaal niet zou worden geopenbaard. In totaal hebben 22 mannen aangifte gedaan, maar er zijn aanwijzingen dat verdachte veel meer mannen op dezelfde manier heeft afgedreigd. De impact van de afdreigingen op hun levens is enorm geweest. Sommigen van hen leven nog steeds in de angst dat het beeldmateriaal ooit ergens op zal duiken. Anderen hebben aan de rechtbank laten weten dat zij emotionele problemen ervoeren, slecht sliepen, financiële problemen kregen, problemen ervoeren op hun werk en in relaties en dat zij zich eenzaam, beschaamd en depressief voelden of hebben gevoeld. Een enkel slachtoffer overwoog zelfmoord, wat onderstreept hoe verwoestend deze vorm van afpersing (sextortion) kan zijn.

Verdachte heeft om zijn identiteit te verhullen bij het aanmaken van accounts op social media gebruik gemaakt van foto’s van een bestaande persoon en dus een vorm van identiteitsfraude gepleegd. Ook heeft verdachte gebruik gemaakt van twee bankrekeningnummers van een van zijn slachtoffers, nadat dit slachtoffer hem niet meer kon betalen. Dit deed hij, zo zei verdachte op de terechtzitting, om ontdekking moeilijker te maken. Maar hiermee heeft hij deze persoon extra benadeeld, omdat diens bankrekeningen zijn geblokkeerd door de banken en hij aanvankelijk als medeverdachte werd bestempeld.

Het geld dat verdachte verdiende met de afdreiging heeft verdachte witgewassen, niet alleen door het geld op de rekening van een ander te laten storten, maar ook door het door te sluizen naar een Turkse rekening en er zijn persoonlijke uitgaven van te doen, waaronder het maken van reizen.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het maken en voorhanden hebben van kinderporno. Hij heeft tijdens een chatsessie, waarbij hij zich voordeed als Didikckk, een minderjarige jongeman (eveneens van Turkse afkomst) bewogen een seksueel getinte foto en een erotische video door te sturen. Deze afbeelding en video heeft verdachte opgeslagen om ook hem af te dreigen.

De rechtbank vindt dit zeer ernstige feiten, vooral omdat verdachte zegt zelf ook ooit slachtoffer te zijn geweest van ‘sextortion’ en dus zou moeten weten hoe de slachtoffers zich voelen.

Zoals hiervoor besproken en zoals ook blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) zijn twee soortgelijke zaken in oktober 2019 geseponeerd (zaken 13 en 17). Verdachte is destijds door de politie gehoord, en heeft toen ontkend iets met deze afdreigingen te maken te hebben. Verdachte is ook door diverse slachtoffers gewezen op de strafbaarheid van zijn handelen, maar ook dat heeft geen effect gehad. Alleen door het nauwgezette onderzoek van de politie in het onderzoek Amulet is aan de door verdachte gepleegde misdrijven een eind gekomen. Pas na vele verhoren heeft verdachte toegegeven dat hij verantwoordelijk is voor de vele afdreigingen.

Hij is niet eerder voor een dergelijk delict veroordeeld.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het advies van Reclassering Nederland van 21 juni 2021. Hierin wordt aangegeven dat het van belang is dat verdachte hulp en ondersteuning krijgt. De reclassering vermoedt dat er meerdere factoren hebben bijgedragen aan de delicten, onder andere de problemen die verdachte ervaart met betrekking tot zijn seksualiteit, het omgaan met zijn emoties, maar mogelijk speelt een financieel motief ook een rol. Middels ambulante behandeling en het meewerken aan diagnostiek (om na te gaan waar het zwaartepunt van de problematiek ligt) schat de reclassering in dat de kans op recidive verkleind zou kunnen worden. Daarnaast vindt de reclassering het belangrijk dat verdachte ondersteuning krijgt bij het oplossen van zijn schuldenproblematiek en dat hij een passende dagbesteding vindt zodat hij weer structuur in zijn leven krijgt.

Verdachte is een relatief jonge verdachte die niet eerder is veroordeeld. Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat hij open staat voor reclasseringsbemoeienis en gemotiveerd is voor gedragsverandering.

