Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3399

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
AMS 19/5080
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob verzoeken: beroep gegrond. Tijdens de bestudering van de geheime stukken heeft de rechtbank geconstateerd dat verweerder met grote regelmaat passages heeft zwartgelakt, terwijl hier op zichzelf niets uit af te leiden is. Verweerder heeft ook niet per zwartgelakte passage duidelijk gemaakt welke weigeringsgrond(en) op dat deel is of zijn toegepast. Verweerder zal ten aanzien van de informatie op de punten waarvan het bestreden besluit I is vernietigd (per passage) gemotiveerd moeten beslissen of deze al dan niet openbaar wordt gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/5080


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. R.H. Lo Fo Sang en mr. R. Nomden).

Procesverloop

Bij de besluiten van 5 maart 2019, 20 februari 2019, 15 maart 2019, 1 maart 2019, 2 april 2019, 18 april 2019 (twee besluiten) en 10 mei 2019 (de primaire besluiten 1 tot en met 8) heeft verweerder meerdere verzoeken van eiseres afgewezen om gegevens openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij het besluit van 15 augustus 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 6 gedeeltelijk gegrond verklaard. De bezwaren tegen de overige primaire besluiten heeft verweerder ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld, voor zover het ziet op haar bezwaren tegen de primaire besluiten 2, 4, 5 en 6.

Bij het besluit van 29 januari 2021 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I gedeeltelijk herzien en bepaald dat het bezwaar van eiseres ten aanzien van het primaire besluit 6 ongegrond wordt verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2021. Eiseres is verschenen, vergezeld door [persoon] en [persoon I] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens verweerder zijn ook verschenen [werknemers] .

Overwegingen

Vooraf: de reikwijdte van het beroep

1.1.

Het beroep van eiseres wordt op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede gericht te zijn tegen het bestreden besluit II.1

1.2.

De rechtbank realiseert zich dat tussen partijen meer speelt dan alleen de onderhavige Wob-verzoeken. De rechtbank vindt het daarom belangrijk om, zoals reeds op de zitting is meegegeven, vooraf te vermelden dat de rechtbank in de voorliggende procedure alleen een oordeel kan geven over de besluiten waar thans beroep tegen is ingesteld. Omdat het beroep van eiseres zich beperkt tot de beslissingen op bezwaar ten aanzien van de primaire besluiten 2, 4, 5 en 6 (en de daarbij horende Wob-verzoeken 14, 18, 20 en 23), zullen de beslissingen ten aanzien van de overige Wob-verzoeken onbesproken blijven in deze uitspraak. De rechtbank hanteert in deze uitspraak de nummering zoals verweerder dat in het bestreden besluit I heeft gedaan.

Wat aan het beroep vooraf is gegaan

2.1.

Eiseres heeft op verschillende data meerdere Wob-verzoeken bij verweerder ingediend.

2.2.

Verweerder heeft de verzoeken van eiseres deels ingewilligd. Na het bezwaar van eiseres tegen acht van de primaire besluiten, heeft verweerder met het bestreden besluit I de betreffende primaire besluiten, met uitzondering van het primaire besluit 6, gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat een deel van de informatie waar eiseres om vraagt reeds openbaar is gemaakt naar aanleiding van andere Wob-verzoeken van eiseres. Voor de overige documenten geldt volgens verweerder dat openbaarmaking van een deel van de informatie niet gewenst is in verband met bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dan wel het risico op onevenredige benadeling van de betrokken personen (waaronder reputatieschade).

Het standpunt van eiseres

3. In beroep stelt eiseres zich – kort gezegd – op het standpunt dat de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd zijn, nu het haar niet duidelijk is welke belangen verweerder tegen elkaar heeft afgewogen. Ook betwist eiseres dat verweerder niet beschikt over specifieke documenten. Ter zitting heeft eiseres nog toegelicht dat haar beroep zich niet richt op eventueel niet openbaar gemaakte persoonsgegevens.

Het wettelijk kader

4.1.

Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

4.2.

Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Het oordeel van de rechtbank

Het bestreden besluit II

5.1

De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat verweerder met het bestreden besluit II het bestreden besluit I na het beroep van eiseres gedeeltelijk heeft herzien, al maakt dat het beroep van eiseres gegrond is. Verweerder is hiermee immers teruggekomen van een eerdere (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaar van eiseres.

