Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3458

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
13/214273-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen van uitlokking tot poging tot doodslag; veroordeling vuurwapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/214273-20

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] ,

gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats detentie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Op 22 april 2021 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Verdachte was daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.N. Refos, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T. de Wit, naar voren hebben gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partij, [benadeelde partij] , vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw mr. H.A.F.C. Tack, naar voren heeft gebracht.

Op de zitting is G.L. Marcuñé, vuurwapendeskundige, als getuige-deskundige gehoord.

2 Tenlastelegging

De verdenking van verdachte richt zich op het op 29 april 2020 opdracht geven aan [medeverdachte] om [benadeelde partij] in zijn been te schieten en het bezit van een vuurwapen op die dag (feiten 1 en 2). Daarnaast wordt hij verdacht van het voorhanden hebben van vuurwapens waaronder een AK-47 tijdens het opnemen van een videoclip (feit 3).

Aan verdachte is daarom – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1 primair: het medeplegen van uitlokking van [medeverdachte] tot poging tot doodslag van [benadeelde partij] op 29 april 2020 te Amsterdam;

Feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot doodslag;

Feit 1 meer subsidiair: het medeplegen van uitlokking van [medeverdachte] tot poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] op 29 april 2020 te Amsterdam;

Feit 1 meest subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot zware mishandeling;

Feit 2: vuurwapenbezit in vereniging, te weten: een pistool van het merk Zoraki, op 29 april 2020 te Amsterdam;

Feit 3 primair: vuurwapenbezit in vereniging, te weten: een ingekorte Kalasjnikov, een ingekort hagelgeweer en een pistool van het merk Zastrava, in de periode van 1 januari 2020 tot en met 13 januari 2021 te Amsterdam;

Feit 3 subsidiair: het bezit van voorwerpen die een sprekende gelijkenis vertonen met de genoemde vuurwapens, in vereniging, in de periode van 1 januari 2020 tot en met 13 januari 2021 te Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Schietincident en wapenbezit op 29 april 2020 (feiten 1 en 2)

Op 29 april 2020 heeft er een schietincident plaatsgevonden in [locatie] te Amsterdam. Ter plaatse trof de politie twee vechtende mannen aan en er lag een pistool in het gras. De twee mannen bleken de heren [benadeelde partij] en [medeverdachte] te zijn. [benadeelde partij] heeft verklaard te zijn beschoten door [medeverdachte] . [medeverdachte] , destijds zestien jaar oud, heeft bekend dat hij de schutter was. De rechtbank Midden-Nederland heeft [medeverdachte] voor dit schietincident op 6 oktober 2020 veroordeeld voor poging zware mishandeling.

[medeverdachte] heeft verklaard dat twee mannen, hem die middag hebben gevraagd om een voor hem onbekende man – [benadeelde partij] – in zijn been te schieten. Deze twee mannen heeft hij ontmoet in een woning in Amsterdam Zuidoost en toen is hem dat gevraagd. Hij wil de namen van de twee mannen niet noemen. De man die hij moest beschieten moest ‘bang’ worden gemaakt. [medeverdachte] zou voor het schieten in het been een bedrag van EUR 2.000,- krijgen. De twee mannen hebben hem met de auto naar [locatie] gebracht. Daar is hem [benadeelde partij] aangewezen. Vervolgens heeft [medeverdachte] het vuurwapen – in een schoudertasje van het merk Louis Vuitton – overhandigd gekregen en is hij samen met één van de twee mannen naar het park gelopen. [medeverdachte] zou tijdens het lopen naar het park nog hebben gezegd dat hij nog nooit had geschoten. Daarop zou de man met wie hij was hebben gezegd dat hij alleen maar de trekker hoefde over te halen. Vervolgens is hij naar [benadeelde partij] gelopen, heeft hij geschoten en heeft hij het been van [benadeelde partij] geraakt.

Op camerabeelden van een café aan het park is te zien dat verdachte de man is met wie [medeverdachte] vlak voor de schietpartij samen was. Verdachte heeft ook verklaard dat hij de man op de beelden is.

