Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3164

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
13.152057.20 (zaak A); 13.065463.20 (zaak B); 13.285383.19 (zaak C); 13.741215.18 (tul)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Eindvonnis na tussenvonnis.Duidelijk geworden na beantwoording nadere vragen dat er geen alternatief is om de klinische behandeling succesvol te laten plaatsvinden anders dan in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. BP, Beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13.152057.20 (zaak A); 13.065463.20 (zaak B); 13.285383.19 (zaak C); 13.741215.18 (tul).

Datum uitspraak: 10 juni 2021

Verkort eindvonnis na tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

wonende op het adres [adres], thans gedetineerd te: [detentieadres]

1 Tussenvonnis

Op 22 maart 2021 heeft onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden en is dat onderzoek gesloten. Bij tussenvonnis van 7 april 2021 heeft de rechtbank:

- verdachte vrijgesproken van het in zaak A onder 3 en in zaak A onder 4 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde;

- bewezen verklaard dat verdachte het in zaak A onder 1, 2, 4 tweede cumulatief/alternatief, 5, in zaak B onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en in zaak C onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan;

- vastgesteld dat die bewezen verklaarde feiten opleveren

ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van poging tot oplichting

ten aanzien van het in zaak A onder 4 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde:

eenvoudig witwassen

ten aanzien van het in zaak A onder 5 bewezen verklaarde:

medeplegen van het met het oogmerk dat daarmee computervredebreuk wordt gepleegd computerwachtwoorden, toegangscodes of daarmee vergelijkbare gegevens waardoor toegang kan worden gekregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verwerven en voorhanden hebben

ten aanzien van het in zaak B onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezen verklaarde:

telkens: medeplegen van poging tot zware mishandeling

ten aanzien van het in zaak C onder 1 en 3 bewezen verklaarde:

telkens: mishandeling

ten aanzien van het in zaak C onder 2 bewezen verklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

- vastgesteld dat deze feiten strafbaar zijn en verdachte daarvoor strafbaar geacht;

- het oordeel over de eventuele oplegging van een straf en/of maatregel aangehouden. De rechtbank heeft het noodzakelijk gevonden om psycholoog [psycholoog] en psychiater [psychiater] opdracht te geven tot het uitbrengen van een aanvullend advies ter beantwoording van nadere vragen over de (on)mogelijkheden van een klinische behandeling van verdachte in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Tevens is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) opgedragen om nader te adviseren over de te stellen bijzondere voorwaarden in het geval van een veroordeling tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een klinische behandeling;

- het onderzoek daarbij heropend en geschorst tot een nader te houden zitting.

2 Onderzoek ter terechtzitting

Op 27 mei 2021 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting hervat.

De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting van 27 mei 2021 ontvangen:

  • -

    een aanvullend rapport van de deskundigen [psycholoog] en [psychiater] van 3 mei 2021;

  • -

    een aanvullend advies van de Raad van 20 mei 2021.

De officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer en verdachte en zijn raadsman mr. W. van Vliet hebben hun nadere standpunten naar voren gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mevrouw [persoon 1], namens de Raad, en mevrouw [persoon 2], namens het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna ook: LJ&R) naar voren is gebracht.

Het openbaar ministerie heeft verzuimd om de deskundigen [psychiater] en [psycholoog] op te roepen voor de zitting van 27 mei 2021. Uiteindelijk heeft mevrouw [psycholoog] telefonisch deel kunnen nemen aan de zitting en nadere vragen kunnen beantwoorden.

De rechtbank heeft het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de zaak teneinde – kort gezegd – nader deskundigenonderzoek te verrichten, afgewezen.

Het onderzoek is gesloten.

