Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3269

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
13.021117.21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

jeugstrafrecht; poging doodslag op vader. Beroep op noodweer(exces) niet gehonoreerd. Oplegging deels voorwaardelijke jeugddetentie en gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummer: 13.021117.21

Datum uitspraak: 24 juni 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,

wonende op het adres [BRP-adres]

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.R. Zetsma en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.B. Stenger, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw G. Koppen, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam medewerker] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de moeder en tante van verdachte naar voren is gebracht.

De benadeelde partij [naam slachtoffer] is ter zitting vertegenwoordigd door mr. D.A. Segbedzi, advocaat te Amsterdam.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een poging doodslag althans poging zware mishandeling in vereniging van [naam slachtoffer] op 21 januari 2021 te Amsterdam, subsidiair op 21 januari 2021 te Amsterdam mishandeling in vereniging van [naam slachtoffer] .

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de ten laste gelegde poging zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er kan bewezen worden dat verdachte het slachtoffer meermalen heeft gestoken, al verklaart verdachte zelf dat hij slechts één keer gestoken zou hebben. Verdachte heeft zich in een bepaalde vorm van paniek willen verweren en heeft vaker gestoken dan hij zelf heeft beseft. De officier van justitie is van mening dat indien verdachte het slachtoffer had willen doden, hij op een andere plek zou hebben gestoken. Derhalve kan de poging zware mishandeling bewezen worden, hoewel het dicht tegen de lijn van een poging doodslag aan ligt. De neef van verdachte, medeverdachte [naam medeverdachte] , heeft tevens een rol gehad in het incident, zo zijn zij samen in gevecht gegaan met het slachtoffer. Er kan derhalve gesproken worden van medeplegen.

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte geen opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin. De kans op de dood is niet aannemelijk en dit risico is niet aanvaard. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. De subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan wel bewezen worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij zijn vader, het slachtoffer, heeft neergestoken met een mes. Verdachte heeft verklaard dat hij slechts één keer heeft gestoken, maar dit acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit het dossier is af te leiden dat het slachtoffer drie steekwonden had en het steekincident rond 21:30 uur heeft plaatsgevonden. Het slachtoffer is om 21:37 uur het politiebureau binnen gelopen om hulp te vragen. De rechtbank acht het onaannemelijk dat het slachtoffer, zoals verdachte verklaart, aan zichzelf twee extra steekwonden heeft toegebracht of laten toebrengen, voornamelijk gelet op het korte tijdsbestek tussen het incident en zijn aanwezigheid op het politiebureau.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat voorwaardelijk opzet op de dood van een slachtoffer aanwezig is indien een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Uit de letselverklaring blijkt dat het slachtoffer een steekwond heeft in de bovenbuik rechts en twee steekwonden in de rechterflank/borstkas onder de oksel rechts. Hieruit blijkt dat verdachte op plaatsen van het lichaam heeft gestoken waar ook een slagader of vitale organen geraakt hadden kunnen worden, als gevolg waarvan het slachtoffer had kunnen overlijden. Verdachte heeft door met het mes te steken ook daadwerkelijk een orgaan geraakt. Uit de letselverklaring van het slachtoffer blijkt dat er sprake is van leverletsel door het steken met het mes. Een dergelijk steken is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer fataal geraakt zou worden dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens die aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. De poging tot doodslag kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

Uit het dossier blijkt echter niet van de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn neef. De neef was weliswaar aanwezig bij de ontmoeting met het slachtoffer en heeft zich ook gemengd in het gevecht, maar op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat hij ervan op de hoogte was dat verdachte die avond een mes bij zich droeg en dit mes ook mogelijk zou gebruiken. De neef heeft verklaard geen mes te hebben gezien en onduidelijk is op welk moment, voorafgaand aan de ontmoeting met het slachtoffer, de neef zich bij verdachte heeft gevoegd. Daarnaast blijkt uit het dossier ook niet zonder meer dat de neef een vuurwapen bij zich had.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en moet worden vrijgesproken van het medeplegen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat wettig en overtuigen bewezen dat verdachte

