Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3162

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
13.152057.20 (zaak A); 13.065463.20 (zaak B); 13.285383.19 (zaak C); 13.741215.18 (tul)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Bewezenverklaring marktplaatsfraude, witwassen, mishandelingen. Onderzoek heropent i.v.m. stellen nadere vragen aan deskundigen over mogelijkheid tot klinische behandeling in kader van voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Interlocutoir vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13.152057.20 (zaak A); 13.065463.20 (zaak B); 13.285383.19 (zaak C); 13.741215.18 (tul).

Datum uitspraak: 7 april 2021

Verkort tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

wonende op het adres [adres], thans gedetineerd te: [detentieadres]

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 maart 2021.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W. van Vliet, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), de heer [persoon 2] , namens het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna ook: LJ&R), de heer [persoon 3] , IFA coach, en de moeder van verdachte naar voren is gebracht.

Op de zitting zijn ook de heer [psychiater] , psychiater, en mevrouw [psycholoog] , psycholoog, als deskundigen gehoord.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Zaak A.

  1. medeplegen van oplichting van meerdere personen via Marktplaats in de periode
    1 oktober 2019 tot en met 30 mei 2020;

  2. medeplegen van poging tot oplichting van [persoon 4] via Marktplaats op 3 februari 2020;

  3. medeplegen van oplichting van [persoon 5] via Marktplaats in de periode 5 juni 2020 tot en met 9 juni 2020, subsidiair de poging daartoe;

  4. medeplegen van witwassen van kostbare (merk)goederen in de periode 2 oktober 2019 tot en met 8 juni 2020;

  5. medeplegen van het voorhanden hebben van gegevens (inlog en wachtwoorden) met het oogmerk tot het plegen van computervredebreuk in de periode 7 november 2019 tot en met 9 juni 2020;

Zaak B

  1. medeplegen van poging tot zware mishandeling van [persoon 6] op 9 februari 2020 te Amsterdam, subsidiair openlijk geweld, meer subsidiair medeplegen van mishandeling;

  2. medeplegen van poging tot zware mishandeling van [persoon 7] op of omstreeks 22 april 2019 te Amsterdam, subsidiair openlijk geweld, meer subsidiair medeplegen van mishandeling;

  3. medeplegen van poging tot zware mishandeling van een onbekende op of omstreeks 22 april 2019 te Amsterdam, subsidiair openlijk geweld, meer subsidiair medeplegen van mishandeling;

Zaak C

  1. mishandeling van [persoon 8] op 15 oktober 2019 te Amsterdam;

  2. bedreiging van [persoon 8] op 15 oktober 2019 te Amsterdam;

  3. mishandeling van [persoon 9] op 15 oktober 2019 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Zaak A

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 4 en 5 kunnen worden bewezen.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat – op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen – wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van grootschalige oplichting via Marktplaats en de poging daartoe. Hij heeft ook een grote hoeveelheid inloggegevens en wachtwoorden verworven en voorhanden gehad ten behoeve van de bij die oplichting gepaard gaande computervredebreuk. De feiten 1, 2 en 5 kunnen dan ook worden bewezen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichting van aangevers [persoon 10] (zaaksdossier 16 opgenomen in feit 1) en [persoon 5] (zaaksdossier 17, feit 3), zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Daarnaast is in de slaapkamer van verdachte een groot aantal waardevolle goederen aangetroffen, waaronder dure elektronica en merkkleding. Van deze goederen zijn in ieder geval de MacBook Pro en de Louis Vuitton schoenen te herleiden naar aangiftes waarvan verdachte de oplichting ook heeft bekend. Maar ook als niet meteen duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, kan witwassen bewezen worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. Gelet op de feiten en omstandigheden in de zaak van verdachte concludeert de rechtbank dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat al deze goederen afkomstig zijn uit de oplichtingspraktijken van verdachte. De - niet onderbouwde verklaring van verdachte dat hij een deel van deze goederen heeft gekregen van een rijke (inmiddels ex-) vriendin heeft verdachte voor het eerst ter zitting gedaan en is - ook naar zijn zeggen - niet verifieerbaar en ook niet concreet. Daarbij is deze verklaring in het licht van het dossier, op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Een legale herkomst van deze goederen kan daarom niet met enige mate van zekerheid worden vastgesteld. De rechtbank concludeert dan ook dat hij deze goederen uit eigen misdrijf heeft verkregen en voorhanden gehad, zodat hij zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen. Dat hij zijn slaapkamer, waar de goederen zijn aangetroffen, deelde met een broer doet daaraan niet af, gelet op zijn bekentenis én nu hij verder ook niet verklaart welke goederen dan wel of niet van hem zouden zijn.