3 Nadere standpunten

De raadsman blijft primair bij zijn standpunt dat verdachte als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel in een ambulant kader kan worden behandeld. Subsidiair is zijn standpunt dat verdachte de kans moet krijgen om in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel een klinische behandeling te krijgen. De raadsman heeft betoogd dat de rechtbank in dat kader onvoldoende is voorgelicht. Blijkens de aanvullende brief hebben de deskundigen slechts de drie – al op 22 maart 2021 ter zitting genoemde – instellingen onderzocht. Uit een betrekkelijk korte zoekslag in de jurisprudentie blijkt de raadsman al dat er daarnaast meerdere mogelijkheden bestaan voor een klinische behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ. Daarbij is de psycholoog ter zitting op 27 mei 2021 weliswaar telefonisch gehoord, maar de psychiater niet. De psycholoog benadrukt dat een hoog beveiligingsniveau essentieel is voor verdachte en dat er daarom geen andere mogelijkheden zijn dan een onvoorwaardelijke PIJ. De positieve ontwikkelingen die verdachte heeft doorgemaakt gedurende zijn detentie duiden erop dat met een lager beveiligingsniveau kan worden volstaan. Daar zou nader deskundigenonderzoek naar gedaan moeten worden, waaronder onderzoek naar instellingen die een klinische behandeling met een lager beveiligingsniveau aanbieden, waar behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ mogelijk is.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering om aan verdachte, naast een jeugddetentie van 18 maanden, de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De officier van justitie heeft zich verzet zich tegen een aanhouding, nu er een uitgebreid eerste rapport van deskundigen ligt, dat tijdens de vorige zitting ook uitvoerig is toegelicht Daarnaast zijn de aanvullende vragen van de rechtbank per brief beantwoord en is de psycholoog ter zitting op 27 mei 2021 nogmaals gehoord. Het advies is duidelijk.

4 Jeugddetentie en PIJ-maatregel

Aanhouding

Ter terechtzitting heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding afgewezen. Over verdachte is uitvoerig gerapporteerd en gesproken. De rechtbank heeft zich voldoende voorgelicht geacht op basis van de rapportages van de drie deskundigen, die van de hulpverlening, de aanvullende brief van twee van de deskundigen en al het verhandelde tijdens de zittingen.

Jeugddetentie

In dit eindvonnis wil de rechtbank nogmaals benadrukken dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een grote hoeveelheid ernstige strafbare feiten.

In zaak A heeft verdachte een groot aantal personen opgelicht door middel van geraffineerde fraude via Marktplaats. De slachtoffers zijn bewogen om hun te koop staande telefoon of ander luxe goed op te sturen in de veronderstelling dat de betaling gedaan was, wat niet het geval was. De meeste aangevers hebben schade geleden, wat ook blijkt uit de reeks aan vorderingen benadeelde partij. Dit soort kwesties komt ook het algehele beeld van sites als Marktplaats.nl niet ten goede en tast het vertrouwen in het gebruik van dit soort sites aan. Verdachte heeft ook goederen witgewassen en computervredebreuk gepleegd.

In zaak B heeft verdachte drie willekeurige personen van hun fiets getrapt/geduwd, terwijl hij met de scooter langs hen reed en de mededader die bij verdachte achterop zat ondertussen ter vermaak de vallende slachtoffers aan het filmen was. Het gaat hier om laffe feiten die enkel ter vermaak zijn gepleegd. Duidelijk is dat verdachte daarbij geen oog heeft gehad voor zowel de lichamelijke als geestelijke gevolgen voor de slachtoffers, die onder meer blijken uit de vordering benadeelde partij van de heer [persoon 3]. De heer [persoon 3] heeft veel pijn en lichamelijke ongemakken gehad. Hij heeft in verband met polsklachten geregeld behandelingen bij de fysiotherapeut gevolgd. Ook geestelijk zijn de gevolgen groot voor hem geweest. Hij voelt zich minder veilig en begrijpt niet waarom dit hem is overkomen. Bovenal zorgt het feit dat het filmpje van het incident op internet is terug te vinden ervoor dat het misdrijf voor hem een lange nasleep heeft.

In zaak C heeft verdachte [persoon 4] en [persoon 5] fors mishandeld, enkel omdat hij een woordenwisseling met hen had. [persoon 4] heeft daar pijn aan overgehouden en [persoon 5] zelfs flink letsel aan haar gezicht, zoals te zien is op de foto’s. [persoon 5] is door verdachte ook nog met de dood bedreigd. Hij heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Het feit heeft veel impact op [persoon 5] gehad, zoals ook blijkt uit de vordering benadeelde partij. Zij heeft veel pijn gehad en last van haar letsel ondervonden. Er is een litteken zichtbaar bij haar wenkbrauw. Zij voelde zich somber en neerslachtig na het incident en voelt zich nu onveilig. Zij wil het graag achter zich laten, maar dat lukt haar niet.

