Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3251

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
AMS 20/4534
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de toevoeging is verleend voor een geschil dat is ontstaan op het gebied van het personen- en familierecht, in het bijzonder met de zaakcode P100. Het geschil waarvoor eiser rechtsbijstand heeft verleend betreft een geschil met de gemeente Heemskerk over de inschrijving van de gegevens van cliënt volgens de Iraakse geboorteakte in de registers van de gemeente. Eiser stelt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de zaak onder zaakcode P100 valt. De toevoeging is aangevraagd en verleend onder zaakcode R010. De aard van deze zaak is dat cliënt zijn gegevens zoals neergelegd in de Basisregistratie Personen wilde wijzigen. Eiser heeft na een ongegrond bezwaarschrift, bewust gekozen voor een procedure bij de civiele rechter vanwege de lagere bewijsdrempel dan die van de bestuursrechter. In deze zaak was volgens eiser onder andere kennis vereist van het vreemdelingenrecht, Irak en de Koerden en over de invloed van het verleden in Irak op het bestuur zoals de burgerlijke stand. De rechtbank is van oordeel dat de verleende rechtsbijstand heeft gezien op het doen wijzigen van persoonsgegevens van cliënt in de BRP en het verkrijgen van een verklaring voor recht. Een dergelijke procedure is geregeld in artikel 1:26a en artikel 1:26b van het Burgerlijk Wetboek. De door eiser gestelde relatie met het vreemdelingenrecht, namelijk dat het een vreemdeling betreft en het verrichtte vreemdelingrechtelijk vooronderzoek, doet aan de oorsprong van het geschil niet af. Dat blijft namelijk de eerdere onjuiste registratie van de persoonsgegevens van cliënt in de BRP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/4534

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Alkmaar, eiser

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de vastgestelde vergoeding met toevoegnummer [nummer] ingetrokken.

Bij besluit van (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting stond geagendeerd op 3 juni 2021. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om de zaak op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is een zogeheten High Trust advocaat en heeft namens [client] op
16 september 2019 een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand voor een civiele procedure. Bij besluit van 18 september 2019 heeft verweerder aan eiser een toevoeging verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). De eigen bijdrage is daarbij vastgesteld op € 770,00,- en de vergoeding in het kader van de High Trust op € 548,55,-. Op 10 december 2019 heeft een steekproefcontrole plaatsgevonden op het kantoor van eiser. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder de vergoeding bij het primaire besluit ingetrokken.

Besluitvorming

2. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor bezwaar van 17 juni 2020. Onder verwijzing naar de Awb, de Wrb, het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr), het High Trustconvenant en de Werkinstructie Toevoegen (de Werkinstructie) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de toevoeging is verleend voor een geschil dat is ontstaan op het gebied van het personen- en familierecht, in het bijzonder met de zaakcode P100. Het geschil waarvoor eiser rechtsbijstand heeft verleend betreft een geschil met de gemeente Heemskerk over de inschrijving van de gegevens van cliënt volgens de Iraakse geboorteakte in de registers van de gemeente. Eiser heeft namens cliënt bij de rechtbank Den Haag een verklaring voor recht verzocht dat de Iraakse akte bevoegd is opgemaakt en vatbaar is voor opneming in het register. De oorsprong van het geschil ligt in eerdere onjuiste registratie van persoonsgegevens. De registratie hiervan is een kwestie van personen- en familierecht, aldus verweerder. Advocaten die zaken op dit rechtsgebied willen behandelen dienen bij verweerder ingeschreven te staan op dit rechtsterrein. Eiser is niet ingeschreven op het terrein personen- en familierecht. Gelet hierop kan geen vergoeding worden toegekend. Verweerder heeft geen reden gezien om op grond van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van zijn beleid.