De rechtbank zal bij de strafoplegging aansluiten bij de strafeis van de officier van justitie. De ernst van de feiten en de frequentie ervan rechtvaardigen een langdurige gevangenisstraf. Om te zorgen dat er voldoende motivatie is en blijft om aan gedragsverandering te werken, is de rechtbank van oordeel dat een lang voorwaardelijk strafdeel met een lange proeftijd passend is, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Daarnaast zal de rechtbank aan de voorwaardelijke gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte binnen vier weken na het onherroepelijk worden van dit vonnis de gegevensdragers die bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 22 oktober 2020 zijn aangetroffen (te weten een notebook Packard Bell, een iPad mini, twee usb-sticks en twee DVD’s) inlevert bij de officier van justitie. Deze gegevensdragers mogen eenmalig worden gecontroleerd op de aanwezigheid van beeldmateriaal of andere gegevens van de slachtoffers en dit beeldmateriaal/deze gegevens mogen worden verwijderd. Daarna zullen de gegevensdragers aan verdachte worden teruggegeven. Ook wordt verdachte verplicht zijn online opslagruimte (zoals de iCloud) eenmalig te laten controleren door de politie, teneinde al het beeldmateriaal en andere bestanden van de slachtoffers te laten verwijderen. Verdachte heeft namelijk tijdens de zitting verklaard dat er mogelijk nog beeldmateriaal van de slachtoffers staat opgeslagen in ‘de cloud’. Hij heeft zich bereid verklaard dit beeldmateriaal door of onder toeziend oog van de politie te (laten) verwijderen. Dat is een gedraging waartoe verdachte uit oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid tegenover de slachtoffers gehouden moet worden geacht. Van verdachte wordt hiermee niet gevergd dat hij meewerkt aan door de politie veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen (vgl. ECLI:NL:HR:2021:698).

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander, te weten het door bedreiging met het openbaar maken van een geheim (seksueel getinte foto’s en video’s) iemand dwingen tot afgifte van geldbedragen. Verdachte heeft deze handelingen gepleegd ook nadat hij hiervoor eerder in aanraking is geweest met de politie en twee eerdere, soortgelijke zaken zijn geseponeerd. Deze feiten zijn lucratief gebleken, en het ontbreekt verdachte aan een legaal inkomen en aan een zinvolle dagbesteding. De rechtbank is daarom van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf, gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zal begaan. De rechtbank zal daarom bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.4.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  • -

    een zwarte Salv. Ferragamo riem, item G5985832

  • -

    een merkloos horloge, item G5985833

  • -

    een zwarte Louis Vuitton tas, item G5985838

  • -

    een Rolex horloge, item G5985839

  • -

    een Rolex horloge, item G5985842

  • -

    een GSM, Apple pro max 11, item G5985654

  • -

    een GSM Apple Xs, item G5985641

  • -

    een GSM, Apple 4, item G598666

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de Apple iPhone pro max 11 en de iPhone Xs, behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het onder parketnummer 13-029534-20 onder 2, 3, 6, 7 en onder parketnummer 13-156662-21 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

De rechtbank merkt op dat de officier van justitie heeft aangeboden verdachte in de gelegenheid te stellen samen met de politie de privéfoto’s van zijn moeder, die nog op de telefoons staan, over te zetten op een usb-stick. Hiervoor zal verdachte onder toezicht van de politie de beschikking krijgen over zijn telefoons, alvorens deze worden verbeurdverklaard.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de (imitatie) Rolexhorloges (items G5985839 en G5985842) die aan verdachte toebehoren, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met wet.

Teruggeven aan verdachte

De overige items (riem, merkloos horloge, tas en iPhone 4) dienen aan verdachte te worden teruggegeven.

9 Vorderingen van benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De navolgende benadeelde partijen hebben een vordering tot vergoeding van de materiële en/of immateriële schade ingediend:

materiële schade immateriële schade

  • -

    [slachtoffer 11] € 1.100,- € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 1] € 1.000,-

  • -

    [slachtoffer 13] € 3.065,-

  • -

    [slachtoffer 21] € 9.957,- € 1.500,-

  • -

    [slachtoffer 23] € 2.905,-

  • -

    [slachtoffer 12] € 272,- € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 5] € 278,- € 1.338,75

  • -

    [slachtoffer 8] €14.505,- € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 19] € 3.995,- € 1.000,-

  • -

    [slachtoffer 18] € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 7] €20.000,-

  • -

    [slachtoffer 22] € 3.000,-

De benadeelde partijen hebben allemaal gevorderd dat de te vergoeden schade – bij toewijzing van de vordering – zal worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Materiële schade

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de vorderingen van [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 18] , [slachtoffer 19] en [slachtoffer 23] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu hij van mening is dat de officier van justitie in deze zaken niet-ontvankelijk is in de vervolging. Zoals hiervoor onder rubriek 3 uiteen is gezet, verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk in de vervolging van de verdachte in de zaken.