Verdachte heeft echter ontkend dat hij [medeverdachte] opdracht heeft gegeven om [benadeelde partij] neer te schieten. Hij heeft verklaard dat hij die dag wel met [medeverdachte] was en dat hij hem, samen met een ander, naar [locatie] heeft gereden, maar dat hij niet wist dat [medeverdachte] van plan was om op iemand te schieten. [medeverdachte] had ergens een afspraak en verdachte hielp hem het juiste adres te vinden. Verdachte had [medeverdachte] pas die dag ontmoet via een gemeenschappelijk contact, de heer [persoon 1] . Verdachte kende [benadeelde partij] niet. Eerder op die dag had [medeverdachte] wel een kogel aan verdachte gegeven en hem gevraagd of hij aan meer van dat soort kogels kon komen. Verdachte wist niet wat [medeverdachte] daarmee van plan was.

Wapenbezit, tijdens maken videoclip “Violent talk” (feit 3)

Naar aanleiding van de verdenkingen tegen verdachte is verder onderzoek naar hem verricht. Hieruit is naar voren gekomen dat verdachte actief is in de muziekwereld, met name in de rapscene en als artiestennaam de naam ‘ [artiestennaam van verdachte] ’ gebruikt. Er zijn meerdere videoclips op de website YouTube geplaatst, waarin verdachte is te zien. In één van die clips is een aantal wapens te zien. Verdachte wordt ervan verdacht die wapens voorhanden te hebben gehad.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uitlokking van een poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair) en het voorhanden hebben van het vuurwapen waarmee [benadeelde partij] door [medeverdachte] is neergeschoten (feit 2) kan worden bewezen.

De officier van justitie vindt dat kan worden vastgesteld dat verdachte [medeverdachte] heeft uitgelokt om [benadeelde partij] neer te schieten. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij opdracht heeft gekregen om [benadeelde partij] in zijn been te schieten van twee mannen die hij die dag had ontmoet in een woning in Amsterdam. Zij hebben hem met de auto bij [locatie] afgezet en ook het vuurwapen overhandigd, waarmee hij uiteindelijk op het slachtoffer heeft geschoten. Verdachte was één van de mannen die [medeverdachte] heeft ontmoet in de woning. Verdachte was ook vlak voor de schietpartij met [medeverdachte] samen. Dat is te zien op camerabeelden van een café aan het park. De verklaring van [medeverdachte] wordt verder ondersteund doordat op een patroon dat is aangetroffen op het grasveld in [locatie] DNA zat van verdachte. Het DNA van verdachte zat op het patroon omdat hij het vuurwapen aan [medeverdachte] heeft gegeven.

Ook vindt de officier van justitie dat het bezit van meerdere (echte) vuurwapens (feit 3 primair) kan worden bewezen. Vastgesteld kan worden dat verdachte in de videoclip van het nummer ‘Violent talk’ de in de tenlastelegging genoemde vuurwapens voorhanden heeft gehad.

De vuurwapens in de videoclip zijn echt. Dit is ook de conclusie van de wapendeskundige die hierover heeft gerapporteerd en tijdens de zitting een toelichting heeft gegeven. Hierbij is onder meer van belang dat in de clip niet enkel vuurwapens worden gedragen en getoond, er komt ook meerdere keren munitie in beeld. Het gaat niet om balletjes of gaspatronen. Daarnaast kunnen in Nederland ‘onklaar’ gemaakte wapens, indien wordt voldaan aan allerlei voorwaarden, worden gebruikt bij de opnames van een film of videoclip. Zo moet er onder meer vooraf schriftelijk toestemming zijn verleend door de burgemeester of korpschef. Van een dergelijke toestemming is hier niet gebleken. Los daarvan geldt dat de ingekorte Kalasjnikov en het ingekorte hagelgeweer niet verkrijgbaar zijn in het legale circuit. Er zijn geen ingekorte replica’s van de Kalasjnikov bekend.