Beroepsgronden eiser

3. Volgens eiser stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat hij de verleende toevoeging in stand kan laten maar de vergoeding op nihil kan stellen. Op grond van artikel 39 van de Bvr is dit niet mogelijk. Verder stelt eiser dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de zaak onder zaakcode P100 valt. De toevoeging is aangevraagd en verleend onder zaakcode R010. De aard van deze zaak is dat cliënt zijn gegevens zoals neergelegd in de Basisregistratie Personen (BRP) wilde wijzigen. Eiser heeft na een ongegrond bezwaarschrift, bewust gekozen voor een procedure bij de civiele rechter vanwege de lagere bewijsdrempel dan die van de bestuursrechter. Dat gekozen is voor een rechtsgang naar de civiele rechter verandert de aard van de zaak niet. Ook voert eiser aan dat het beleid van verweerder onredelijk is en zijn doel voorbijschiet. In deze zaak was onder andere kennis vereist van het vreemdelingenrecht, Irak en de Koerden en over de invloed van het verleden in Irak op het bestuur zoals de burgerlijke stand. Die kennis zou cliënt niet vinden bij een personen- en familierecht advocaat. Daarbij volgt uit artikel 3:4 van de Awb dat de wederzijdse belangen getoetst moeten worden en de uitkomst niet onevenredig benadelend mag uitpakken in verhouding met het te dienen doel van het beleid. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat geen reden is om af te wijken van het beleid.1

Beoordeling rechtbank

4. De rechtbank stelt vast dat bij de High Trust werkwijze aanvragen voor een toevoeging bij een zogenaamde High Trust advocaat standaard worden verleend. De vraag of een toevoeging verleend had moeten worden, komt daardoor pas aan de orde indien een (steekproef)controle daartoe aanleiding geeft. Eisers betoog dat door verlening van de toevoeging de rechtmatigheid reeds vaststaat, in die zin dat een daarop gebaseerde vergoeding niet meer kan worden ingetrokken, wordt dan ook niet gevolgd. Eiser heeft zelf, door middel van ondertekening van het High Trustconvenant, ingestemd met deze werkwijze.2

5.1.

De rechtbank stelt verder vast dat bij de aanvraag voor een toevoeging eiser zaakcode R010 heeft opgegeven. Op grond van artikel 1 van de Wrb wordt onder ‘rechtsbijstand’ verstaan: ‘rechtskundige bijstand aan een rechtzoekende ter zake van een rechtsbelang dat hem rechtstreeks en individueel aangaat’. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling3 is het rechtsbelang waaruit het geschil is ontstaan richtinggevend voor het bepalen onder welke zaakcategorie een geschil valt en niet het rechtsgebied waaronder een geschil valt. Dit betekent dat ook naar de oorsprong van het geschil moet worden gekeken. Het is niet de rechtzoekende die het rechtsbelang bepaalt, maar verweerder op basis van de feiten en omstandigheden waaruit het geschil is ontstaan.

5.2.

In geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat het rechtsbelang van het geschil een personen- en familierecht aangelegenheid betreft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweer zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. De verleende rechtsbijstand heeft gezien op het doen wijzigen van persoonsgegevens van cliënt in de BRP en het verkrijgen van een verklaring voor recht. Een dergelijke procedure is geregeld in artikel 1:26a en artikel 1:26b van het Burgerlijk Wetboek. De door eiser gestelde relatie met het vreemdelingenrecht, namelijk dat het een vreemdeling betreft en het verrichtte vreemdelingrechtelijk vooronderzoek, doet aan de oorsprong van het geschil niet af. Dat blijft namelijk de eerdere onjuiste registratie van de persoonsgegevens van cliënt in de BRP.

6. Eiser kan eveneens niet worden gevolgd in zijn betoog dat sprake is een onredelijk beleid en dat dit beleid in deze zaak zijn doel voorbijschiet. De rechtbank volgt de stelling van verweerder in dit kader dat de opgenomen specialisatie is ingesteld om op objectieve wijze de kwaliteit van de te verlenen rechtsbijstand te kunnen waarborgen. Het personen- en familierecht is een van de terreinen waarbij verweerder van oordeel is dat hiervoor aanvullende inschrijvingsvoorwaarden noodzakelijk zijn. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk.

7. Artikel 4:84 van de Awb bepaalt verder dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, heeft verweerder op goede gronden niet dusdanig uitzonderlijk geacht dat verweerder zou moeten afwijken van het beleid.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat gaan aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter in aanwezigheid van
mr. T.J.M. Schilder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840.

2 Zie hiervoor onder andere de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:269.

3 Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3815, 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:970 en 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2766.