Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3340

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
AMS 19/2010
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Registratie + boete Brp; beroep ogg met 6:22 Awb en afwijzing schadevergoeding; overtreding Wet Brp aanwezig, maar schending 6:2 en 7:11 Awb; E woont sinds 2015 op adres, maar meldt dit in 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/2010


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. C. Bakirhan),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Lensink).

Procesverloop

In het besluit van 13 november 2019 (primair besluit) heeft verweerder eiser in de Basisregistratie personen (Brp) geregistreerd als ‘vertrokken naar onbekend adres’ en heeft hem een boete opgelegd van € 240,-.

In het besluit van 14 februari 2019 (bestreden besluit I) heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar gegrond verklaard, het bestreden besluit gedeeltelijk herroepen en heeft, onder meer, bepaald dat eiser wordt ingeschreven op een woonadres en dat de boete in stand blijft.

Bij besluiten van 20 februari 2019 (bestreden besluit II) en 25 maart 2019 (bestreden besluit III) heeft verweerder bestreden besluit I op enkele formele punten gewijzigd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2021 met behulp van een videoverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vervolgens is het onderzoek gesloten op de zitting.

Overwegingen

1. Eiser is op 7 april 2015 in de Brp geregistreerd met een briefadres op [adres] te Amsterdam. Op 27 augustus 2018 ontvangt verweerder van de Sociale Verzekeringsbank een melding dat eiser er niet een briefadres heeft, maar op het adres woont. Verweerder is vervolgens een adresonderzoek begonnen.

2.1.

In het primaire besluit heeft verweerder eiser met ingang van 27 augustus 2018 geregistreerd als ‘vertrokken naar onbekend adres’ en heeft hem een boete van € 240,- opgelegd wegens overtreding van artikel 2.39 van de Wet basisregistratie personen (Wet Brp).

2.2.

In de bestreden besluiten heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en heeft, onder meer, bepaald dat eiser met ingang van 27 augustus 2018 wordt ingeschreven op [adres] , als zijnde zijn woonadres. De boete blijft wel in stand, omdat eiser volgens verweerder alsnog niet heeft voldaan aan zijn aangifteplicht als in artikel 2.39 van de Wet Brp. Hij heeft immers nagelaten om zijn woonadres op te geven.

3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Weliswaar moest hij zich strikgenomen inschrijven op het adres, maar verweerder kan hem niet verwijten dat hij dit heeft nagelaten. Immers, eiser vreesde dat hij gevaar zou lopen wanneer hij zich zou inschrijven op het adres als woonadres. Mensen uit zijn verleden zouden hem dan namelijk kunnen opsporen. Hij betoogt verder dat de hoorplicht geschonden is. Verweerder heeft namelijk een advies van de bezwaarschriftencommissie uit een andere procedure ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit, waarin eiser alleen is gehoord over de weigering van een aanvraag om een briefadres. Hij is nooit gehoord over de registratie ‘vertrokken naar onbekend adres’ en de boete. De hoorzitting over de weigering van zijn briefadres dateert ook van voor zijn bezwaar tegen het besluit over de registratie en de boete. Tot slot heeft verweerder ten onrechte nagelaten om te beslissen op zijn verzoek om schadevergoeding. Hij heeft dit al verzocht in de bezwaarprocedure en vaststaat dat verweerder hem ten onrechte heeft geregistreerd als ‘vertrokken naar onbekend adres’. Op zitting heeft eiser € 5000,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd, als gevolg van de onjuiste registratie. Het heeft hem namelijk veel stress en administratieve rompslomp opgeleverd, zo stelt hij. Eiser heeft op zitting afstand gedaan van het verzoek om materiële schadevergoeding.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser op goede gronden een boete van € 240,- heeft opgelegd, vanwege de overtreding van artikel 2.39 van de Wet Brp. De boete is in lijn met het boetebeleid van verweerder en passend in deze situatie. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Niet in geschil is dat eiser in principe aangifteplichtig is ingevolge artikel 2.39 van de Wet Brp. Evenmin is in geschil dat eiser vanaf 2015 op het adres [adres] woont. De Wet Brp schrijft voor dat eiser uiterlijk vier weken vóór de adreswijziging en niet later dan de vijfde dag na de adreswijziging aangifte doet. Eiser meldt pas in 2018 dat hij woont op het adres. Zodoende heeft eiser zijn aangifteplicht geschonden. Hetgeen eiser tegen de boeteoplegging heeft aangevoerd, kan hem niet baten. De gestelde dreiging is onvoldoende om eiser te ontslaan van zijn aangifteplicht. Eiser heeft namelijk niet gemotiveerd en niet onderbouwd welk gevaar hij loopt als gevolg van de inschrijving op het adres als woonadres, in plaats van een briefadres. Tevens valt niet zonder meer in te zien hoe de door eiser genoemde personen toegang hebben tot de gegevens in de Brp.