3.3

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van alle aan hem ten laste gelegde feiten, vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Verdachte heeft een uitvoerige, verifieerbare en daarmee betrouwbare verklaring afgelegd. Verdachte wist niet wat [medeverdachte] van plan was. Hij heeft hem slechts een lift gegeven. De verklaring van [medeverdachte] is niet betrouwbaar. Dat blijkt onder meer uit het feit dat [medeverdachte] enkele dagen voor het incident WhatsApp-contact had met ene ‘ [persoon 2 bijnaam] ’, te weten de heer [persoon 2] . [persoon 2 bijnaam] appt twee dagen voor het incident: ‘Vanaf 6 uur moeten we actief zijn’ en ‘Yoo is nog niet gevallen, kan elk moment vallen’. Deze berichten zijn opmerkelijk nu [benadeelde partij] heeft verklaard dat de afspraak met zijn ex-vriendin meerdere malen is verplaatst in dezelfde week. [persoon 2 bijnaam] appt verder op 27 april 2020: ‘Yoo woensdag zeker die man vertraagd’. Het incident vond twee dagen later plaats, op 29 april 2020. Op de 29ste, de dag van het incident, ontving [medeverdachte] in de nacht een app van [persoon 2 bijnaam] : ‘Wees morgen spits’. [medeverdachte] antwoordde daarop: ‘Ik ben gewoon spits’. Om 11 uur ’s ochtends op 29 april stuurt [persoon 2 bijnaam] vervolgens ‘Yo ik baar als je actief moet zijn’. Als [medeverdachte] gevraagd wordt naar de inhoud van deze WhatsApp-conversatie antwoordt hij dat het een gesprek betreft over pinpasfraude. Als [persoon 2 bijnaam] als getuige wordt gehoord, verklaart hij dat dit een gesprek betreft over het kopen van hasj. Deze WhatsApp-conversatie is verdacht en draagt bij aan de gedachte dat [medeverdachte] niet impulsief handelde uit een opdracht die hij enkele uren daarvoor van verdachte zou hebben gekregen. Het handelen van [medeverdachte] duidt eerder op een doordachte actie die hij zelf of met anderen heeft opgezet. Naast de verklaring van [medeverdachte] bevat het dossier verder geen bewijs dat wijst op betrokkenheid van verdachte bij het incident. Hoewel [medeverdachte] heeft verklaard het wapen te hebben gekregen van de bijrijder, verdachte, wordt op het wapen geen DNA van verdachte aangetroffen. Ook blijkt verder uit niets dat verdachte een motief had waarom hij [benadeelde partij] bang zou willen maken. Verdachte kende [benadeelde partij] niet en er is ook geen link tussen deze twee personen te vinden in het dossier.

Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde, merkt de verdediging ten eerste op dat niet kan worden vastgesteld wanneer het filmpje is opgenomen en of dit binnen de in de tenlastelegging genoemde termijn is geweest. Daarnaast vindt de verdediging dat op basis van het filmmateriaal niet kan worden vastgesteld dat het echte wapens betrof.

3.4

Oordeel van de rechtbank

De vraag die voorligt is of kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) uitlokking of medeplichtigheid aan poging doodslag of de poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] . De rechtbank vindt dat niet bewezen kan worden dat verdachte in strafrechtelijke zin betrokken is geweest bij het schietincident en spreekt verdachte vrij van de feiten 1 en 2.

De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring voor wat betreft het aan verdachte tenlastegelegde onder feit 3 primair.

3.4.1.

Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair: geen poging tot doodslag

Voordat de rechtbank de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij het schietincident bespreekt, zal zij eerst beoordelen of het schieten door [medeverdachte] op [benadeelde partij] als poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling moet worden beschouwd.

Uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 oktober 2020 in de zaak tegen [medeverdachte] , blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden bewezen dat [medeverdachte] het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, om aangever van het leven te beroven.

[medeverdachte] heeft op de zitting van zijn strafzaak verklaard dat hij aangever in het been wilde schieten omdat hij daartoe opdracht had gekregen en hij ervan uitging dat aangever daardoor niet zou komen te overlijden. Vervolgens is [medeverdachte] aangever op korte afstand genaderd, heeft hij het vuurwapen naar beneden gericht, in de richting van aangever en hem daarbij in het been geraakt.

Uit de geneeskundige verklaring van 30 april 2020, opgemaakt door [forensisch arts] , forensisch arts, KNMG, blijkt dat een schotverwonding in het bovenbeen is vastgesteld. Niet gesteld kan worden dat naar algemene ervaringsregels geldt dat zich in deze plek van het lichaam zodanig vitale organen bevinden die bij verwonding de aanmerkelijke kans op de dood oplevert. De rechtbank Midden-Nederland kan gelet hierop niet zonder meer vaststellen dat de kans dat aangever door de gedragingen van [medeverdachte] zou komen te overlijden, aanmerkelijk is te noemen.

