Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3180

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
13/752163-19
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Polen. Overlevering toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752163-19

RK nummer: 20/637

Datum uitspraak: 12 mei 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juli 2019 door de Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1999

verblijvende op het adres:

[adres],

thans gedetineerd in het Justitieel Centrum [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 20 mei 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 mei 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Tussenuitspraak van 3 juni 2019

Het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om in het kader van artikel 12 OLW nadere vragen aan de Poolse autoriteit te stellen.

Zitting 29 april 2021

De behandeling van de vordering is met toestemming van de opgeëiste persoon en de officier van justitie hervat in de stand van het onderzoek van de zitting van 20 mei 2020. Het verhoor heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting via een videoverbinding verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment of the District Court in Kościan van

10 september 2018 (referentienummer: II K 593/18), amended by the judgment of the Regional Court in Poznań van 31 januari 2019 (referentienummer: XVII Ka 1577/18).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog

2 jaren, 5 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde judgment van 31 januari 2019.

Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1.

Toetsingskader

4.1.1

De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, Stb. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader van onder het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken.

4.1.2

In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

4.1.3

Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.1.4

Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.

4.1.5

In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.1

4.1.6

In het kader van de in overweging 4.1.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.

Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie2 of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden.3 Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.4

4.1.7

De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.5

4.1.8

Komt de rechtbank na de in de overwegingen 4.1.4 - 4.1.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artike12, onderdeel a tot en met d, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank op de vorige zitting de artikel 12 OLW weg is ingeslagen en dat deze nu moet worden voortgezet. De rechtbank zal zich moeten beraden of in de procedure in hoger beroep sprake is geweest van een louter formele berekening of van een beoordelingsmarge bij de bepaling van de strafmaat waarbij de gevangenisstraf met 1 jaar is gematigd. Uit de brief van de Poolse autoriteit van 10 juli 2020 blijkt dat de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon zijn meegenomen in de uitspraak in hoger beroep van de medeverdachten. Als de opgeëiste persoon bij die zitting in hoger beroep aanwezig was geweest had hij zijn persoonlijke omstandigheden kunnen toelichten en had hij wellicht meer dan één jaar strafkorting gekregen. De raadsman laat de beslissing over aan de rechtbank.

4.3.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat moet worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft zelf besloten om niet in appél te gaan en de procedure in hoger beroep heeft tot een lagere straf geleid. Bovendien is in de brief van de Poolse autoriteit vermeld dat indien de opgeëiste persoon wel ter zitting in hoger beroep was verschenen dit niet tot een lagere gevangenisstraf zou hebben geleid.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit het EAB en uit de brief van de Poolse autoriteit van 10 juli 2020 het volgende af. De opgeëiste persoon was verschenen bij het proces dat tot het vonnis in eerste aanleg heeft geleid. Er is door de opgeëiste persoon geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De medeverdachten hebben wel hoger beroep ingesteld. In het door de medeverdachten ingestelde hoger beroep is de in eerste aanleg aan de opgeëiste persoon opgelegde gevangenisstraf verlaagd van 3 jaar en 6 maanden naar 2 jaar en 6 maanden. Hierbij zijn volgens de brief van de Poolse autoriteit van de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon en de ernst van de feiten in aanmerking genomen. Nu gelet hierop sprake is geweest van een beoordelingsmarge dient in dat geval te worden getoetst aan artikel 12 OLW, zie de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Zdziaszek6.

De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij het proces dat tot de uitspraak in hoger beroep heeft geleid. Op grond hiervan dient de rechtbank te onderzoeken of één van de in artikel 12 OLW genoemde uitzonderingen van toepassing is. Uit het EAB en de aanvullende informatie valt af te leiden dat geen van de in artikel 12 OLW genoemde uitzonderingen zich voordoen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich voordoet.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.

Naar de rechtbank ambtshalve bekend is, kan naar Pools recht een wijziging van de opgelegde straf in het kader van een hoger beroepsprocedure van een andere verdachte, zoals in deze zaak, nooit tot een strafverzwaring leiden. De opgeëiste persoon heeft zelf besloten geen hoger beroep in te stellen, hetgeen impliceert dat hij geen bezwaar had tegen de duur van de aan hem in eerste instantie opgelegde vrijheidsstraf. De opmerking van de verdediging dat, indien de opgeëiste persoon bij de behandeling in hoger beroep aanwezig was geweest, hij wellicht meer strafkorting zou hebben gekregen, is dan ook niet relevant. Onder deze omstandigheden houdt overlevering geen schending van de verdedigingsrechten in.

5 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Medeplegen van een ander door geweld en enige andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen en iets niet te doen;

en

diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6. De hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)

De rechtbank merkt op dat zij in eerdere uitspraken heeft geoordeeld dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling in Polen en van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft.

Dit overleveringsverzoek ziet op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die is opgelegd bij het eerder aangehaalde judgment van 31 januari 2019. De verdediging heeft geen in de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van de feiten of de feitelijke context van het EAB gelegen risicofactoren aangevoerd. Niet is gesteld of gebleken van een verband tussen dit vonnis en de in werking getreden wetswijzigingen en andere zorgelijke ontwikkelingen in Polen. Die gebreken hebben dus in het concrete geval geen afbreuk kunnen doen aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie die de straf heeft opgelegd “waarvan de tenuitvoerlegging het voorwerp uitmaakt van het EAB”.7 De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat destijds de aan de opgeëiste persoon toekomende rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47 Handvest, zijn geschonden.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 284 en 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Poznań (Polen).

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. N.M. van Waterschoot en J.H. Beestman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 mei 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=178582&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=102487)(Dworzecki), punt 42.

2 Dworzecki, punt 51.

3 HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (Generalstaatsanwaltschaft Hamburg), punt 52.

4 Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, punt 53.

5 HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 74.

6 HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=193541&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=340643) (Zdziaszek)

7 HvJ EU 17 december 2020, gevoegde zake C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1033 (Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)), punt 68.