op 21 januari 2021 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet naar voornoemde [naam slachtoffer] is toegegaan waarna hij, verdachte met kracht voornoemde [naam slachtoffer] met een mes meermalen in zijn buik en borst, onder de oksel, heeft gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte een beroep toekomt op noodweer. Er was volgens de raadsvrouw sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding toen verdachte door het slachtoffer op zijn borstkas werd geslagen. Tegen deze aanranding was verdediging noodzakelijk of geboden.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir aangevoerd dat er sprake is geweest van een twee tegen één situatie waarbij verdachte ook nog een mes had meegenomen. Er is dus in zekere zin sprake geweest van een voorbereiding op de confrontatie. Er zijn verschillende lezingen over wie is begonnen met het toepassen van geweld, maar uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat het gedrag van verdachte als provocatief werd beschouwd. Verdachte had tevens weg kunnen lopen van de situatie.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank verwerpt het noodweerverweer, zoals aangevoerd door de raadsvrouw. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen uit het dossier en de verklaring van verdachte vast dat verdachte de afspraak met de vriendin van het slachtoffer heeft gemaakt. Verdachte heeft zijn neef enkele uren voorafgaand aan de afspraak gevraagd om hem te vergezellen en verdachte heeft een mes meegenomen naar de afspraak. Uit de bewijsmiddelen kan derhalve worden afgeleid dat verdachte zelf de confrontatie, met risico op escalatie, met het slachtoffer heeft opgezocht. Daarnaast had verdachte zich op ieder moment aan de situatie kunnen onttrekken. Om die reden kan geen sprake zijn van een noodzakelijk geboden verdediging. Het beroep op noodweer wordt daarom door de rechtbank verworpen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar.

7 Strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat indien de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding, er sprake is geweest van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, omdat verdachte wist waar het slachtoffer toe in staat kon zijn. Verdachte heeft verschoonbaar gedwaald over het bestaan van een noodweersituatie.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het verweer wordt verworpen.

Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 80 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. De officier van justitie heeft als aanvullende bijzondere voorwaarde gevorderd dat er een contactverbod met het slachtoffer, de vader van verdachte, wordt opgelegd.

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de straf lager zou moeten uitvallen dan geëist door de officier van justitie. Het is van belang dat verdachte begeleiding krijgt, maar verdachte is door de persoonlijke gevolgen van het feit al voldoende gestraft.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn vader. Hij heeft meerdere malen met het mes op het slachtoffer ingestoken. De rechtbank leidt uit het dossier en de verklaringen af dat sprake is geweest van een lange belaste voorgeschiedenis in de relatie tussen verdachte en zijn vader. Dit maakt het bewezen verklaarde feit echter niet minder ernstig. Verdachte heeft door zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de psychische gesteldheid van het slachtoffer.

De rechtbank slaat bij de strafoplegging acht op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 mei 2021 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

  • -

    rapport van de Raad, opgemaakt op 2 juni 2021;

  • -

    Psychologisch Pro Justitia rapport, opgemaakt door mw. drs. W van der Meer, orthopedagoog-generalist, op 2 april 2021.

De psycholoog komt tot de volgende conclusie.

Uit het intelligentieonderzoek blijkt dat er sprake is van significante verschillen tussen de indexen waardoor het totale IQ (gemiddeld niveau) geen betrouwbaar beeld geeft van zijn gehele profiel. Verdachtes meer zwakkere kant (beneden gemiddeld niveau) ligt op het gebied van overzicht behouden, oorzaak en gevolg te begrijpen en te overzien en inzicht in zichzelf hebben. Wat betreft de sociaal-emotionele ontwikkeling wordt gezien dat verdachte sinds mei 2020 veel thuis is bij zijn moeder en heeft hij weinig sociale contacten.