5.2

Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. Er zijn verder geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

5.3

Het bestreden besluit II heeft alleen betrekking op het primaire besluit 6 (Wob-verzoek 23). Omdat het bestreden besluit I onverminderd geldt ten aanzien van de primaire besluiten 2, 4 en 5 (Wob-verzoeken 14, 18 en 20) en verweerder ook met het bestreden besluit II niet tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres, heeft eiseres zowel belang bij een beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit I als haar beroep tegen het bestreden besluit II.

De geheime stukken

6.1.

Eiseres heeft de rechtbank toestemming gegeven om de documenten waar zij geen kennis van heeft mogen nemen (de geheime stukken), te gebruiken bij de beoordeling van haar beroep. De rechtbank heeft daarom met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van de geheime stukken en alle door verweerder niet openbaar gemaakte informatie (de zwartgelakte passages).

6.2.

Tijdens de bestudering van de geheime stukken heeft de rechtbank geconstateerd dat verweerder met grote regelmaat passages heeft zwartgelakt, terwijl hier op zichzelf niets uit af te leiden is. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om persoonlijk voornaamwoorden of verwijswoorden die niet zodanig met de overige informatie verweven zijn dat er op zichzelf een betekenis aan kan worden ontleend. Een ander voorbeeld zijn functietitels die in andere delen van de stukken niet zijn zwartgelakt. In zoverre ontbreekt een consequent ‘lak-beleid’ en geeft het zwartlakken niet altijd blijk van een zorgvuldige afweging. De openbaarmaking van deze onderdelen mocht naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden geweigerd.

6.3.

De rechtbank heeft ook geconstateerd dat verweerder niet per zwartgelakte passage duidelijk heeft gemaakt welke weigeringsgrond(en) op dat deel is of zijn toegepast. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen moet in beginsel per zelfstandig onderdeel van een document, zoals een alinea, worden beoordeeld of het belang van openbaarmaking opweegt tegen het belang van – in dit geval – de gemeentelijke organisatie en het voorkomen van onevenredige benadeling van de betrokken persoon of personen. Een bestuursorgaan hoeft alleen niet binnen een zelfstandig onderdeel per zin of zinsdeel te bepalen of de weigeringsgrond zich voordoet indien aan de zin of het zinsdeel alleen betekenis toekomt in samenhang met de overige inhoud van dit zelfstandige onderdeel. 2 Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de inhoud van de zwartgelakte passages valt af te leiden welke weigeringsgrond van toepassing is. De rechtbank acht dit echter onvoldoende. Zeker nu openbaarheid het uitgangspunt is van de Wob, is het aan verweerder om per onderdeel duidelijk aan te geven op grond waarvan een bepaalde passage niet openbaar wordt gemaakt. Het is daarbij uitdrukkelijk niet aan de rechtbank om het werk van verweerder te doen en te moeten zoeken naar een weigeringsgrond die past bij de betreffende zwartgelakte passage.

6.4.

Ook gelet op het oordeel van de rechtbank zoals verwoord in de voorgaande twee overwegingen, is het beroep van eiseres gegrond. De rechtbank zal hieronder desalniettemin een oordeel geven over de verschillende Wob-verzoeken.

Wob-verzoek 14 (het primaire besluit 2)

7 Met Wob-verzoek 14 heeft eiseres verzocht om openbaarmaking van een specifiek e-mailbericht van 23 juni 2017. Verweerder heeft het betreffende bericht openbaar gemaakt, met uitzondering van de tweede zin van het bericht en de namen en e-mailadressen van betrokkenen. Deze onderdelen zijn geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob.

8. De rechtbank constateert dat de tweede zin persoonsgegevens bevat alsmede een verdere mededeling aan de geadresseerde(n). De persoonsgegevens hadden met toepassing van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob kunnen worden geweigerd. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk waarom verweerder voor artikel 10, tweede lid onder g, van de Wob heeft gekozen. Voor wat betreft de verdere mededeling aan de geadresseerde(n) is de rechtbank van oordeel dat openbaarmaking hiervan inderdaad geweigerd mocht worden op grond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob, wegens het risico op reputatieschade en hiermee het onevenredig benadelen van betrokkene(n).

