Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3185

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
13/752044-20
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerleggings-EAB Polen - Artikel 12 OLW - Poolse rechtstaatkwestie - Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752044-20

RK nummer: 20/5771

Datum uitspraak: 12 mei 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 december 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 oktober 2020 door de Circuit Court in Sieradz (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Justitieel Complex [locatie te plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 2 februari 2021

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 februari 2021. Het verhoor heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. Kandemir, advocaat te Dordrecht en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek is geschorst om de officier van

justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na te vragen of er in

Polen beoordelingsruimte is bij het verlagen van de straf bij de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde (voorwaardelijke) straf:

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Zitting 29 april 2021

De behandeling van de vordering is met toestemming van de opgeëiste persoon en de officier van justitie voortgezet in de stand van het onderzoek van de zitting van 2 februari 2021.

Het verhoor heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. Kandemir, advocaat te Dordrecht en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van

Vonnis van de District Court in Wieluń van 9 maart 2018 (II K 14/18), onherroepelijk vanaf 16 maart 2018, en waarvan de tenuitvoerlegging is gelast op 27 september 2019, welke beslissing op 28 oktober 2019 definitief is geworden

Vonnis van de District Court in Wieluń van 19 augustus 2019 (IIK 431/19), onherroepelijk vanaf 26 augustus 2019

Vonnis van de District Court in Wieluń van 8 juni 2018 (IIK 288/18), onherroepelijk vanaf 15 juni 201.8

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van I) acht maanden; II) vijf maanden; en III) één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren volgens het EAB nog I) zes maanden; II) vier maanden en 29 dagen; en III) tien maanden en 14 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1.

Toetsingskader

4.1.1

De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, Stb. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader van onder het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken.

4.1.2

In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

4.1.3

Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.1.4

Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.

4.1.5

In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.1

4.1.6

In het kader van de in overweging 4.1.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.

Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie2 of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden.3 Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.4

4.1.7

De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.5

4.1.8

Komt de rechtbank na de in de overwegingen 4.1.4 - 4.1.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met d, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot artikel 12 OLW.

4.3.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan voor wat betreft alle vonnissen. Voor wat betreft de omzettingsbeslissingen kan op grond van de aanvullende informatie worden vastgesteld dat bij deze beslissingen de aard en duur van de straf niet is veranderd zodat op grond van de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Ardic niet hoeft te worden getoetst aan artikel 12 OLW.

De zaken II K 14/18 en II K 288/18 moeten wel worden getoetst aan artikel 12 OLW maar daar doen zich de in artikel 12 OLW genoemde uitzonderingen voor. Wat betreft vonnis II K 431/19 verzoekt de officier van justitie aan de rechtbank om af te zien van haar bevoegdheid om gebruik te maken van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Er is sprake geweest van een overeenkomst tussen de opgeëiste persoon en de Poolse officier van justitie die daarna door de rechtbank is bekrachtigd. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure die gaande was en hij wist welke straf zou worden uitgesproken.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling inzake 12 OLW acht geslagen op de inhoud van het EAB en de brief van de Poolse autoriteit van 25 januari 2021.

vonnis II K 14/18

De opgeëiste persoon is niet verschenen bij het proces en is niet door een advocaat vertegenwoordigd. De opgeëiste persoon heeft zelf de dagvaarding en de oproeping voor de zitting opgehaald. Hiermee doet zich de uitzonderingsgrond van artikel 12 onder a OLW voor nu de verdachte tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van het proces en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich dan ook niet voor.

Omzettingsbeslissing II Ko 1783/19

Bij beslissing van 27 september 2019 heeft het District Court te Wielun de tenuitvoerlegging bevolen van de in vonnis II K 14/18 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en daarbij is bepaald dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden wordt verkort met 60 dagen. Uit de e-mail van de Poolse autoriteiten van 21 april 2021 valt af te leiden dat deze strafvermindering voortvloeit uit de omstandigheid dat de opgeëiste persoon een aan hem opgelegde boete in zijn geheel betaald heeft en dat dit een vaste berekening betreft waar geen beoordelingsvrijheid aan te pas komt. Gelet hierop is de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Ardic van toepassing, zoals hiervoor onder noot 5 aangehaald, waarin is bepaald dat beslissingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, EVRM en evenmin onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ vallen, voor zover noch de aard noch de duur van de aanvankelijk uitgesproken straf is gewijzigd. De rechtbank acht artikel 12 OLW dan ook niet van toepassing.

Omzettingsbeslissing II Ko 1780/19

Bij beslissing van 27 september 2019 heeft het District Court te Wielun de tenuitvoerlegging bevolen van de in vonnis II K 288/18 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en daarbij is bepaald dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar werd verkort met 50 dagen. Uit de e-mail van 21 april 2021 valt af te leiden dat deze strafvermindering voortvloeit uit de omstandigheid dat de opgeëiste persoon een aan hem opgelegde boete in zijn geheel betaald heeft en dat dit een vaste berekening betreft waar geen beoordelingsvrijheid aan te pas komt. Gelet hierop is de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Ardic van toepassing, zoals hiervoor onder noot 5 aangehaald, waarin is bepaald dat beslissingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, EVRM en evenmin onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ vallen, voor zover noch de aard noch de duur van de aanvankelijk uitgesproken straf is gewijzigd. De rechtbank acht artikel 12 OLW dan ook niet van toepassing.

Vonnis II K 431/19

De opgeëiste persoon is niet op bij het proces verschenen en is niet in op persoon op de hoogte gesteld van de datum van de zitting. Wel is de opgeeiste persoon volgens informatie van het EAB anderszins daadwerkelijk in kennis gesteld van de datum en plaats van het proces.