De rechtbank sluit zich – net als de officier van justitie en de verdediging – aan bij deze overwegingen van de rechtbank Midden-Nederland en komt op basis hiervan en de inhoud van het dossier tot het oordeel dat geen sprake is van een poging tot doodslag.

Verdachte wordt daarom van het medeplegen van uitlokking tot poging tot doodslag en medeplichtigheid aan poging tot doodslag vrijgesproken.

3.4.2

Vrijspraak feit 1 meer subsidiair en meest subsidiair: onvoldoende bewijs voor uitlokking tot of medeplichtigheid aan poging tot zware mishandeling

3.4.2.1 Geen uitlokking: verklaring van [medeverdachte] onbetrouwbaar

De rechtbank sluit zich – net als de officier van justitie – aan bij de overwegingen van de rechtbank Midden-Nederland in haar vonnis van 6 oktober 2020 dat het gronddelict, poging tot zware mishandeling, op basis van het dossier kan worden bewezen. De rechtbank Midden-Nederland leidt uit de bewijsmiddelen af dat [benadeelde partij] op een stenen bankje zat op het moment dat hij door [medeverdachte] werd beschoten. [medeverdachte] heeft op de zitting van zijn strafzaak verklaard eenmaal op [benadeelde partij] te hebben geschoten. [benadeelde partij] heeft verklaard één knal te hebben gehoord. Verder heeft [benadeelde partij] bij de politie verklaard dat hij met één been gestrekt op het bankje zat op het moment dat verdachte op hem schoot. [benadeelde partij] heeft verwondingen aan de achterzijde van het rechterbovenbeen en aan de binnenzijde van de rechterkuit opgelopen.

De rechtbank stelt vast dat het gebruik van de verklaring van [medeverdachte] als bewijsmiddel cruciaal is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de aan verdachte tenlastegelegde uitlokking van [medeverdachte] tot poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] . Het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte op de kogel en het feit dat verdachte met [medeverdachte] in de buurt van het plaats delict was, is daaraan ondersteunend. Ander bewijs dat wijst op betrokkenheid van verdachte bij het schietincident ontbreekt. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte] echter op de meest essentiële punten onbetrouwbaar en daarmee in het geheel onbruikbaar voor het bewijs. De rechtbank komt daarom tot een vrijspraak van verdachte voor de feiten 1 meer subsidiair, meest subsidiair en 2. De rechtbank licht dit hieronder nader toe.

Verklaring van [benadeelde partij]

Uit het dossier blijkt dat [benadeelde partij] vermoedt dat zijn ex-vriendin, [ex-vriendin van benadeelde partij] , achter het schietincident zit. [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij zijn zoon drie jaar niet heeft mogen zien van haar. Volgens [benadeelde partij] moet zijn ex-vriendin hem wel hebben gehaat om hem die tijd met zijn zoon te ontzeggen. Die dag, 29 april 2020, in [locatie] was de eerste keer dat [benadeelde partij] zijn zoon weer zag. Dit was in het bijzijn van [ex-vriendin van benadeelde partij] . Omstreeks de verjaardag van zijn zoon is het contact met [ex-vriendin van benadeelde partij] weer begonnen. [benadeelde partij] gaf aan dat hij zijn zoon graag weer wilde zien. Voordat de afspraak op 29 april 2020 tot stand kwam, heeft [ex-vriendin van benadeelde partij] deze meerdere malen geannuleerd of gewijzigd.

Telefoongesprek [ex-vriendin van benadeelde partij] met geestelijk verzorger

Het vermoeden van [benadeelde partij] dat [ex-vriendin van benadeelde partij] iets met het schietincident te maken heeft, wordt ondersteund door een uitwerking van een telefoongesprek dat zich in het dossier bevindt. Op 30 april 2020 omstreeks 17:40 uur heeft zij een telefoongesprek met haar ‘geestelijk verzorger’, [persoon 3] . In dit gesprek zegt [ex-vriendin van benadeelde partij] onder meer: ‘Ik heb iets ergs gedaan. Ik wil iets oplossen. Maar ik kan het ook weer niet oplossen. Ik heb iets slechts gedaan tegenover de vader van [zoon van benadeelde partij] . Ik kon het stoppen maar ik heb het niet gedaan.’ Uit onderzoek is gebleken dat [zoon van benadeelde partij] het vierjarige zoontje is van [ex-vriendin van benadeelde partij] en [benadeelde partij] .

