Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3250

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
AMS 20.1386
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser betoogt dat verweerder tekort is geschoten in zijn voorlichtende taak. Het had op de weg van verweerder gelegen om de informatie omtrent de toevoeging aan eiser direct te verschaffen en niet aan zijn advocaat. Ten onrechte stelt de Commissie dat de bekendmaking van de toevoeging, zoals in het geval van eiser is gebeurd, aan verhaal van de kosten van de rechtsbijstand in de weg staat. De advocaat en eiser hebben een overeenkomst van opdracht. De advocaat is voor de aanvaarding van de opdracht verplicht met eiser te overleggen of er termijnen zijn om gefinancierde rechtsbijstand te verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de kosten van de rechtsbijstand niet in redelijkheid kunnen terugvorderen van eiser. De rechtbank acht voor dit oordeel van belang dat verweerder, zoals ook door de Commissie is betrokken bij het advies, geen goede reden had om de toevoeging niet ook aan eiser zelf te zenden. Met een toevoeging kent verweerder de betreffende procespartij al dan niet gefinancierde rechtsbijstand toe. Juist bij een dergelijk besluit, dat eiser direct zelf aangaat, ligt het op de weg van verweerder om die mede aan eiser te doen toekomen. Temeer nu verweerder beschikte over eisers woonadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/1386

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiser

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Luursema).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de kosten van de rechtsbijstand ter waarde van € 1.098,73,- teruggevorderd van eiser.

Bij besluit van 15 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Op 4 maart 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft vanwege de maatregelen rondom het coronavirus via een Skype-voor-bedrijven-videoverbinding plaatsgevonden op 3 juni 2021. Eiser is verschenen en heeft deelgenomen aan deze videoverbinding. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde die ook deelnam aan de videoverbinding. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Op 13 december 2017 heeft de advocaat van eiser een toevoeging ontvangen van verweerder voor het hoger beroep in de strafzaak van eiser. Die toevoeging is verstrekt zonder beoordeling van eisers inkomen en vermogen. Eiser is inmiddels onherroepelijk veroordeeld. Verweerder heeft daarom de wettelijk voorgeschreven controle op eisers inkomen en vermogen uitgevoerd op grond van artikel 43, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).

Besluitvorming

2.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit het bedrag van € 1.098,73,- teruggevorderd van eiser omdat dit bedrag is uitbetaald aan de advocaat van eiser. Eiser is onherroepelijk veroordeeld en uit de controle is gebleken dat de hoogte van het verzamelinkomen en/of vermogen van eiser boven de wettelijke grens lag. Hij heeft daarom geen recht op een vergoeding van de kosten van zijn advocaat. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.2.

De Commissie voor bezwaar van de Raad voor de Rechtsbijstand (de Commissie) heeft vervolgens verweerder geadviseerd om eisers bezwaar gegrond te verklaren en af te zien van verhaal van de kosten van rechtsbijstand op eiser. De Commissie stelt vast dat op grond van de stukken en wat op de hoorzitting is besproken, vast is komen te staan dat verweerder de informatie over de toevoeging niet aan eiser bekend heeft gemaakt, maar aan zijn advocaat. Verweerder had daar geen goede reden voor, te meer omdat verweerder beschikte over het woonadres van eiser. De Commissie is dan ook van oordeel dat de onjuiste bekendmaking voor risico en rekening van verweerder komt, zodat verweerder geen wettelijke grondslag heeft tot terugvordering. Uit artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit immers voort dat een besluit niet werkt alvorens het bekend is gemaakt.

2.3.

In het bestreden besluit heeft verweerder, in tegenstelling tot het advies van de Commissie, het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft hier – samengevat – het volgende aan ten grondslag gelegd. Ten onrechte stelt de Commissie dat de bekendmaking van de toevoeging, zoals in het geval van eiser is gebeurd, aan verhaal van de kosten van de rechtsbijstand in de weg staat. De advocaat en eiser hebben een overeenkomst van opdracht. De advocaat is voor de aanvaarding van de opdracht verplicht met eiser te overleggen of er termijnen zijn om gefinancierde rechtsbijstand te verkrijgen.1 Eiser was er dan ook mee bekend dat hij gefinancierde rechtsbijstand had van zijn advocaat. Daarnaast wordt iedereen geacht de wet te kennen, dus eiser had op de hoogte kunnen en moeten zijn van artikel 43, derde lid, van de Wrb. Dat eiser betoogt dat hij de toevoeging niet heeft ontvangen van zijn advocaat doet aan het voorgaande niet af.

Standpunten partijen

3. Eiser betoogt dat verweerder tekort is geschoten in zijn voorlichtende taak. Daarnaast had het op de weg van verweerder gelegen om de informatie omtrent de toevoeging aan eiser direct te verschaffen en niet aan zijn advocaat. Het niet verstrekken van deze informatie komt voor rekening en risico van verweerder. Verder is sprake van schending van het proportionaliteitsbeginsel en maatschappelijke betamelijkheid. Het betrof hier volgens eiser immers een zeer specifieke bepaling waarvan mag worden verondersteld dat niet iedere burger deze kent.