4.2.

Zaak B

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de drie primair ten laste gelegde pogingen tot zware mishandeling kunnen worden bewezen.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat – op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen – de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde pogingen tot zware mishandeling bewezen kunnen worden. Verdachte heeft drie maal als bestuurder van een scooter een willekeurig persoon van zijn fiets getrapt, waardoor deze personen ten val zijn gekomen. Onder die omstandigheden heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hierdoor zwaar lichamelijk letsel bij die personen kon ontstaan.

4.3.

Zaak C

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten kunnen worden bewezen.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde mishandelingen van aangevers [persoon 9] en [persoon 8] en de bedreiging van [persoon 8] wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft bekend dat hij de twee aangevers heeft mishandeld. Hij ontkent weliswaar bedreigende woorden te hebben geuit tegen [persoon 8] , maar dat er een bedreiging door verdachte heeft plaatsgevonden, kan op basis van de aangiften en getuigenverklaringen eveneens worden bewezen.

5 Bewezenverklaring en het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 30 mei 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) personen heeft bewogen tot de afgifte van (dure) elektronica en/of goederen, te weten:

- Obrie, een MacBook Air en

- [persoon 11] , een iPphone XR en

- [persoon 12] , een paar Balenciaga (triple S) schoenen en

- van [persoon 13] , een Louis Vuitton handtas en

- van [persoon 14] , een iPhone X en

- [persoon 15] , een iPhone X en

- [persoon 16] , een iPhone 8 en

- [persoon 17] , een iPhone XS en

- [persoon 18] , een iPhone 8 plus en

- [persoon 19] , een iPhone 8 en

- [persoon 20] , een paar schoenen en

- [persoon 21] , een Christiaan Dior clutch en

- [persoon 22] , een iPhone X en

- [persoon 23] , een MacBook Pro 17 en

- [persoon 24] , een paar Yeezy Boost schoenen en

- [persoon 25] een iPhone 11 en

- nog andere onbekend gebleven personen door (telkens)

- gebruik te maken van valse namen, te weten “ [naam 1] ” en/of “ [naam 2] ” en/of “ [naam 3] ” en/of “ [naam 4] ” en/of “ [naam 5] ” en/of “ [naam 6] ” en/of “ [naam 7] ” en/of “ [naam 8] ” en/of “ [naam 9] ” en/of " [naam 10] " en/of " [naam 11] " en/of " [naam 12] " en/of " [naam 13] " en/of " [naam 14] " en/of " [naam 15] " en

- (vervolgens) met gebruikmaking van deze namen op het internet, te weten op de website www.marktplaats.nl, advertenties op te zoeken waarin (dure) elektronica en/of goederen te koop werden aangeboden en

- met voornoemde personen telefonisch en/of via (gehackte) e-mailadressen en/of (gehackte) accounts een of meermalen contact te onderhouden en overleg te voeren en/of informatie te verschaffen over de wijze van en/of het tijdstip van levering en/of betaling van die aangeboden elektronica en/of goederen en

- daarbij zich voor te doen als bonafide/betrouwbare koper van die elektronica en goederen en

- daarbij gebruik te maken van (valse) berichten via het Messagebird platform namens

Marktplaats en

- via die berichtenmodule de indruk en/of het vertrouwen te wekken bij voornoemde

personen dat zij betaald zullen worden via de tussenrekening van Marktplaats (d.m.v. gelijk oversteken) en

- de indruk en/of het vertrouwen te wekken bij voornoemde personen dat de betalingen van de verkochte elektronica en/of goederen daadwerkelijk zouden worden ontvangen;

ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde:

op 3 februari 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [persoon 4] heeft bewogen tot de afgifte van één of meer (dure) elektronica en/of goederen, in elk geval enig goed, te weten, een iPhone 8 plus en

- gebruik heeft gemaakt van een valse naam, te weten “ [naam 6] ” en

- (vervolgens) met gebruikmaking van deze namen op het internet, te weten op de website www.marktplaats.nl, een advertentie op te zoeken waarin door [persoon 4] een iPhone 8 plus werd aangeboden en