Vast staat dat aan de benadeelde partijen [slachtoffer 11] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 19] en [slachtoffer 22] door het onder 1 of 2 of 6 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De hoogte van de door hen gevorderde bedragen worden ondersteund door hun aangiften en het financiële onderzoek naar de geldstromen op de bankrekeningen van verdachte. De vorderingen zullen op deze onderdelen dan ook worden toegewezen.

[slachtoffer 22]

De rechtbank overweegt ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 22] dat hij – zakelijk weergegeven – het door afdreiging aan verdachte betaalde bedrag vergoed wil hebben. [slachtoffer 22] heeft een vordering ingediend van € 3.000,- onder de noemer immateriële schade. Hij heeft € 2.835,- aan verdachte betaald. De rechtbank begrijpt de vordering van [slachtoffer 22] zo dat hij eigenlijk € 2.835,- aan materiële schade vordert. Het overige deel (€ 165,-) ziet de rechtbank als een vordering tot vergoeding van immateriële schade. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de materiële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 2.835,-, nu dit het bedrag is dat [slachtoffer 22] aan verdachte heeft overgemaakt.

Immateriële schade

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partijen [slachtoffer 5] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] in hun vorderingen van de immateriële schade niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Ook in deze zaken geldt dat de rechtbank het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk acht in de vervolging, en de vorderingen van deze benadeelde partijen dus ook ontvankelijk zijn.

De benadeelde partijen [slachtoffer 11] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 18] hebben een vordering tot vergoeding van immateriële schade ingediend.

Aan hen is door het onder 1, 2, 3, 5, 6 of 7 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partijen ten gevolge van het strafbare feit in zijn/haar eer of goede naam is aangetast.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de impact van de bewezenverklaarde feiten, deze vorderingen niet buitensporig hoog zijn. Door sommige benadeelde partijen is voor de hoogte van het bedrag verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. Anders dan de raadsman vindt de rechtbank de situatie in die uitspraak wel vergelijkbaar aan de situatie van de benadeelde partijen in onderhavige zaak. De rechtbank vindt het bedrag van € 1.350,- passend en zal dat telkens toewijzen. Daarop worden twee uitzonderingen gemaakt. Aan [slachtoffer 21] wordt een hoger bedrag (€ 1500,-) toegewezen omdat hij naar het oordeel van de rechtbank nog iets zwaarder is getroffen door het handelen van verdachte. Doordat verdachte zijn bankrekeningen is gaan gebruiken, is [slachtoffer 21] als verdachte aangemerkt, aangehouden en verhoord. De rechtbank vindt € 1500,- in zijn geval daarom een passend bedrag. De andere uitzondering heeft betrekking op de vorderingen waarin door de benadeelde partij een lager bedrag dan € 1.350,- aan immateriële schade is gevorderd. De rechtbank kan namelijk niet een hoger bedrag toewijzen dan is gevorderd door de benadeelde partij.

[slachtoffer 7]

De benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 20.000,- ingediend. De rechtbank zal (om de hiervoor genoemde redenen) deze vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.350,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd ten aanzien van het deel dat het bedrag van € 1.350,- overstijgt en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal aan de benadeelde partijen de volgende schadevergoeding toewijzen:

materiële schade immateriële schade

  • -

    [slachtoffer 11] € 1.100,- € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 1] € 1.000,-

  • -

    [slachtoffer 13] € 3.065,-

  • -

    [slachtoffer 21] € 9.957,- € 1.500,-

  • -

    [slachtoffer 23] € 2.905,-

  • -

    [slachtoffer 12] € 272,- € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 5] € 278,- € 1.338,75

  • -

    [slachtoffer 8] €14.505,- € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 19] € 3.995,- € 1.000,-

  • -

    [slachtoffer 18] € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 7] € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 22] €. 2.835,- € 165,-