WhatsApp-contact tussen [medeverdachte] en ‘ [persoon 2 bijnaam] ’

Twee dagen voor het schietincident vond de door de verdediging aangehaalde WhatsApp-conversatie tussen [medeverdachte] en [persoon 2 bijnaam] plaats. Uit dit gesprek blijkt dat er woensdag 29 april 2020 iets staat te gebeuren. [medeverdachte] verklaarde over de inhoud van dit WhatsApp-gesprek dat dit een gesprek betrof over pinpasfraude. [persoon 2] , ‘ [persoon 2 bijnaam] ’, verklaarde over de inhoud van dit WhatsApp-gesprek dat het ging over het kopen van hasj. Dat zijn twee uiteenlopende verklaringen. Er wordt in het WhatsApp-gesprek ook bericht over een man die vertraagt, twee dagen voor het incident. Dit zou kunnen aansluiten op de verklaring van [benadeelde partij] dat [ex-vriendin van benadeelde partij] de afspraak meerdere malen annuleerde of wijzigde.

De voorgaande feiten en omstandigheden maken dat de rechtbank de verklaring van [medeverdachte] onbetrouwbaar vindt op het punt dat verdachte (of de twee onbekende mannen) de opdracht zou hebben gegeven aan [medeverdachte] om [benadeelde partij] in zijn been te schieten. Deze feiten en omstandigheden lijken immers tegen te spreken dat [medeverdachte] impulsief handelde uit een opdracht die hij enkele uren daarvoor van voor hem onbekende mannen zou hebben gekregen. De rechtbank zal de verklaring van [medeverdachte] daarom niet voor het bewijs gebruiken. Dan resteert voor het bewijs alleen het aangetroffen DNA van verdachte op één van de kogels en het feit dat hij [medeverdachte] kort voor het schietincident vergezelde. De verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd roept bij de rechtbank weliswaar vragen op, maar deze feiten kunnen naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet bewijzen dat verdachte [medeverdachte] heeft uitgelokt om [benadeelde partij] in zijn been te schieten. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

3.4.2.2 Onvoldoende bewijs voor medeplichtigheid

Het feit dat verdachte [medeverdachte] een lift heeft gegeven is onvoldoende voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan poging tot zware mishandeling. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan immers niet worden vastgesteld dat verdachte enige wetenschap heeft gehad van het plan van [medeverdachte] om [benadeelde partij] in zijn been te schieten. Ook is er onvoldoende bewijs dat verdachte het vuurwapen aan [medeverdachte] heeft overhandigd.

Op de camerabeelden is [medeverdachte] weliswaar te zien met een tasje van het merk Louis Vuitton, waarin volgens hem het vuurwapen zou zitten, maar niet is te zien dat dit door verdachte aan [medeverdachte] werd overhandigd. Verdachte wordt ook van dit feit vrijgesproken.

3.4.3

Vrijspraak feit 2: onvoldoende bewijs voor vuurwapenbezit (Zoraki)

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij het vuurwapen van de bijrijder overhandigd heeft gekregen. Dat zou verdachte zijn. Later bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij niet meer precies weet van wie en wanneer hij het vuurwapen overhandigd gekregen heeft. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat zij de verklaring van [medeverdachte] niet voor het bewijs zal gebruiken. Gelet daarop kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad. Het feit dat zijn DNA op een kogel in [locatie] is aangetroffen, maakt dat niet anders. Ook van dit feit wordt verdachte vrijgesproken.

3.4.4

Bewezenverklaring feit 3 primair: medeplegen van voorhanden hebben Kalasjnikov, hagelgeweer en pistool (Zastrava)

De rechtbank vindt dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte een Kalasjnikov, een hagelgeweer en een pistool voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij die wapens tijdens de opnames van de videoclip van het nummer ‘Violent Talk’ gedragen heeft.