Gelet op de ernst en hoeveelheid van deze feiten, het strafblad van verdachte, de adviezen van deskundigen en hulpverlening en met inachtneming van de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen van aanzienlijke duur. Deze zal echter lager zijn dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank het belangrijk vindt dat verdachte spoedig wordt behandeld; waarover hierna meer.

PIJ-maatregel

In het tussenvonnis heeft de rechtbank al geconcludeerd dat er bij verdachte een noodzaak bestaat tot klinische behandeling in een gesloten setting van minstens een jaar, mede gelet op het hoge recidiverisico en het reële risico op schijnaanpassing.

De rechtbank heeft aanvullende vragen gesteld aan de deskundigen om antwoord te krijgen op de vragen of een verplichting tot klinische behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel het geconstateerde recidivegevaar kan beperken en kan dienen ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte, wat de minimale en de maximale duur van een dergelijke klinische behandeling zou zijn en binnen welke forensische behandelomgeving deze klinische behandeling dan zou kunnen plaatsvinden.

Uit het aanvullende rapport van de deskundigen volgt dat er, gelet op de problematiek van verdachte, de doorwerking daarvan in de tenlastegelegde feiten en het geschetste recidivegevaar, wordt gepersisteerd bij het advies om verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen teneinde het recidivegevaar terug te dringen en in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling. Er wordt geen reëel alternatief gezien voor een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, dat gerealiseerd kan worden binnen de kaders van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Om het recidiverisico te verlagen is het noodzakelijk dat verdachte behandeld wordt, waarbij zijn morele ontwikkeling en zelfcontrole belangrijke elementen zijn. Er is bij verdachte onvoldoende probleembesef, ziekte-inzicht en intrinsieke motivatie aanwezig. Verdachte noemt tal van goede bedoelingen, maar heeft weinig daadwerkelijke gedragsverandering door de tijd heen laten zien. Om te komen tot een daadwerkelijke aanpassing in zijn gedragspatronen achten onderzoekers een langdurige én klinische behandeling noodzakelijk. Ter zitting (van 22 maart 2021) werden de gevaren van een schijnaanpassing besproken, en de verschillen hierbij tussen een klinische (24/7-setting) en een ambulante behandeling (een paar keer een korte tijd per week) besproken en toegelicht. Binnen een klinische setting is het moeilijk om een schijnaanpassing vol te houden, in een ambulante setting is dat eenvoudiger. Gezien het hoge recidiverisico in combinatie met de kans op het onttrekken aan behandeling is een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk. Alleen middels een gesloten behandeling bestaat er een kans dat verdachte zich toelegt op behandeling. Onderzoekers hebben een voorwaardelijke PIJ-maatregel overwogen. Het risico op antisociaal en gewelddadig delictgedrag wordt hoog ingeschat, zowel op de korte als de lange termijn. Hierbij komt dat de ingeschatte behandelduur volgens onderzoekers aanzienlijk zal zijn, alvorens verdachte zijn gedragspatronen écht kan veranderen. Tevens is geconstateerd dat de intrinsieke motivatie die benodigd is voor het welslagen van een voorwaardelijk PIJ-traject, bij verdachte onvoldoende gezien is. Uit de informatie van het milieuonderzoek is af te leiden dat hij in het verleden al veel kansen kreeg en toezeggingen deed, zonder dat hij daadwerkelijk tot gedragsverandering kwam. Probleeminzicht is afwezig, evenals erkenning van risico- en delictfactoren. Verdachte lijkt niet in aanmerking te komen voor een plaatsing binnen de Catamaran of de Fjord vanwege het gegeven dat deze instellingen zich vooral richten op psychiatrische stoornissen in engere zin, zoals psychotische stoornissen, stemmingsstoornissen en autismespectrumstoornissen. Stoornissen waar verdachte niet aan lijdt. Ten aanzien van de mogelijkheden van een plaatsing binnen bijvoorbeeld het Forensisch Centrum Adolescenten worden problemen gesignaleerd in de intensiteit van de geboden begeleiding en behandeling. Dit centrum biedt naar de mening van onderzoekers onvoldoende intensief toezicht en begeleiding om verdachte daadwerkelijk in zorg te krijgen en de kernpunten van de problematiek van verdachte te kunnen behandelen en te kunnen beïnvloeden. Onderzoekers menen dat bovenstaande settingen het recidiverisico onvoldoende zullen beperken, mede gelet op het lagere beveiligingsniveau.