Wob-verzoek 18 (het primaire besluit 4)

9. Met Wob-verzoek 18 heeft eiseres verzocht om openbaarmaking van app- en e-mailcommunicatie, alsmede (informele) memo’s die in de periode van 1 juni 2017 tot 5 december 2018 zijn uitgewisseld tussen bepaalde door eiseres genoemde personen. Verweerder heeft hierop de relevante e-mails en overige correspondentie openbaar gemaakt, met uitzondering van de persoonsgegevens, die met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob zijn geweigerd. Openbaarmaking van de inhoud van een e-mailwisseling van 20 juni 2017 tot en met 22 juni 2017 is daarnaast deels geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob.

10.1.

Eiseres heeft in beroep verzocht om openbaarmaking van de zwartgelakte passages in de e-mail van 20 juni 2017. De rechtbank heeft de zwartgelakte passages bekeken en oordeelt daarover als volgt. De rechtbank stelt vast dat de vijfde zwartgelakte passage, tussen de woorden ‘een’ en ‘te’ en de negende zwartgelakte passage tussen de woorden ‘de’ en ‘indien’ een functietitel betreft die verderop in het document niet is zwartgelakt. Openbaarmaking van die informatie had daarom niet op grond van de Wob mogen worden geweigerd. Ook de openbaarmaking van de op een na laatste zwartgelakte zinsnede in het e-mailbericht van 20 juni 2017, tussen de woorden ‘vergadering’ en ‘hun’, had naar het oordeel van de rechtbank niet mogen worden geweigerd. De functietitel is namelijk elders in de e-mail niet zwartgelakt en openbaarmaking van de overige informatie is naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig nadelig voor de belangen van de betrokkene(n) in kwestie. In zoverre slaagt het beroep van eiseres.

10.2.

Voor wat betreft de weggelakte passages onderaan de eerste pagina van het e-mailbericht van 20 juni 2020 en bovenaan de tweede pagina (tussen de woorden ‘kwesties’ en ‘uit’), halverwege de derde pagina (tussen de woorden ‘is’ en ‘een chaotische’) en onderaan de derde pagina (tussen de woorden ‘werden’ en ‘dit’ en tussen ‘vereniging’ en ‘de afgelopen’), is de rechtbank van oordeel dat openbaarmaking van die informatie inderdaad geweigerd mocht worden op grond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob wegens het risico op reputatieschade en hiermee het onevenredig benadelen van betrokkene(n). Dat geldt ook voor de zinsnede tussen ’Een van’ en ‘reageerde’ halverwege de tweede pagina van het e-mailbericht.

10.3.

De overige zwartgelakte passages betreffen persoonsgegevens waarvan eiseres heeft aangegeven dat haar beroep zich daar niet tegen richt.

Wob-verzoek 20 (het primaire besluit 5)

11. Met Wob-verzoek 20 heeft eiseres verzocht om openbaarmaking van meerdere documenten (o.a. verslagen, notities en interne memo’s) naar aanleiding van onder meer verschillende door eiseres genoemde bijeenkomsten in de periode van 12 juni 2017 tot 23 juni 2017. Verweerder heeft de openbaarmaking van de gevraagde informatie gedeeltelijk geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob. Andere informatie over de betreffende periode is al openbaar gemaakt met het primaire besluit 4. Verweerder zegt verder dat hij niet over meer documenten beschikt.

12.1.

De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres met betrekking tot Wob-verzoek 20 zich richt op een verslag voor intern beraad van 23 juni 2017 die niet volledig openbaar is gemaakt. In dit stuk zijn meerdere woorden of passages weggelakt, die door eiseres in beroep zijn geduid met de randletters A tot en met Z.3 Ten behoeve van het overzicht zal de rechtbank deze randletters aanhouden in haar navolgende beoordeling.

12.2.

Openbaarmaking van de informatie bij de randletters G, I (voor zover het de tweede zwartgelakte passage betreft), J en T (de laatste zin van de zwartgelakte passage), zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob. Dit betreft namelijk informatie die de betrokkene(n) onevenredig kan benadelen.

12.3.