4.1.

In het verweerschrift stelt verweerder zich primair op het standpunt dat het beroep van eiser te laat is ingediend op grond van artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb. Het bestreden besluit is genomen op 15 januari 2020 en op diezelfde dag is het bestreden besluit per post aan eiser verzonden. De beroepstermijn is derhalve op 16 januari 2020 aangevangen en op
26 februari 2020 geëindigd. Het beroepschrift is blijkens de poststempel op 4 maart 2020 pas ontvangen door de rechtbank. Subsidiair blijft verweerder bij zijn standpunt zoals is omschreven in het bestreden besluit.

4.2.

Eiser betoogt dat zijn beroepschrift op 19 februari 2020 aangetekend is verzonden. Eiser heeft ter onderbouwing daarvan een bewijs van overdracht en ontvangst overgelegd. Verder blijft eiser bij de in zijn beroepschrift genoemde stellingen.

Beoordeling rechtbank

5. Het wettelijk kader is als bijlage bijgevoegd en maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

Is het beroepschrift te laat?

6. De rechtbank is van oordeel dat het beroepschrift ontvankelijk is. Vast staat dat eiser zijn beroepschrift aangetekend heeft verstuurd en dat deze door PostNL is ontvangen op

19 februari 2020. Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. De beroepstermijn is op 26 februari 2020 geëindigd en de rechtbank heeft het beroepschrift op 4 maart 2020 ontvangen. Dit is een week na het verstrijken van de beroepstermijn. Het beroepschrift van eiser is dan ook tijdig ingediend en daarmee ontvankelijk.

Mocht de rechtsbijstand worden teruggevorderd?

7.1.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de advocaat op grond van een aanwijzing is toegevoegd aan eiser en dat eiser onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld. Artikel 43, derde lid, van de Wrb geeft verweerder dan de bevoegdheid om de kosten van de rechtsbijstand terug te vorderen van eiser. De vraag die de rechtbank in dit geval moet beantwoorden is of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De rechtbank stelt daarbij voorop dat aan verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toekomt. De toetsing door de rechtbank van het standpunt van verweerder over de terugvordering dient daarom terughoudend te zijn.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de kosten van de rechtsbijstand niet in redelijkheid kunnen terugvorderen van eiser. De rechtbank acht voor dit oordeel van belang dat verweerder, zoals ook door de Commissie is betrokken bij het advies, geen goede reden had om de toevoeging niet ook aan eiser zelf te zenden. Met een toevoeging kent verweerder de betreffende procespartij al dan niet gefinancierde rechtsbijstand toe. Juist bij een dergelijk besluit, dat eiser direct zelf aangaat, ligt het op de weg van verweerder om die mede aan eiser te doen toekomen. Temeer nu verweerder beschikte over eisers woonadres. Eiser heeft verklaard dat zijn advocaat hem niet heeft verteld dat de toevoeging kon worden teruggevorderd. Hoewel dit betoog niet nader is onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Verweerder heeft gewezen op de Gedragsregels van de advocatuur en gesteld dat het aan de advocaat is om eiser te informeren over de gefinancierde rechtsbijstand. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van de rechtbank kan een gedragsregel verweerder niet ontslaan van zijn zorgplicht ten aanzien van accurate informatievoorziening. Het is voorts juist dat een ieder de wet dient te kennen, maar naar het oordeel van de rechtbank is het in dit geval niet redelijk om van eiser te verlangen dat hij van deze specifieke wettelijke bepaling op de hoogte was.

Conclusie

8. Het voorgaande brengt met zich mee dat verweerder de kosten van de rechtsbijstand niet in redelijkheid heeft kunnen terugvorderen van eiser. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht € 49,- aan eiser te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter in aanwezigheid van
mr. T.J.M. Schilder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:7

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

Artikel 6:8

1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

[…].

Artikel 6:9

1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 43

[…]

3. Indien een raadsman is aangewezen krachtens artikel 39, 40 of 41 van het Wetboek van Strafvordering en indien de uitspraak tegen de veroordeelde onherroepelijk is geworden, kan het bestuur het bedrag ter hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 37, vorderen van de veroordeelde wiens financiële draagkracht de in artikel 34 genoemde bedragen overschrijdt. Omtrent de verplichting tot betaling door de veroordeelde zijn de artikelen 25, derde tot en met vijfde lid, 34a, 34b, 34c en 34d van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «de rechtzoekende» steeds wordt verstaan: de veroordeelde. Bij gebreke van volledige betaling kan het bestuur na een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag invorderen bij dwangbevel als bedoeld in artikel 4:114 van de Algemene wet bestuursrecht.

[…].

1 Verweerder wijst in dit kader naar regel 13 en 18 van de Gedragsregels advocatuur.