Tijdens de zitting heeft de psycholoog [psycholoog] dit advies nader toegelicht en antwoord gegeven op vragen van de raadsman en de rechtbank. De klinieken die - in zijn algemeenheid - mogelijk in aanmerking kunnen komen voor een behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, waarvan enkele ook door de raadsman zijn genoemd, zijn gericht op behandeling van andere, meer psychiatrische problematiek of gericht op de doelgroep met een verstandelijke beperking. Daar is bij verdachte geen sprake van en dus zijn die niet geschikt. Daarbij komt dat mede gelet op het recidiverisico van verdachte een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is. Het is voor verdachte noodzakelijk dat hij in ieder geval een jaar gesloten wordt behandeld, voordat er verlofaanvragen gedaan kunnen worden. Bij een lager beveiligingsniveau zal er eerder overgegaan worden op verloven, omdat die in een dergelijke setting ook afhankelijk zijn van de behandelmotivatie van betrokkenen. Het risico daarvan is dat verdachte te vroeg op verlof kan gaan vanwege zijn schijnaanpassing. Alleen een Justitiële Jeugdinrichting, waarin niet onderhandeld kan worden over verloven, is geschikt voor verdachte. Het voorwaardelijk kader is ook mede daarom niet geschikt. Een Justitiële Jeugdinrichting biedt de structuur die verdachte nodig heeft. De behandeling zal inclusief resocialiseren in het meest gunstige scenario minimaal twee jaar gaan duren.

De Raad en LJ&R hebben gelet op de adviezen van de psychiater en psycholoog gepersisteerd bij hun advies om aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

De rechtbank komt tot het oordeel dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven – waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld – een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

Zoals al vastgesteld in het tussenvonnis is het noodzakelijk dat verdachte klinisch wordt behandeld in een gesloten setting gedurende minstens een jaar. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat er in het geval van verdachte geen alternatief is om deze behandeling succesvol te laten plaatsvinden anders dan in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Ten eerste is er bij verdachte sprake van een hoog recidiverisico en een reëel risico op schijnaanpassing. Terwijl er bij hem onvoldoende probleembesef, ziekte-inzicht en intrinsieke motivatie aanwezig is. Belangrijk is daarom dat – en zeker in het eerste jaar van de behandeling – er voortdurend zicht is op verdachte. Zo is de kans dat verdachte zich toelegt op de behandeling en deze ook slaagt het grootst. In die context begrijpt de rechtbank ook het hoge beveiligingsniveau dat die behandelomstandigheden kan garanderen. Ten tweede is gebleken dat dit niveau enkel in een JJI kan worden geboden. Er zijn geen andere geschikte klinieken voor de behandeling van verdachte aanwezig. De alternatieve instellingen zijn gericht op een andere doelgroep of zijn niet ingesteld op een dergelijk hoog beveiligingsniveau en bieden dus te veel vrijheid. Ten derde volgt uit hetgeen aanvullend is gerapporteerd en ter zitting is toegelicht, dat vanwege de specifieke problematiek van verdachte het verloop van de behandeling dermate onzeker is dat niet op voorhand kan worden volstaan met een klinische behandeling van een bepaalde duur. De deskundigen verwachten dat een behandeling van aanzienlijke duur nodig is, zodat ook om die reden het voorwaardelijk kader met een proeftijd van twee jaren, onvoldoende is. Aan verdachte wordt om deze redenen de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd.

De rechtbank overweegt ten slotte dat de PIJ-maatregel ook zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

5. Beslag

In de zaken A en B zijn onder verdachte diverse goederen in beslag genomen waarover nog een strafvorderlijke beslissingen dient te worden genomen.

Op de kamer van verdachte is een grote hoeveelheid luxe goederen aangetroffen, zoals dure merkkleding, schoenen en accessoires. De voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn voorwerp van het witwassen. Gelet op de feiten en omstandigheden in de zaak van verdachte concludeert de rechtbank dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat al deze goederen afkomstig zijn uit de oplichtingspraktijken van verdachte, zoals ook in het tussenvonnis reeds is overwogen. De kleding, schoenen en accessoires zullen dan ook verbeurd worden verklaard.