- met voornoemde persoon telefonisch en via (een) (gehackte) e-mailadres en (gehackte) account contact heeft onderhouden en overleg heeft gevoerd en informatie heeft verschaft over de wijze van en/of het tijdstip van levering en/of betaling van die aangeboden iPhone 8 plus en

- daarbij zich heeft voorgedaan als bonafide/betrouwbare koper van die iPhone 8 plus en

- daarbij gebruik heeft gemaakt van (valse) berichten via het Messagebird platform namens

Marktplaats en

- via die berichtenmodule de indruk en/of het vertrouwen heeft gewekt aan voornoemde

persoon dat hij betaald zal worden via de tussenrekening van Marktplaats ( d.m.v. gelijk

oversteken) en

- de indruk en/of het vertrouwen heeft gewekt bij voornoemde persoon dat de betaling van de verkochte iPhone 8 plus daadwerkelijk zou worden ontvangen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het in zaak A onder 4 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde:

in de periode van 2 oktober 2019 tot en met 8 juni 2020 te Amsterdam, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of andere(n), diverse dure elektronica en dure (merk)kleding en dure (merk)schoenen en dure (merk)accessoires, heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl voornoemde goederen onmiddellijk afkomstig waren uit enig eigen misdrijf;

ten aanzien van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde:

op tijdstippen in de periode van 7 november 2019 tot en met 9 juni 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht werd gepleegd, immers hebben verdachte en zijn mededader(s) lijsten met inloggegevens en wachtwoorden gekocht en voorhanden gehad, met de bedoeling om met deze inloggegevens en wachtwoorden zich onbevoegd toegang te verschaffen tot en gebruik te maken van Marktplaats.nl en (vervolgens) door het aannemen van een valse hoedanigheid door zich voor te doen als de accounthouder van voornoemde Marktplaats accounts;

ten aanzien van het in zaak B onder 1 primair ten laste gelegde:

op 9 februari 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naast die [persoon 6] is gaan rijden waarna hij, verdachte, en zijn mededader (vervolgens) die [persoon 6] (met kracht) van de fiets hebben afgetrapt, waardoor die [persoon 6] hard ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het in zaak B onder 2 primair ten laste gelegde:

op of omstreeks 22 april 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon 7] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naast die [persoon 7] is gaan rijden waarna hij, verdachte, en zijn mededader vervolgens die [persoon 7] (met kracht) van de fiets hebben afgetrapt of geduwd, waardoor die [persoon 7] hard ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het in zaak B onder 3 primair ten laste gelegde:

op of omstreeks 22 april 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan tot op heden onbekend gebleven persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naast die tot op heden onbekend gebleven persoon is gaan rijden waarna hij, verdachte, en zijn mededaders vervolgens die tot op heden onbekend gebleven persoon (met kracht) van de fiets hebben afgetrapt of geduwd, waardoor die tot op heden onbekend gebleven persoon hard ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het in zaak C onder 1 ten laste gelegde:

op 15 oktober 2019 te Amsterdam [persoon 8] heeft mishandeld door

- voornoemde [persoon 8] (met kracht) tegen het lichaam te trappen en

- voornoemde [persoon 8] (met kracht) op het hoofd te slaan;

ten aanzien van het in zaak C onder 2 ten laste gelegde:

op 15 oktober 2019 te Amsterdam [persoon 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door voornoemde [persoon 8] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik maak je af!";

ten aanzien van het in zaak C onder 3 ten laste gelegde:

op 15 oktober 2019 te Amsterdam [persoon 9] heeft mishandeld door voornoemde [persoon 9] (met kracht) tegen het hoofd en lichaam te slaan.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Strafmaat

8.1.

Rapportages betreffende verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 30 oktober 2020, waaruit blijkt dat verdachte tweemaal door de kinderrechter is veroordeeld. Op 29 juni 2018 is hij veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf wegens diefstal, belediging en wederspannigheid. Op 4 februari 2019 is hij veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf wegens poging tot auto-inbraak en meerdere malen opzetheling. De proeftijd van die laatste voorwaardelijke straf loopt tot 18 februari 2021, zodat alle bewezen geachte feiten zijn gepleegd gedurende die proeftijd.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de onder meer volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

  • -

    rapporten van de Raad opgemaakt op 12 maart 2020 en 15 maart 2021;

  • -

    rapport van het LJ&R van 14 januari 2020;

  • -

    Psychologisch Pro Justitia rapport opgemaakt door drs. [gz-psycholoog] , GZ-psychologe op datum 13 mei 2020 (opgemaakt in zaak B);

  • -

    Een rapportage betreffende Klinisch Multidisciplinair onderzoek Pro Justitia (rapportage observatieafdeling Teylingereind), opgemaakt door drs. [psycholoog] , GZ-psycholoog en drs. [psychiater] , kinder- en jeugdpsychiater op 2 maart 2021 (opgemaakt in de zaken A en B).