Er komt een wat wisselend beeld naar voren over zijn gewetensontwikkeling maar concrete zorgen worden niet gezien. Angst en onmacht lijken meer op de voorgrond te staan in grensoverschrijdend gedrag dan beperkte gewetensfuncties. Er is sprake van significante lijdensdruk en beperkingen in verdachtes leven vanwege angst en spanningen waardoor gesproken kan worden van een Ongespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis.
Classificatie DSM-5
309.9 Ongespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis
V61. 20 Ouder-kind relatieproblemen

Verdachte heeft zich jarenlang onderdrukt gevoeld door zijn vader en hij vertelt dat hij door zijn vader geslagen, gekleineerd en uitgescholden is. Hij ervaart intense angst waarbij hij vreest voor zijn leven omdat zijn vader hem hiermee zou hebben gedreigd. De ongespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis heeft dan ook zeer waarschijnlijk doorgewerkt in verdachtes gedragskeuzes en gedragingen. Dit leidt tot het advies het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.
Bovenstaande overziend en op basis van de klinische indruk van de onderzoeker kan gesproken worden van een lage tot matige kans op toekomstig grensoverschrijdend gedrag.

Het advies is om verdachte, om recidive te voorkomen en zijn ontwikkeling positief te beïnvloeden, behandeling en begeleiding aan te bieden om ingrijpende gebeurtenissen te verwerken, het vertrouwen in anderen te vergroten en zijn mogelijkheden om te gaan met lastige sociale situaties uit te breiden. (Trauma)behandeling kan verdachte helpen bij het verwerken van traumatische en ingrijpende gebeurtenissen. Tevens zal inzichtgevende therapie, cognitieve gedragstherapie of schematherapie hem helpen zijn gevoelens van basisveiligheid te vergroten waardoor hij met meer vertrouwen relaties kan aangaan en een leven naar meer zelfstandigheid kan gaan vormgeven. Tegelijkertijd kan een coach (Intensief Forensische Aanpak bijvoorbeeld) hem in het dagelijks leven ondersteunen in het naar buiten gaan, prosociale relaties uit te breiden en meer regelmatig naar school te gaan. Gedacht kan worden aan een mannelijke coach zodat hij ook hierin positieve ervaringen opdoet. Geadviseerd wordt om deze ambulante begeleiding en behandeling vanuit een jeugdreclasseringsmaatregel op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel. Dit kader dient als stok achter de deur.

Ter zitting heeft de Raad naar voren gebracht dat er sprake is geweest van een complexe situatie waarin verdachte erg kwetsbaar was. Bij verdachte is sprake van een belast verleden en dit belemmert hem in zijn verdere ontwikkeling. Moeder is erg betrokken, maar er zal aandacht moeten zijn om de relatie tussen moeder en verdachte op een passende manier vorm te geven. De Raad schat het recidiverisico als laag in, maar om het recidiverisico te beperken is wel behandeling nodig voor de trauma’s van verdachte. Het advies van de Raad is om aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden dat verdachte meewerkt aan traumabehandeling, behandeling vanuit de Forensische Formatie, de begeleiding vanuit IFA en onderwijs volgt volgens rooster. Tevens heeft de Raad geadviseerd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De Raad heeft ter zitting aangegeven geen meerwaarde te zien in het verlengen van het contactverbod met de neef van verdachte. Verdachte ervaart zijn neef als steunend en er worden geen politiecontacten gezien met zijn neef buiten onderhavige zaak.

JBRA heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij sinds maart dit jaar betrokken zijn en zij beschrijven verdachte als iemand die vriendelijk en beleefd is en veel moeite heeft met wat er is gebeurd. Het is van belang dat verdachte hulp krijgt en verdachte en zijn moeder staan daar ook open voor. De verwachting is dat hulpverlening vanuit [naam] ingezet gaat worden.

De moeder van verdachte heeft ter zitting verklaard dat er veel aan het incident vooraf is gegaan en dat zij hoopt dat zij het nu achter zich kunnen laten.

De rechtbank overweegt als volgt.

In beginsel is het bewezen verklaarde feit ernstig genoeg om verdachte met een langdurige onvoorwaardelijke jeugddetentie te bestraffen. De rechtbank neemt in haar beslissing mee dat er sprake is van een belast verleden tussen verdachte en zijn vader en dat verdachte hulp nodig heeft om het incident te verwerken en recidive te voorkomen. De rechtbank acht het daarom niet wenselijk om verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die hoger is dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Gelet op de ernst van het feit ziet de rechtbank wel aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Daaraan zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad. Deze worden zowel in het belang van verdachte als in het belang van de maatschappij geacht, omdat de oplegging van deze bijzondere voorwaarden het recidiverisico doen afnemen.