Ook is hij niet bijgestaan door een advocaat ter zitting en heeft hij het vonnis niet ontvangen.

De opgeëiste persoon is wel volgens de daartoe in Polen gestelde eisen opgeroepen op het door de opgeëiste persoon tijdens de procedure opgegeven adres. Tijdens zijn verhoor op 20 april 2019 gaf de opgeëiste persoon toestemming om de door de Poolse officier van justitie voorgestelde straf aan hem op te leggen.

Uit het EAB en de aanvullende informatie valt af te leiden dat geen van de in artikel 12 OLW genoemde uitzonderingen zich voor doen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de feiten waarvan hij werd verdachte, alsmede van de omstandigheid dat een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Hij heeft de feiten bekend en heeft een overeenkomst gesloten met de Poolse officier van justitie op grond van artikel 335 van het Poolse Wetboek van Strafvordering en de opgeëiste persoon is akkoord gegaan met de door de officier van justitie voorgestelde straf die later door de rechtbank is bekrachtigd. deze zaak. Daar komt bij dat de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor is meegedeeld dat hij elke adreswijziging zou moeten doorgeven.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in de onderhavige situatie worden geoordeeld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de strafrechtelijke procedure en uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces (zie ook de uitspraak van de rechtbank van 15 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1813).

De rechtbank zal dan ook geen gebruik maken van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW en zal de overlevering ten aanzien van dit vonnis toestaan.

Vonnis II Ko 1780/19

De opgeëiste persoon is niet bij het proces verschenen. De opgeëiste persoon heeft de oproeping voor de zitting in persoon opgehaald. De opgeëiste persoon heeft het gewezen vonnis in persoon ontvangen met daarbij een uitleg over zijn recht op een procedure in hoger beroep waarbij de zaak opnieuw inhoudelijk zou worden behandeld en die zou kunnen leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat zowel de uitzondering van artikel 12 onder a OLW als die van artikel 12 onder c OLW zich voordoet.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

5 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Belediging van een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd

en

bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

6. De hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)

6.1.

Standpunt verdediging

De raadsman persisteert bij zijn standpunt dat hij heeft ingenomen op de zitting van

2 februari 2021.

Primair verzoekt de raadsman om de overlevering te weigeren en subsidiair om te zaak aan te houden om nadere informatie in te winnen omdat de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Polen ter discussie staat. Hij wijst in dat verband op de uitspraak van deze rechtbank van 18 augustus 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:4032). De opgeëiste persoon bevestigt dat de situatie in Polen niet goed is.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

Uit de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2021 (ECLI:NL:RBAMS:202 1:179) volgt dat het nog altijd aan opgeëiste persoon en zijn raadsman is om informatie te verstrekken waaruit

kan blijken dat hij geen eerlijk proces heeft gehad in Polen. Dergelijke informatie heeft de verdediging niet aangevoerd. Wat de raadsman heeft aangevoerd ziet alleen op de algemene

situatie in Polen en niet op stap 3. De Poolse rechtstaatkwestie vormt dan ook geen beletsel om tot overlevering over te gaan.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De hoedanigheid van “rechterlijke autoriteit”

In haar uitspraak van 27 januari 2021 heeft de rechtbank in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 december 20206 (Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)) geoordeeld dat het bestaan van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft die in alle gevallen negatieve gevolgen voor de rechterlijke instanties in Polen kunnen hebben, op zichzelf niet volstaat om de hoedanigheid van “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan elke Poolse rechter en rechterlijke instantie te ontzeggen.

Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat dit arrest niet afdoet aan haar oordeel dat zulke structurele en/of fundamentele gebreken bestaan en dat, gelet op de aard en de omvang van die structurele en/of fundamentele gebreken, er sprake is van systemische gebreken, die negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van alle gerechten.

Naast deze gebreken zijn er in deze zaak geen gegevens voorhanden met betrekking tot the Circuit Court in Sieradz die tot een diskwalificatie als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” zouden kunnen leiden.

Artikel 47 Handvest

De rechtbank merkt verder op dat zij in eerdere uitspraken heeft geoordeeld dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling in Polen en van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft.

Dit overleveringsverzoek ziet echter op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die is opgelegd bij de eerder aangehaalde vonnissen van 9 maart 2018, 8 juni 2018 en 19 augustus 2019. De verdediging heeft geen in de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van de feiten of de feitelijke context van het EAB gelegen risicofactoren aangevoerd. Niet is gesteld of gebleken van een verband tussen deze vonnissen en de in werking getreden wetswijzigingen en andere zorgelijke ontwikkelingen in Polen. Die gebreken hebben dus in het concrete geval geen afbreuk kunnen doen aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie die de straf heeft opgelegd “waarvan de tenuitvoerlegging het voorwerp uitmaakt van het EAB”.7 De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat destijds de aan de opgeëiste persoon toekomende rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47 Handvest, zijn geschonden.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie bij de Poolse autoriteit op te vragen.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 266, 267, 285 en 350 Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Sieradz (Polen).

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. N.M. van Waterschoot en J.H. Beestman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 mei 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=178582&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=102487)(Dworzecki), punt 42.

2 Dworzecki, punt 51.

3 HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (Generalstaatsanwaltschaft Hamburg), punt 52.

4 Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, punt 53.

5 HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 74.

6 C354/20 PPU en C412/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1033.

7 HvJ EU 17 december 2020, gevoegde zake C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1033 (Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)), punt 68.