De informatie onder de randletters F, L, N en S (de eerste twee zinnen van de zwartgelakte passage) is ten onrechte zwartgelakt nu deze geen persoonsgegevens bevat en openbaarmaking naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig nadelig is voor de belangen van de betrokkene(n) in kwestie. Ook is de rechtbank van oordeel dat niet duidelijk is waarom het eerste woord van de tweede zin bij randnummer O niet openbaar kan worden gemaakt. In tegenstelling tot het eerste zwartgelakte woord onder O, betreft dit immers geen persoonsgegeven. Hetzelfde geldt voor het eerste zwartgelakte gedeelte bij randnummer X, ook dit betreft geen persoonsgegeven. Ook ten aanzien van randletter Z is het de rechtbank niet duidelijk waarom de informatie, met uitzondering van de persoonsnaam, niet openbaar kan worden gemaakt. Ook op deze punten slaagt dus het beroep van eiseres.

12.4.

De overige randletters betreffen persoonsgegevens, waarvan reeds is vastgesteld dat de rechtbank daar geen oordeel over hoeft te geven. Voor de volledigheid noemt de rechtbank de randletters die het betreft: A tot en met E, H, K, M, O (voor zover het de persoonsnaam betreft), P tot en met R, T (voor zover het de persoonsnaam betreft) tot en met W, X (voor zover het de persoonsnaam betreft), Y en Z (voor zover het de persoonsnaam betreft).

Wob-verzoek 23 (het primaire besluit 6)

13.1.

Met Wob-verzoek 23 heeft eiseres verzocht om openbaarmaking van alle app- e-mail- en telefonische communicatie over een bepaald persoon en haarzelf die vanuit verweerder en/of de wethouder naar een specifieke persoon van HA4 is gestuurd. Verweerder heeft hierop een e-mailbericht van 24 oktober 2017 van de directeur Wonen aan deze persoon van HA openbaar gemaakt.

13.2.

In bezwaar heeft eiseres verweerder verzocht om ook een e-mail van de betreffende persoon van de HA aan verweerder openbaar te maken. Vervolgens heeft verweerder dit bezwaar gegrond verklaard. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiseres ten aanzien van het primaire besluit 6 echter alsnog ongegrond verklaard, omdat eiseres in Wob-verzoek 23 niet om de e-mail van de betreffende persoon van de HA aan de gemeente heeft verzocht. Er was dan ook geen sprake van dat verweerder het verzoek onvolledig had beoordeeld. Ter zitting heeft verweerder uitgelegd dat hij dit verzoek als een nieuw Wob-verzoek heeft opgevat en dat daarover een aparte beslissing volgt.

13.3.

In beroep heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat het ongeloofwaardig is dat verweerder niet beschikt over een e-mail waar hij zelf antwoord op heeft gegeven.

14. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres met Wob-verzoek 23 niet om de e-mail van de specifieke persoon van de HA aan de gemeente heeft verzocht. Verweerder heeft dus volledig voldaan aan het verzoek van eiseres met het verstrekken van de genoemde e-mail. Het latere verzoek van eiseres over een andere e-mail, mocht verweerder onderbrengen in een nieuw Wob-verzoek, waarover verweerder blijkbaar nog moet beslissen. In zoverre treft de beroepsgrond van eiseres dat het ongeloofwaardig is dat er geen andere documenten in het bezit zijn van verweerder, in deze procedure geen doel.

Conclusie

15. Gelet op alles wat in deze uitspraak is besproken, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit I vernietigen voor zover het bezwaar ten aanzien van de primaire besluiten 2, 4 en 5 (Wob-verzoeken 14, 18 en 20) ongegrond is verklaard. Verweerder zal daarom worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. In dat besluit zal verweerder ten aanzien van de informatie op de punten waarvan het bestreden besluit I is vernietigd (per passage) gemotiveerd moeten beslissen of deze al dan niet openbaar wordt gemaakt.

16. Zoals reeds overwogen, dient verweerder tevens het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden en zijn er verder geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I voor zover daarbij het bezwaar ten aanzien van de Wob-verzoeken 14, 18 en 20 ongegrond is verklaard;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Georgiades, voorzitter, en mr. M.M. Verberne en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van mr. L.N. Linzey, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2 Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:715 en van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1079.

3 Verwezen wordt naar productie 4 van het aanvullend beroepschrift van 25 september 2019.

4 Huurdersvereniging Amsterdam.