De telefoons (IPhone’s 6, 7 en X) en laptop zijn gebruikt bij het plegen van de oplichting en zullen eveneens verbeurd worden verklaard.

De boksbeugel, begrenzer en slotentrekker zullen worden onttrokken aan het verkeer op grond van artikel 36d Wetboek van Strafrecht, nu deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Het klassieke beslag op grond van artikel 94 Sv op de scooter, het sieraad en het geld zal worden opgeheven door teruggave aan verdachte. Echter, hier rust conservatoir beslag op en dus zal verdachte deze niet daadwerkelijk terugkrijgen.

6 Benadeelde partijen

[persoon 6] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 6] vordert € 600,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd, omdat er rekening gehouden moet worden met de dagwaarde.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 6] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[persoon 7] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 7] vordert € 700,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze niet is onderbouwd en er geen dagwaarde kan worden bepaald.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal bij gebrek aan nadere onderbouwing de schade schatten op een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 7] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[persoon 8] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 8] vordert € 538,74 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is tot 508,45, te weten € 500,- voor de telefoon en 8,45 voor de verzendkosten.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd, omdat er rekening gehouden moet worden met de dagwaarde.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal bij gebrek aan nadere onderbouwing de schade ten aanzien van de telefoon schatten op een bedrag van € 300,-. Samen met de verzendkosten zal de vordering dan worden toegewezen tot € 308,45, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.


Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.


In het belang van [persoon 8] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[persoon 9] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 9] vordert € 600,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze niet is onderbouwd.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal bij gebrek aan nadere onderbouwing de schade ten aanzien van de telefoon schatten op een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.


Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

In het belang van [persoon 9] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[persoon 10] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 10] vordert € 1.460,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot € 1.200,- toewijsbaar is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd, omdat er rekening gehouden moet worden met de dagwaarde.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.


In het belang van [persoon 10] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[persoon 11] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 11] vordert € 470,45 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze niet is onderbouwd en er geen dagwaarde kan worden bepaald.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal bij gebrek aan nadere onderbouwing de schade ten aanzien van de telefoon schatten op een bedrag van € 250,-. Samen met de verzendkosten en kosten voor ‘gelijk oversteken’ zal de vordering dan worden toegewezen tot € 270,45, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.


Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.


In het belang van [persoon 11] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[persoon 12] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 12] vordert € 856,75,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is.

€ 850,- voor de tas en € 6,75 verzendkosten

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze niet is onderbouwd en er geen dagwaarde kan worden bepaald.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal bij gebrek aan nadere onderbouwing de schade ten aanzien van de tas schatten op een bedrag van € 450,-. Dat is overeenkomstig het door haar opgegeven verkoopbedrag. Samen met de verzendkosten zal de vordering dan worden toegewezen tot € 456,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.


Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 12] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[persoon 13] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 13] vordert € 725,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze niet is onderbouwd en er geen dagwaarde kan worden bepaald.


De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 13] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[persoon 14] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 14] vordert € 306,75,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze niet is onderbouwd en er geen dagwaarde kan worden bepaald.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 14] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[persoon 15] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 15] vordert € 600,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze niet is onderbouwd en het moeizaam is bij een feit als oplichting immateriële schade toe te wijzen.


De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van

immateriële schade. Het bestaan van geestelijk letsel kan niet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. De aard en de ernst van de normschending brengen niet mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[persoon 16] (zaak A)

De benadeelde partij [persoon 16] vordert € 825,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 16] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[persoon 17] (zaak A)
De benadeelde partij [persoon 17] vordert € 500,- aan materiële schadevergoeding en € 250,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële gedeelte van de vordering voor toewijzing vatbaar is. De immateriële schade vindt zij onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij voor dat gedeelte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsman heeft bepleit dat de vordering geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard bij gebrek aan onderbouwing van zowel het materiële als immateriële deel van de schade.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde vergoeding ten aanzien van die materiële schade komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 17] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van

immateriële schade. Het bestaan van geestelijk letsel kan niet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. De aard en de ernst van de normschending brengen niet mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering betreffende schade. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[persoon 3] (zaak B)

De benadeelde partij [persoon 3] vordert € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij immers recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel en hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[persoon 5] (zaak C)
De benadeelde partij [persoon 5] vordert € 400,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is.