De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren. Verdachte heeft zich weliswaar schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, maar verdachte is een first offender en het recidiverisico wordt in de rapporten door de deskundigen als laag ingeschat. Tevens zal als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer, de vader van verdachte, opgelegd worden, die het recidiverisico dat er is grotendeels beperkt. Er kan dus niet geconcludeerd worden dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk strafbaar feit zal plegen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam slachtoffer] , verdachtes vader, vordert € 644,95 aan materiële schadevergoeding en € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft ter zitting verwezen naar de ingediende vordering. Tevens heeft zij toegelicht dat de benadeelde partij op dit moment op de wachtlijst staat om behandeling te krijgen voor PTSS. Deze PTSS is het gevolg van het strafbaar handelen van verdachte. Het enkele gevoel dat het niet juist is om een vordering tot schadevergoeding in te dienen tegen een zoon, is onvoldoende om de vordering af te wijzen. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft subsidiair verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 5.000,- en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toe te wijzen. Ten aanzien van de immateriële schade zou het volgens de officier van justitie niet goed voelen om te vorderen deze vordering toe te wijzen, gelet op de vader-zoonrelatie. Gelet op de aangiftes vanuit verdachte en moeder richting de vader, waar mogelijk ook een schadevergoeding gevorderd zal worden, is de ingediende vordering te ingewikkeld voor onderhavige strafzaak. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsvrouw van verdachte heeft de vordering ten aanzien van de materiële schade voor de jas betwist, nu deze schadepost niet onderbouwd is. De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de vordering ten aanzien van immateriële schade af te wijzen. Het is onwenselijk om in een relatie tussen vader en zoon, waar ook sprake is van eigen schuld van de vader, een vordering tot immateriële schadevergoeding toe te wijzen. Tevens blijkt uit de stukken dat de vader lichamelijk volledig is hersteld en ook speelt de voorgeschiedenis een grote rol. De raadsvrouw van verdachte heeft subsidiair verzocht de vordering ten aanzien van immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is betwist. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij als gevolg van het steekincident medische kosten heeft moeten maken en dat de vordering ten aanzien van het eigen risico daarom zal worden toegewezen. De benadeelde partij heeft tevens een vergoeding verzocht voor zijn kleding die tijdens het steekincident beschadigd is geraakt. De rechtbank overweegt dat de vordering ten aanzien van de kleding niet (voldoende) is onderbouwd. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om een gedeelte van deze vordering toe te wijzen en zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid, nu aannemelijk is dat de jas en trui van de benadeelde partij onherstelbaar beschadigd zijn geraakt door het steekincident.

De rechtbank wijst de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 514,98 toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Daarnaast staat vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen.

De vordering is ter terechtzitting betwist. De rechtbank overweegt dat er in het dossier ook aangiftes van moeder en verdachte tegen de benadeelde partij zijn gevoegd die mogelijk gevolgen heeft voor de (hoogte van de) gevorderde immateriële schadevergoeding. Gelet hierop acht de rechtbank het vaststellen van de immateriële schade van de benadeelde partij onevenredig belastend voor het strafproces en daarom zal de rechtbank de vordering ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [naam slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 78 (achtenzeventig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat veroordeelde meewerkt aan traumabehandeling door een instelling die de jeugdreclassering passend acht;

  • -

    dat veroordeelde meewerkt aan hulpverlening vanuit de Forensische Formatie of een soortgelijke instelling;

  • -

    dat veroordeelde meewerkt aan de hulpverlening vanuit IFA;

  • -

    dat veroordeelde naar school gaat volgens het (digitale) rooster;

  • -

    dat veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum aangever]

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] toe tot een bedrag van € 514,98 (zegge: vijfhonderdveertien euro en achtennegentig cent) voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het plegen van het strafbare feit tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [naam slachtoffer] ter hoogte van 514,98 (zegge: vijfhonderdveertien euro en achtennegentig cent). Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het plegen van het strafbare feit tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S. Dogan, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. M.J.M. Marseille en M.E.A. Nijssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Scherphof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2021.

[...]