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van alle benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte worden opgelegd.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen ten aanzien van iedere benadeelde partij, aangezien verdachte jegens ieder slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de ten aanzien van de slachtoffers bewezenverklaarde feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op de volgende bedragen:

  • -

    [slachtoffer 11] € 2.450,-

  • -

    [slachtoffer 1] € 1.000,-

  • -

    [slachtoffer 13] € 3.065,-

  • -

    [slachtoffer 21] €11.457,-

  • -

    [slachtoffer 23] € 2.905,-

  • -

    [slachtoffer 12] € 1.622,-

  • -

    [slachtoffer 5] € 1.616,75

  • -

    [slachtoffer 8] €15.855,-

  • -

    [slachtoffer 19] € 4.995,-

  • -

    [slachtoffer 18] € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 7] € 1.350,-

  • -

    [slachtoffer 22] € 3.000,-

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die iedere benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank ten aanzien van elk van de benadeelde partijen begroot op nihil, en in de kosten die iedere benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

10 Voorlopige hechtenis

Verdachte zit sinds 22 oktober 2020 in voorlopige hechtenis. Tijdens de zitting heeft de raadsman van verdachte gevraagd om de voorlopige hechtenis op te heffen, nu de situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv aan de orde is. Dit verzoek wordt afgewezen, gelet op de gevangenisstraf die de rechtbank aan verdachte zal opleggen en die de duur van de door hem reeds ondergane voorlopige hechtenis ruimschoots overstijgt.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 45, 57, 231a, 240b, 318, 326, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ (rubriek 5) is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

Feit 1:

Oplichting, meermalen gepleegd

Feiten 2 en 6:

Afdreiging, meermalen gepleegd

Feiten 3 en 7:

Poging tot afdreiging, meermalen gepleegd

Feit 4:

Gewoontewitwassen

Feit 5:

Opzettelijk gebruik maken van valse biometrische gegevens, als waren deze echt en onvervalst

Zaak B

Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt betrokken of schijnbaar betrokken is, vervaardigen

en

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt betrokken of schijnbaar betrokken is, in bezit hebben.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

Veroordeelde meldt zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Ambulante behandeling

Veroordeelde werkt mee aan diagnostiek en laat zich behandelen door I-psy of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra deze beschikbaar is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Andere voorwaarden, het gedrag betreffend

Meewerken aan schuldhulpverlening

Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Hij geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Meewerken aan het vinden van een passende dagbesteding

Veroordeelde werkt mee aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding, bij voorkeur betaald werk.

Meewerken aan opschonen gegevensdragers

Veroordeelde zal binnen vier weken na het onherroepelijk worden van dit vonnis de gegevensdragers die bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 22 oktober 2020 zijn aangetroffen (te weten een notebook Packard Bell, een iPad mini, twee usb-sticks en twee DVD’s) inleveren bij de officier van justitie. Veroordeelde werkt voorts mee aan een eenmalige controle van zijn online opslagruimte (zoals de iCloud).

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Dadelijk uitvoerbaar

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beslissingen ten aanzien van het beslag

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    een Rolex horloge, item G5985839

  • -

    een Rolex horloge, item G5985842

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

  • -

    een zwarte Salv. Ferragamo riem, item G5985832

  • -

    een zwarte Louis Vuitton koffer, item G5985838

  • -

    een GSM, Apple 4, item G598666

  • -

    een merkloos horloge, item G5985833

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

  • -

    een GSM, Apple pro max 11, item G5985654

  • -

    een GSM Apple Xs, item G5985641

teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen samen met de politie de op de telefoons aanwezige foto’s (met name de foto’s van de moeder van verdachte) over te zetten op een usb-stick of andere gegevensdrager.

