Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3283

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2549
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd, omdat eiser meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur kan verdienen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/2549

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser (hierna: [eiser] )

(gemachtigde: mr. W.A. van Sambeek),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: Uwv)

( [gemachtigde] ).

Procesverloop

Met het besluit van 3 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft het Uwv de uitkering van [eiser] op grond van de Ziektewet (ZW) per 4 november 2019 beëindigd.

Met het besluit van 25 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021.

[eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging

1. [eiser] was tot 1 januari 2018 werkzaam als leerling-machinist voor 36 uur per week. Daarna ontving [eiser] een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 23 februari 2018 heeft [eiser] zich vanuit de WW ziek gemeld vanwege psychische klachten. Zijn WW-uitkering is beëindigd per 31 maart 2018 en [eiser] kreeg toen een ZW-uitkering.

2. Met het primaire besluit is de ZW-uitkering van [eiser] per 4 november 2019 beëindigd, omdat hij per 18 september 2019 meer dan 65% van het loon kan verdienen dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Aan dit besluit liggen het rapport van de verzekeringsarts van 18 september 2019 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 18 september 2019 ten grondslag.

3. In het bestreden besluit heeft het Uwv het eerdere standpunt gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 maart 2020 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 maart 2020 ten grondslag gelegd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn de mogelijkheden van [eiser] om te werken niet juist vastgesteld en hij heeft daarom de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. De arbeidskundige bezwaar en beroep vindt dat niet alle eerder geselecteerde functies geschikt zijn en heeft andere passende functies geselecteerd die [eiser] kan uitvoeren. [eiser] kan hiermee volgens het Uwv nog steeds meer dan 65% van het loon verdienen dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

Standpunt van [eiser]

4. [eiser] voert – samengevat – aan dat hij beperkter is dan door het Uwv is aangenomen. Volgens hem is er onvoldoende rekening gehouden met zijn beperkingen. Zijn medicijngebruik veroorzaakt onder meer sufheid en wazig zien. Dit heeft als consequentie dat [eiser] niet kan autorijden en de productiewerkzaamheden die zijn geduid niet kan verrichten. [eiser] vindt ook dat er een urenbeperking moet worden aangenomen.

Het oordeel van de rechtbank

5. In deze zaak moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het Uwv de ZW-uitkering van [eiser] terecht per 4 november 2019 heeft beëindigd, omdat [eiser] op dat moment meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het Uwv de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of [eiser] , rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de geselecteerde functies te verrichten.

Medische beoordeling

6. Volgens vaste jurisprudentie komt een bijzondere waarde toe aan de rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige als deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk zijn en de conclusies logisch te volgen zijn. Het gevolg van die bijzondere waarde van deze rapporten is dat het Uwv zijn besluiten over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene in beginsel op dit soort rapporten mag baseren. [eiser] kan echter proberen aan te tonen dat zo’n rapport niet aan deze vereisten voldoet of dat de beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat de beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een arts noodzakelijk.1

7. De verzekeringsarts heeft [eiser] gezien op het spreekuur, heeft een lichamelijk en psychisch onderzoek uitgevoerd en dossierstudie verricht. Naar aanleiding van de door [eiser] ingediende bezwaren heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het medische oordeel van de verzekeringsarts getoetst aan de hand van dossierstudie, een hoorzitting met [eiser] en medische informatie verkregen van PsyQ van 25 september 2019.

8. [eiser] heeft op de zitting aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de periode 2012-2018 ten onrechte niet in zijn medische onderzoek heeft betrokken. Volgens [eiser] zou de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan mogelijk alsnog een urenbeperking hebben aangenomen. Hierover heeft [eiser] op de zitting verklaard dat hij na 4 uur moeite krijgt met concentreren en in zijn voormalige werkzaamheden veiligheidsfouten maakte. Op de zitting heeft [eiser] ook gesteld dat uit de stukken blijkt dat het Uwv informatie bij PsyQ heeft opgevraagd en diverse keren heeft gerappelleerd, maar dat PsyQ niet heeft gereageerd.

9. Uit de rapportage van de verzekeringsarts blijkt dat hij zich mede heeft gebaseerd op informatie uit het medisch dossier en in het medisch dossier zitten stukken uit de door [eiser] genoemde periode. Deze stukken, behalve informatie uit 2010 van de destijds behandelend psycholoog, zijn niet expliciet in de rapportage van de verzekeringsarts genoemd. Wel heeft de verzekeringsarts in zijn rapportage expliciet onderkend dat [eiser] al 15 jaar bekend is met depressieve persoonlijkheid. Van belang is verder dat de verzekeringsarts de situatie van [eiser] moet beoordelen niet zoals die voorheen was, maar zoals die is op de datum in geding, 4 november 2019. De verzekeringsarts heeft de op het spreekuur door [eiser] zelf beschreven klachten plausibel geacht en heeft op die basis bepaald welke beperkingen [eiser] heeft. De verzekeringsarts heeft daarmee het medische verleden van [eiser] onderkend en zich vervolgens gebaseerd op de actuele, medische situatie van [eiser] . De verzekeringsarts in bezwaar en beroep heeft vervolgens nog nieuwe medische informatie opgevraagd (zie ook hieronder) en geen aanleiding gezien om alsnog een urenbeperking aan te nemen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende kenbaar zorgvuldig is gehandeld.

10. Wat betreft de door de verzekeringsarts in bezwaar en beroep opgevraagde informatie, stelt de rechtbank het volgende vast. Uit de inventarislijst in het dossier, de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de stempels op de brief van PsyQ blijkt dat de brief – met als onderwerp ‘afsluiten behandeling’ - is ontvangen door het Uwv op 17 maart 2020 en is opgesteld op 25 september 2019. PsyQ heeft dus wel gereageerd op het verzoek om informatie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, alleen heeft PsyQ daarvoor een al eerder gedateerde brief gebruikt.

11. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen reden te oordelen dat het medisch onderzoek niet voldoende zorgvuldig is verricht en niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.

Arbeidskundige beoordeling

12. [eiser] heeft aangevoerd de productiefuncties niet te kunnen uitvoeren vanwege zijn medicijngebruik. De rechtbank ziet, uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling, geen grond voor het oordeel dat de functies in medisch opzicht ongeschikt zijn voor [eiser] . De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het arbeidskundig rapport de functies laten vervallen waarin sprake was van autorijden en heeft andere geschikte functies geselecteerd. Waar er verder sprake was van signaleringen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd waarom de functies alsnog voor [eiser] geschikt zijn. Daarmee berust de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ook op goede gronden.

Conclusie

13. Het Uwv heeft de ZW-uitkering van [eiser] terecht met ingang van 4 november 2019 beëindigd, omdat hij meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur kan verdienen. Het beroep is daarom ongegrond.

14. Voor een proceskostenvergoeding en vergoeding voor het door [eiser] betaalde griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bissumbhar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1683.