De raadsman heeft bepleit om het toe te wijzen bedrag te matigen, omdat er – anders dan de mening van de benadeelde partij – er naar mening van verdachte wel degelijk een aanleiding was voor de confrontatie.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak C onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank zal de vordering in zijn geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Zij ziet geen aanleiding om deze te matigen door een vorm van eigen schuld aan de kant van de benadeelde, zoals door verdachte gesteld. Die lezing vindt geen steun in het dossier.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.


In het belang van [persoon 5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

7 Vordering tenuitvoerlegging

Gelet op het opleggen van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel maatregel zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 4 februari 2019 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 20 dagen worden afgewezen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 139d, 285, 300, 302, 326, 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt op aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Verklaart verbeurd:

(in de zaak met parketnummer 13.152057.20)

7. 2020080187 1 STK Schoenen,

(Omschrijving: G5927608, Louboutin, Merk: Zwart)

8. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927570, Louboutin Junior, Merk: Spike)

9. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927621, Louboutin Flat Veau, Merk: Item 18 Maat 47)

10. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927591, Louboutin Louis, Merk: Orlato)

11. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927584, Louboutin, Merk: Flat Calf)

12. 2020080187 1 STK Tas

(Omschrijving: G5927644, Louis Vuitton)

13. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927628, Jeezy Adidas, Merk: Creme, Chassisnr: Ee7287)

14. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927589, Louboutin Louis, Merk: Orlato Zwart)

15. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927596, Valentino Rockrunner, Merk: Zwart)

16. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927636, Jeezy 350 Adidas, Merk: Grijs, Chassisnr: Fw3042)

17. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927655, Balenciaga, Merk: Zwart, Chassisnr: In Lade Kledingkast)

18. 2020080187 1 STK Trui

(Omschrijving: G5927684, Stone Island, Merk: Grijs, Chassisnr: Uit Kledingkast)

19. 2020080187 1 STK Jas

(Omschrijving: G5927678, Woolrich Maat S, Merk: Zwart)

20. 2020080187 1 STK Jas

(Omschrijving: Stone Island, Merk: Zwart Maat S)

21. 2020080187 1 STK Trui

(Omschrijving: G5927656, Philipp Plein Grijs, Merk: Met Zwart Doodshoofd)

22. 2020080187 1 STK Jas

(Omschrijving: G5927672, Canada Goose, Merk: Zwart Item 26)

23. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927648, Jeezy Boost Adidas, Merk: Zwart)

24. 2020080187 1 STK Jas

(Omschrijving: G5927659, Parajumpers Soft, Merk: Shell Xxl)

25. 2020080187 1 STK Jas

(Omschrijving: G5927676, Moncler Doudoune, Merk: Legere)

26. 2020080187 1 STK Sjaal

(Omschrijving: G5927622, Louis Vuitton, Merk: Grijs)

27. 2020080187 1 STK Muts

(Omschrijving: G5927626, Louis Vuitton, Merk: Muts Grijs)

28. 2020080187 1 STK Sjaal

(Omschrijving: G5927600, Zwart Louis Vuitton, Merk: In Doos)

29. 2020080187 1 STK Jas

(Omschrijving: G5927662, Canada Goose Zwart, Merk: Item 25)

30. 2020080187 1 STK Shirt

(Omschrijving: G5927690, Philipp Plein, Merk: Zwart)

31. 2020080187 1 STK Jas

(Omschrijving: G5927674, Wolrich Maat Xxl)

32. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927654, Balenciaga Triple S, Merk: Creme)

33. 2020080187 1 STK Jas

(Omschrijving: G5927660, Dsquared Caten Broth, Merk: Groen)

34. 2020080187 1 STK Jas

(Omschrijving: G5927693, Stone Island, Merk: Blauw)

35. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927647, Louboutin, Merk: Zwart)

36. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927645, Louboutin Wit)

37. 2020080187 1 STK Tas

(Omschrijving: G5927703, Louis Vuitton Zwart, Merk: Schoudertas)

38. 2020080187 1 STK Tas

(Omschrijving: G5927700, Louis Vuitton, Merk: Zwart)

39. 2020080187 1 STK Shirt

(Omschrijving: G5927650, Kenzo K42 Pooo, Merk: Zwart, Chassisnr: Prijs 110 Eu)

40. 2020080187 1 STK Tas

(Omschrijving: G5927625, Louis Vuitton, Merk: Uit Vakkenkast)