Verklaart vervolgens verbeurd:

  • -

    een GSM, Apple pro max 11, item G5985654

  • -

    een GSM Apple Xs, item G5985641

Benadeelde partijen

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] toe tot een bedrag van € 1.100,- (elfhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 1.350,- (dertienhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] toe tot een bedrag van € 3.065,- (drieduizend en vijfenzestig euro) aan vergoeding van materiële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 21] toe tot een bedrag van € 9.957,- (negenduizend negenhonderden zevenenvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- (vijftienhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 23] toe tot een bedrag van € 2.905 (tweeduizend negenhonderdenvijf euro) aan vergoeding van materiële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] toe tot een bedrag van € 272,- (tweehonderdtweeënzeventig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 1.350,- (dertienhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van € 278,- (tweehonderdachtenzeventig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 1.338,75 (dertienhonderd achtendertig euro en vijfenzeventig cent) aan vergoeding van immateriële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] toe tot een bedrag van € 14.505,- (veertienduizend vijfhonderdvijf euro) aan vergoeding van materiële schade en € 1.350,- (dertienhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 19] toe tot een bedrag van € 3.995,- (drieduizend negenhonderdenvijfennegentig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 18] toe tot een bedrag van € 1.350,- (dertienhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe tot een bedrag van € 1.350,- (dertienhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade;

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 22] toe tot een bedrag van € 2.835,- (tweeduizend achthonderdvijfendertig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 165,- (honderdvijfenzestig euro) aan vergoeding van immateriële schade;

Bestaande uit materiële en/of immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente van het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten:

  • -

    [slachtoffer 11] : vanaf 23 augustus 2019

  • -

    [slachtoffer 1] : vanaf 28 maart 2019

  • -

    [slachtoffer 13] : vanaf 30 oktober 2019

  • -

    [slachtoffer 21] : vanaf 18 oktober 2019

  • -

    [slachtoffer 23] : vanaf 23 december 2019

  • -

    [slachtoffer 12] : vanaf 4 september 2019

  • -

    [slachtoffer 5] : vanaf 12 augustus 2019

  • -

    [slachtoffer 8] : vanaf 22 januari 2020

  • -

    [slachtoffer 19] : vanaf 3 mei 2020

  • -

    [slachtoffer 18] : vanaf 10 mei 2020

  • -

    [slachtoffer 7] : vanaf 25 maart 2019

  • -

    [slachtoffer 22] : vanaf 18 december 2018

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedragen aan voornoemde benadeelde partijen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door iedere benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op te betalen aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen als volgt:

  • -

    [slachtoffer 11] : € 2.450,- (tweeduizend vierhonderdvijftig euro)

  • -

    [slachtoffer 1] : € 1.000,- (duizend euro)

  • -

    [slachtoffer 13] : € 3.065,- (drieduizend vijfenzestig euro)

  • -

    [slachtoffer 21] : €11.457,- (elfduizend vierhonderdzevenenvijftig euro)

  • -

    [slachtoffer 23] : € 2.905,- (tweeduizend negenhonderdenvijf euro)

  • -

    [slachtoffer 12] : € 1.622,- (zestienhonderd tweeëntwintig euro)

  • -

    [slachtoffer 5] : € 1.616,75 (zestienhonderdzestien euro en vijfenzeventig cent)

  • -

    [slachtoffer 8] : €15.855,- (vijftienduizend achthonderdvijfenvijftig euro)

  • -

    [slachtoffer 19] : € 4.995,- (vierduizend negenhonderdvijfennegentig euro)

  • -

    [slachtoffer 18] : € 1.350,- (dertienhonderdvijftig euro)

  • -

    [slachtoffer 7] : € 1.350,- (dertienhonderdvijftig euro)

  • -

    [slachtoffer 22] : € 3.000,- (drieduizend euro)

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, zoals hierboven is weergegeven.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van

  • -

    [slachtoffer 11] : 49 (negenenveertig) dagen

  • -

    [slachtoffer 1] : 29 (twintig) dagen

  • -

    [slachtoffer 13] : 61 (eenenzestig) dagen

  • -

    [slachtoffer 21] : 229 (tweehonderdnegenentwintig) dagen

  • -

    [slachtoffer 23] : 58 (achtenvijftig) dagen

  • -

    [slachtoffer 12] : 32 (tweeëndertig) dagen

  • -

    [slachtoffer 5] : 32 (tweeëndertig) dagen

  • -

    [slachtoffer 8] : 317 (driehonderdzeventien) dagen

  • -

    [slachtoffer 19] : 99 (negenennegentig) dagen

  • -

    [slachtoffer 18] : 27 (zevenentwintig) dagen

  • -

    [slachtoffer 7] : 27 (zevenentwintig) dagen

  • -

    [slachtoffer 22] : 60 (zestig) dagen

De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. J.M. Jongkind en A.F. Bazdidi Tehrani, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2021.