Psycholoog [gz-psycholoog] komt op 13 mei 2020 tot de volgende conclusie.

Diagnostisch gezien is er bij verdachte sprake van een aandachtsdeficiëntie-/ hyperactiviteitsstoornis (ADHD, matig), een normoverschrijdende-gedragsstoornis (matig) en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. Ook heeft verdachte te maken met een disharmonisch intelligentieprofiel. Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde, gezien het structurele karakter van de problematiek, en beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. De problematiek maakt dat verdachte beperkt over innerlijke remmingen beschikt, impulsief is en minder in staat is om situaties te overzien en zijn handelen in te schatten. Hij is met name op zichzelf gericht en houdt minder rekening met de behoeften en gevoelens van de ander. Daarbij komt dat verdachte, vanuit zijn problematiek, spanningsbehoeftig is en moeite heeft om de consequenties voor de ander in te schatten. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde feit verdachte in een verminderde mate toe te rekenen, daar er sprake is van doorwerking van de problematiek. Gezien zijn beperkte emotieregulatie vaardigheden en mentaliserend vermogen, gebrekkige gewetensontwikkeling en beperkt probleembesef wordt gedacht dat dit van invloed is op het risico op recidive. Positief is dat verdachte sociaal competent is en hij laat zien enigszins positief gericht te zijn op de toekomst (behalen van diploma). Hij is vaker met politie in aanraking geweest. Zijn problematiek, omgang met delinquente leeftijdsgenoten en het beperkte toezicht vanuit de thuissituatie beïnvloeden de beschermende factoren negatief. Het recidiverisico wordt alles overziend als matig ingeschat. Individuele ambulante behandeling gericht op inzicht krijgen in zijn eigen gedragspatronen en denkbeelden en in zijn emoties en de regulatie ervan en het versterken van zijn coping vaardigheden en morele ontwikkeling, wordt noodzakelijk geacht. Gedacht wordt aan de Waag of het Forensisch Jeugd Team van Inforsa of een soortgelijke instelling. Voortzetting van het jeugdreclasseringstraject wordt tevens noodzakelijk geacht voor realisatie van een positief ingevulde dagbesteding. Bovenstaande begeleiding en behandeling kunnen vormgegeven worden binnen een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM). De problematiek van verdachte, de verhoogde kans op recidive en de eerdere politiecontacten rechtvaardigen en noodzaken een intensieve interventie met strikte voorwaarden, streng toezicht en controle. De voorgestelde behandeling, begeleiding en betrokkenheid van de jeugdreclassering maken onderdeel uit van deze maatregel.

In de multidisciplinaire rapportage van 2 maart 2021 staat het volgende vermeld.