41. 2020080187 1 STK Zonnebril

(Omschrijving: G5927615, Louis Vuitton, Merk: Z026ou)

42. 2020080187 1 STK Jas

(Omschrijving: G5927685, Stone Island, Merk: Blauw)

43. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927639, Yeezy Boost 350, Merk: Adidas Zwart, Bon 219,95 Eu)

44. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927631, Adidas 350 V2, Merk: Grijs)

45. 2020080187 1 STK Schoenen

(Omschrijving: G5927612, Louis Vuitton, Merk: Bruin/Goud)

46. 2020080187 1 STK Computer

(Omschrijving: G5927586, Hp Grijs Notebook, Merk: 4530s + Dell Oplader)

50. 2020080187 1 STK GSM

(Omschrijving: G5927558, Iphone 6, Merk: Zilverkleurig)

53. 2020080187 6 STK Shirt

(Omschrijving: G5927680, Stone Island, Merk: Versch Kleuren In)

(in de zaak met parketnummer 13.065463.20)

2. 2020029597 1 STK GSM

(Omschrijving: 5895274, Merk: Iphone 7)

3. 2020029597 3 1 STK GSM

(Omschrijving: 5895272, Merk: Iphone X)

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

(in de zaak met parketnummer 13.152057.20)

2. 2020080187 1 STK Wapen

(Omschrijving: G5927695, Boksbeugel)

3. Begrenzer PL1300-2020080187-5927698

4. Slotentrekker PL1300-2020080187-5927638

Gelast de teruggave, voor zover niet (langer) bezwaard met beslagen, aan verdachte van:

(in de zaak met parketnummer 13.152057.20)

1. 2020080187 1 STK Scooter

(Omschrijving: G5914927, [kenteken], Kleur: Piaggio Vespa, Merk: Primavera 2016)

6. 2020080187 6 1 STK Sieraad

(Omschrijving: G5927987, Ketting Goudkleurig, Merk: Uit Waza R3645619)54.

54. 2020080187 54 126,25 EUR; IBGN 8-6-2020

(Omschrijving: 5927619, )

(in de zaak met parketnummer 13.065463.20)

1. 2020029597 1 394,55 EUR

(Omschrijving: G5895287 2x50 9x20 9x10 4x5 en 4,55 muntgeld, 5895287 Ibg 11/03/20)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 6] toe tot een bedrag van

€ 600,- (zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 6] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 6], te betalen de som van € 600,- (zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 7] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 7] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 7], te betalen de som van € 500,- (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 7] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 8] toe tot een bedrag van € 308,45 (driehonderd acht euro en vijfenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 8] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 8], te betalen de som van € 308,45 (driehonderd acht euro en vijfenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 8] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 9] toe tot een bedrag van

€ 500,- (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 9] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 9], te betalen de som van € 500,- (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 9] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 10] toe tot een bedrag van

€ 1.200,- (duizend tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 10] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 10], te betalen de som van € 1.200,- (duizend tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 10] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 11] toe tot een bedrag van

€ 270,45 (tweehonderd zeventig euro en vijfenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 11] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 11], te betalen de som van € 270,45 (tweehonderd zeventig euro en vijfenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 11] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 12] toe tot een bedrag van
€ 456,75 (vierhonderd zesenvijftig euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 12] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 12], te betalen de som van € 456,75 (vierhonderd zesenvijftig euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 12] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 13] toe tot een bedrag van € 725,- (zevenhonderd vijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 13] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 13], te betalen de som van € 725,- (zevenhonderd vijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 14] toe tot een bedrag van € 306,75 (driehonderd zes euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 14] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 14], te betalen de som van € 306,75 (driehonderd zes euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 15] niet-ontvankelijk is in de vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 16] toe tot een bedrag van € 825,- (achthonderd vijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 16] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 16], te betalen de som van € 825,- (achthonderd vijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 17] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 17] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 17], te betalen de som van € 500,- (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 17] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 3] toe tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behalve voor zover deze vordering al door een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 3], te betalen de som van € 1.000,- (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 5] toe tot een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 5] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[persoon 5] te betalen de som van € 400,- (vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis d.d. 4 februari 2019

opgelegde voorwaardelijke straf AF.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. Beunk, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. V. Zuiderbaan en A.S. Dogan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2021.