Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3274

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
AWB 21-2363
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom. Voorzieningenrechter wijst verzoek om voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door verweerder vastgestelde gebruik van de woning niet voldoende duurzaam is om te kunnen worden aangemerkt als ‘wonen’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/2363

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaatsnaam] , verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in de zin dat het bestreden besluit wordt geschorst.

Het onderzoek ter zitting heeft op 6 mei 2021 plaatsgevonden via een digitale beeldverbinding (Skype). Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Waar gaat de zaak over?

2. Verzoekster is eigenaar van de woning op het perceel [adres] in [plaatsnaam] (hierna: de woning). Zij woont zelf in [plaatsnaam] . Zij verhuurt de woning via [naam] . Op het perceel van de woning is het bestemmingsplan ‘ [naam] ’ (het bestemmingsplan) van kracht. Het perceel van de woning heeft de bestemming ‘ [naam] ’.

3. Verweerder heeft aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Bij verweerder zijn verzoeken om handhaving ten aanzien van de woning binnengekomen van omwonenden. Op 17 september 2020 en 1 december 2020 hebben toezichthouders van verweerder een controle uitgevoerd bij de woning. De woning wordt volgens verweerder gebruikt voor kortstondig verblijf c.q. logies en niet voor wonen. De woning wordt daarom zonder vergunning in strijd met het bestemmingsplan gebruikt. Ook wordt de woning zonder vergunning onttrokken aan de bestemming tot bewoning. Volgens de last dient verzoekster binnen zes weken na de verzenddatum van het bestreden besluit de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 in de woning te beëindigen en beëindigd te houden. Dit doet verzoekster door de woning niet te (laten) gebruiken en aan te bieden voor logiesgebruik dan wel recreatieve huur. Indien verzoekster niet volledig en/of tijdig aan de last voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 15.000,- ineens.

4. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat er geen sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik. De woning wordt volgens verzoekster namelijk gebruikt voor bewoning en niet voor recreatief gebruik en/of logies. Het verblijfsdoel van de huurders is zakelijk. Verzoekster stelt dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat de woning in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt en aan de woningvoorraad wordt onttrokken.

Oordeel van de voorzieningenrechter

5. Tussen partijen is in geschil of verweerder een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen vanwege overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en artikel 21 van de Huisvestingswet 2014. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of het gebruik dat verweerder vóór het opleggen van de last onder dwangsom in de woning heeft vastgesteld anders moet aangemerkt dan ‘wonen’.

6. Het bestemmingsplan omschrijft niet wat er onder ‘wonen’ moet worden verstaan. Bij uitleg moet daarom worden aangesloten bij het normale spraakgebruik. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat ‘wonen’ een zekere duurzaamheid vereist.1

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door verweerder vastgestelde gebruik van de woning niet kan worden aangemerkt als ‘wonen’. Zoals verzoekster tijdens de bezoeken van de controleurs op 17 september 2020 en 1 december 2020 en ter zitting heeft verklaard, wordt de woning voor periodes van twee tot drie maanden verhuurd. Verweerder heeft verder geconstateerd dat niemand op het adres van de woning staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat huurders zich inderdaad niet inschrijven, omdat zij niet de intentie hebben om te blijven. Huurders hebben elders (in het buitenland) hun hoofdverblijf. Uit de controles is verder gebleken dat de woning gemeubileerd wordt aangeboden en uit de [naam] -advertentie blijkt dat ook handdoeken en beddengoed worden aangeboden. Deze combinatie van factoren maakt dat het gebruik onvoldoende duurzaam is om van een woonkarakter te spreken.

8. Dat huurders de woning huren voor zakelijk gebruik is geen reden om te concluderen dat sprake is van ‘wonen’. Indien er geen sprake is van recreatief gebruik zegt dat nog niet dat het gebruik duurzaam is. De last spreekt overigens ook over ‘logies dan wel recreatief gebruik’. Dat huurders zelf de woning schoonmaken, weegt ook niet op tegen het korte verblijf van de huurders, het ontbreken van inschrijvingen in de BRP, het hoofdverblijf van huurders elders en het feit dat de woning gemeubileerd en met voorzieningen als handdoeken en beddengoed wordt aangeboden.

9. De voorzieningenrechter begrijpt dat het motief van verzoekster om de woning te verhuren erin is gelegen dat zij de woning kan aanhouden. Zij handelt niet te kwader trouw. Dat staat niet ter discussie. Maar de voorzieningenrechter moet beoordelen of het gebruik van de woning op deze wijze voldoende duurzaam is om als ‘wonen’ te kunnen worden aangemerkt. Dat is niet het geval. Daarmee is het gebruik van de woning in strijd met de genoemde wettelijke bepalingen en is er geen reden om het bestreden besluit te schorsen.

Conclusie

10. De voorzieningenrechter verwacht dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal houden. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van der Zweep, griffier. De beslissing is aan partijen bekendgemaakt op 17 mei 2021.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie de uitspraken van de Afdeling van 26 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:588) en 9 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2206).