De vuurwapendeskundige G.L. Marcuñé heeft in zijn processen-verbaal en in zijn verklaring tijdens de zitting uitgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de wapens echt zijn. De rechtbank volgt die conclusie en merkt daarbij nog op dat die conclusie gesterkt wordt door het feit dat in de videoclip (echte) bijpassende munitie te zien is.

Uit een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] volgt dat de videoclip op 2 december 2020 is geüpload. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat de videoclip ver voor 2 december 2020 is opgenomen. Verdachte heeft daarnaast desgevraagd verklaard dat in de videoclip personen te zien zijn die mondkapjes dragen. Dat was volgens verdachte ook vóór de Coronapandemie al gebruikelijk in de muziekscene. Dat laatste acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank constateert, op basis van de datum van uploaden en het feit dat er in de videoclip personen te zien zijn die mondkapjes dragen, dat de videoclip moet zijn opgenomen ten tijde van de Coronapandemie. Het tijdsbestek van de Coronapandemie is gelegen in de termijn zoals deze is opgenomen in de tenlastelegging.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Feit 3 primair:

in de periode van 1 januari 2020 tot en met 13 januari 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, vuurwapens van categorie II en III van de Wet wapens en munitie, te weten:

  • -

    een ingekort aanvalsgeweer (Kalasjnikov), type AK-47, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en

  • -

    een ingekort dubbelloops hagelgeweer, type Juxtapose, zijnde een vuurwapen en

  • -

    een pistool, merk Zastrava, type Tokarev M57, kaliber 7.62mmx 25, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool,

voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte de bewezen feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.

6 Motivering van de straf

6.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de door hem bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 maanden, met aftrek van voorarrest.

6.2

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de in de videoclip getoonde pistolen (feit 3) niet echt zijn, dan een straf aanzienlijk korter dan de duur van het voorarrest, te weten 98 dagen, passend is. Het uitgangspunt volgens de LOVS-richtlijnen is dan een geldboete.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van drie vuurwapens, te weten: een ingekorte Kalasjnikov, een ingekort hagelgeweer en een pistool van het merk Zastrava. Dit is een ernstig feit. Het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en tast de veiligheid van de samenleving ernstig aan. Dergelijke wapens dienen geen ander doel dan anderen in onze samenleving te bedreigen, te verwonden of te doden. Het is niet voor niets dat hiervoor doorgaans lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om dat in dit geval niet te doen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij totaal geen inzicht heeft getoond in het gevaar dat dergelijke wapens met zich brengen.

De rechtbank vindt het ook zorgelijk dat het bezit van vuurwapens kennelijk wordt verheerlijkt door deze in de videoclip te tonen.

Daarbij komt dat uit het strafblad van verdachte van 23 maart 2021 blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder een overtreding van de Wet wapens en munitie.

De Amsterdamse oriëntatiepunten voor straftoemeting gaan voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen in een woning uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden en voor het voorhanden hebben van een pistool of revolver in een woning van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

Gelet op de aard en ernst van het feit en het strafblad van verdachte kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden is.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering

Feiten 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, meest subsidiair en 2:

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert EUR 25.000,- als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Daarnaast verzoekt de benadeelde partij de rechtbank om aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de rechtbank om aansluiting te zoeken bij het vonnis van rechtbank Midden-Nederland van 6 oktober 2020 en de vordering toe te wijzen tot een bedrag van EUR 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van de schade.

Daarnaast verzoekt de officier van justitie de rechtbank om aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Ook verzoekt de officier van justitie de rechtbank om te bepalen dat verdachte voor de schade met zijn mededader, [medeverdachte] , hoofdelijk aansprakelijk is.

Tot slot verzoekt de officier van justitie de rechtbank om de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

7.3

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om de vordering te matigen.

7.4

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte is vrijgesproken van de onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, meest subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde onder feiten 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, meest subsidiair en 2 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 3 heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 3 primair:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van achttien (18) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van de benadeelde partij:

Feiten 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, meest subsidiair en 2:

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en A.F. Bazdidi Tehrani, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Struijkenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2021.

[(...)]