5.1.

Ten aanzien van de betoogde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat de hoorzitting die ten grondslag ligt aan de bestreden besluiten strikt genomen behoort tot een andere bezwaarprocedure en ook voorafging aan het moment van instellen van bezwaar in deze procedure. In beginsel had verweerder daarom opnieuw moeten horen. Artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet slechts in een limitatief opgesomd aantal gevallen in de mogelijkheid om af te zien van horen. Één daarvan is dat de belanghebbende zelf toestemming geeft voor het afzien van horen. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de toenmalige gemachtigde van eiser telefonisch toestemming heeft gegeven om af te zien van horen. Zijn huidige gemachtigde bestrijdt echter dat eiser deze toestemming heeft gegeven. Verweerder heeft geen bewijs gegeven van dit telefoongesprek.

5.2.

De rechtbank overweegt dat het recht van een belanghebbende om te worden gehoord een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure is. Er kan slechts van het horen worden afgezien indien er geen twijfel over bestaat dat daarvoor toestemming is gegeven. De bewijslast dat toestemming is gegeven ligt bij het bestuursorgaan.1 De rechtbank overweegt dat het gebrek aan enige schriftelijke onderbouwing door verweerder van de toestemming, tezamen met de ontkenning door eiser, twijfel opwerpt. De rechtbank is daarom van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat afstand gedaan is van horen. Dit betekent dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Eisers grond treft doel.

6.1.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding in bezwaar is de rechtbank van oordeel dat verweerder, zoals ook in het verweer erkend is, ten onrechte een beslissing hierop heeft nagelaten in de bestreden besluiten. Verweerder heeft dan ook niet beslist op de grondslag van het bezwaar, wat een gebrek met zich brengt. Eisers grond treft doel.

6.2.

De rechtbank wijst evenwel het verzoek om schadevergoeding in beroep af. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting slechts gesteld dat hem een vergoeding toekomt voor immateriële schade. Het verzoek is daarmee niet gemotiveerd, noch onderbouwd. De toelichting van eiser op zitting laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat de goede procesorde zich ertegen verzet om dit pas zo laat te doen. De rechtbank acht hierbij van belang dat niet gebleken is dat eiser niet eerder deze toelichting kon geven. De stelling op zitting dat het uitblijven hiervan het gevolg is van de medische toestand van eiser, volgt de rechtbank niet. Eiser is in april en mei 2021 slechts vier dagen opgenomen geweest in ziekenhuis OLVG Oost. Hoewel de rechtbank onderkent dat sprake is van ernstige medische problematiek, is niet gebleken dat eiser buiten deze ziekenhuisopnames zijn verzoek niet eerder had kunnen motiveren en onderbouwen. Het verzoek om schadevergoeding dateert immers al van 7 februari 2019.

7. De geconstateerde gebreken passeert de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat het niet aannemelijk is dat eiser benadeeld is door de gebreken. Wat betreft de hoorplicht is van belang dat eiser al eerder is gehoord. Tijdens die hoorzitting is al inhoudelijk ingegaan op een groot deel van de bezwaren van eiser ten aanzien van het primaire besluit. Voor zover die niet daar zijn besproken, is eiser nu in de beroepsprocedure alsnog in de gelegenheid geweest om zijn argumenten naar voren te brengen.

Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding geldt dat het verzoek in de bezwaarfase geheel ongemotiveerd is gebleven en daarom niet tot een andere uitkomst kon leiden.

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

9. Gelet op de geconstateerde gebreken moet verweerder wel de proceskosten en het griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1068,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. G.J. Tingen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 ECLI:NL:CRVB:2020:2468.