Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3245

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
C/13/703546 / KG ZA 21-509
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

mondeling vonnis.2e kort geding in geschil broer-zus ivm nakoming vaststellingsovereenkomst. schorsing ontruimingsvonnis afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/703546 / KG ZA 21-509 HH/MAH

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 24 juni 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres bij dagvaarding op verkorte termijn van 18 juni 2021,

advocaat mr. P. Salim te Amsterdam-Duivendrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H. Vosmeijer te Amstelveen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.

Tegenwoordig zijn mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, en mr. M.A.H. Verburgh, griffier.

Na uitroeping van de zaak verschijnen partijen met hun advocaten.

1 De procedure

1.1.

Op de zitting van 24 juni 2021 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht aan de hand van pleitnota’s. [eiseres] heeft producties in het geding gebracht.

De voorzieningenrechter heeft de behandeling van de zaak gesloten en na een schorsing van de zitting mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 30p lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 24 juni 2021 aan partijen is verzonden.

2 Waar gaat dit kort geding over?

2.1.

[eiseres] vordert:

I. schorsing van het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 26 mei 2021 (C/13/700618 / KG ZA 21-306), voor zover het betreft de veroordeling van [eiseres] tot ontruiming op straffe van dwangsommen. Subsidiair vordert zij om tot 1 augustus 2021 in de woning in [woonplaats] te mogen blijven indien deze niet eerder aan een koper geleverd hoeft te worden.

II. [gedaagde] te gebieden om [eiseres] uiterlijk vijf werkdagen voor ondertekening van een koopovereenkomst te informeren over de verkoopvoorwaarden en een kopie van de koopovereenkomst die hij voornemens is namens [eiseres] te ondertekenen aan haar over te leggen, op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per overtreding.

2.2.

[gedaagde] verzoekt de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen te weigeren en [eiseres] te veroordelen in de werkelijke proceskosten van tenminste € 5.000,00.

3 De beoordeling

3.1.

De vorderingen worden afgewezen. De redenen daarvoor zijn de volgende.

Vordering I

3.2.

Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, ook hangende een hoger beroep, uitvoerbaar dient te zijn. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan.

3.3.

Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag.

3.4.

[eiseres] baseert vordering I onder meer op de stelling dat er sprake is van een juridische of feitelijke misslag in r.o. 5.7 van het bestreden vonnis. Het is volgens haar niet juist dat de daar genoemde afspraak tussen partijen tot gevolg zou hebben dat er eerder moet worden ontruimd dan de leverdatum.

3.5.

Van een kennelijke misslag is geen sprake. De voorzieningenrechter in het vorige kort geding heeft op grond van de feiten en omstandigheden een begrijpelijk gemotiveerde inhoudelijke beslissing gegeven en [eiseres] kan het met dat oordeel niet eens zijn, maar dat dient dan in hoger beroep te worden voorgelegd.

3.6.

Daarnaast stelt [eiseres] dat een belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen. Daarvoor geldt dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 26 mei 2021 de nu genoemde belangen al heeft meegewogen. Het feit dat blijkbaar nu nog niet door het UWV is beslist in de Wajong-kwestie, is niet een nieuwe omstandigheid die maakt dat de belangenafweging anders uitvalt en dat [eiseres] de woning niet per 1 juli zou moeten ontruimen.

3.7.

Beide partijen hebben nog steeds belang bij een zo spoedig mogelijke verkoop. Duidelijk is, gezien hoe het tot nu toe is gegaan, dat potentiële bronnen van conflict tussen broer en zus zoveel mogelijk moeten worden vermeden (zoals de voorzieningenrechter in r.o. 5.14 van het bestreden vonnis ook heeft overwogen)

3.8.

Ontruiming per 1 juli 2021 is nu wellicht kort dag, maar [eiseres] wist al vanaf 26 mei 2021 dat ze dan uiterlijk zou moeten ontruimen. Van haar mag worden verwacht dat zij zich aan het vonnis houdt, zoals [gedaagde] dat ook heeft gedaan (door betaling van € 10.000,- en afgifte van documenten ten behoeve van de tenaamstelling van de Turkse woning).

3.9.

Vordering I wordt daarom afgewezen.

Vordering II.

3.10.

De vorige voorzieningenrechter heeft met de machtiging een procedure-afspraak gegeven waarbij [gedaagde] de woning ook namens [eiseres] mag verkopen en leveren via makelaar Van Vulpen. Ter zitting heeft [gedaagde] toegezegd dat [eiseres] uiteraard te zijner tijd de nota van afrekening, al dan niet via de notaris, en de adviezen van de makelaar over de verkoopprijs zal krijgen. [eiseres] heeft er na levering belang bij te beschikken over deze informatie om te kunnen beoordelen of de verkoopprijs reëel was. Als dat niet zo blijkt te zijn, zal zij – uitgaande van het vonnis van 26 mei 2021- een vordering op [gedaagde] hebben.

3.11.

Voor toewijzing van vordering II is geen grond te vinden in het vonnis van 26 mei 2021. [eiseres] heeft daarbij ook overigens geen belang, mede gelet op genoemde toezegging van [gedaagde] ter zitting.

Proceskosten

3.12.

Nu dit het tweede kort geding is na de vaststellingsovereenkomst van 6 januari 2021 en de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, is er aanleiding haar te veroordelen in de geliquideerde proceskosten, die zullen worden uitgewerkt in het proces-verbaal van het mondeling vonnis. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de gevraagde reële proceskosten, los van het feit dat het bedrag van € 5.000,00 niet is onderbouwd.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

4.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op:

- griffierecht € 309,00

- salaris advocaat 1.016,00

--------------------------------------------------

Totaal € 1.325,00

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier op 24 juni 2021 is vastgesteld en ondertekend.

Type: MAH