Vanwege de geschetste kind-eigen problematiek (ADHD), in samenhang met opgroeiomstandigheden waarin hiervoor beperkt aandacht was en hem onvoldoende grenzen werden gesteld, is een negatieve interactiespiraal ontstaan met zijn omgeving. Er is een patroon van probleemgedrag zichtbaar in de levensgeschiedenis. Hypothetisch kan worden gesteld dat verdachte een negatief zelfbeeld ontwikkelde omdat hij niet aan de gestelde verwachtingen kon voldoen. Zichtbaar is nu in ieder geval dat hij een narcistische coping heeft ontwikkeld om zijn kwetsbaarheid te overdekken en zijn zelfbeeld in stand te houden. Hij zoekt constant naar regie over situaties en stelt zich dominant op. Doordat hij verbaal sterk is en dit op innemende wijze doet, weet hij de ander regelmatig op een verkeerd spoor te zetten. Vanuit de gedragsstoornis is Ilyas weinig empathisch, egocentrisch en op zijn eigen behoeftes gericht. Een deel van zijn emoties doet onecht aan. Daarbij externaliseert hij veelal de oorzaak van de problemen of bagatelliseert hij zaken. Hij selecteert de mensen in zijn omgeving en krijgt middels manipulatie veel voor elkaar. Wanneer anderen hier niet in meegaan, wordt hij devaluerend en kan hij de ander negeren. De eerder beschreven dominantie kan doorschieten in machtsmisbruik. Omdat er weinig zicht verkregen wordt op zijn belevingswereld kan niet uitgesloten worden dat dit tevens een sadistisch gekleurde kant heeft. Zijn regulerende functies zijn beperkt. Hij is vanuit de ADHD spanning zoekend. Vermoedelijk gaat er onder de (antisociale) gedragskant van verdachte een kwetsbaar zelfbeeld schuil, voortkomend uit ervaringen van falen en afwijzing. Verdachte hunkert met zijn gedrag ook naar aandacht en bevestiging, wat hij vermoedelijk gemist heeft in de loop van zijn leven. Het is echter de vraag in hoeverre verdachte nog ‘raakbaar’ is en nog in contact kan komen met deze emotioneel gevoelige kant. Zijn afweer is fors gebleken en hij is sterk gericht op zijn eigen gewin. De pathologie zorgt voor verschillende beperkingen die forensisch relevant zijn. Zijn impulsiviteit is duidelijk verbeterd door de medicatie. Daardoor zijn er nu minder negatieve interacties, meer controle en minder wantrouwen. Verdachte is in het verleden niet medicatietrouw gebleken. Zijn frustratietolerantie is beperkt, maar hij houdt zijn gedrag binnen de perken gedurende de observatieperiode.

Verdachte verdraagt kritiek en begrenzing onvoldoende. Hij is op zoek naar bevestiging en hemelt zichzelf op. Zijn boosheid loopt snel bij hem op, maar lijkt ook gelieerd te zijn aan de medicatie. Ook omdat er minder negatieve interacties bestaan, wordt er minder een beroep gedaan op de emotieregulatie. De agressieregulatie is nu ook duidelijk beter dan zonder medicatie, dit geldt dan met name voor de reactieve agressie. Ondanks dat medicatie de zelfcontrole verbetert, blijft de agressieregulatie een aandachtspunt. Bovendien weet verdachte de verantwoordelijkheid voor de medicatie-inname nog niet altijd te dragen.

Verdachte heeft voldoende kennis over de (on)toelaatbaarheid van gedrag. Hij heeft hier in het verleden echter niet altijd naar gehandeld. Het empathisch vermogen is beperkt. Verdachte voelt onvoldoende met anderen mee en heeft een egocentrische grondhouding.

Vooral uit de gedragsstoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling komen drijfveren tot deviant gedrag voort waarbij de ontremming (impulscontrole en emotieregulatie-problematiek) vanuit de ADHD de aanjager is en de zelfcontrole verlaagt. De beschreven stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. In algemene zin kan gesteld worden dat er op basis van de pathologie van verdachte gesproken kan worden van een egocentrische grondhouding, het gericht zijn op de eigen behoeftebevrediging, impulsiviteit, spanning zoeken, een beperking in het moreel redeneren en empathisch vermogen en een onverschillige houding ten opzichte van anderen en de maatschappij. Dit verhoogt de kans op delictgedrag. Het recidiverisico in algemene zin is verhoogd, recidive met een gewelddadig karakter is tevens verhoogd waarbij zowel instrumentele als reactieve agressie kan voorkomen. De impulscontrole- en emotieregulatieproblematiek (de regulerende functies) vanuit de ADHD lijken vooral bij de reactieve agressie belangrijke factoren. Ten aanzien van de verbetering van regulerende functies dient te worden opgemerkt dat deze (vooralsnog) vooral gerelateerd zijn aan het gebruik van medicatie. Dit effect kan slechts voortduren indien de medicatie gecontinueerd wordt. Aangezien de medicatie pas weer gebruikt wordt kort voordat de observatieperiode plaatsvond, houden onderzoekers er rekening mee dat verdachte dit vooral heeft willen doen om zichzelf in een zo gunstig mogelijk daglicht te stellen tijdens de observatie. Bovendien heeft hij nog moeite zelf de verantwoordelijkheid te dragen. Toch zal alleen het gebruik van medicatie het recidiverisico niet voldoende verlagen, aangezien de factoren vanuit de gedragsstoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling eveneens samenhangen met antisociaal- en mogelijk instrumenteel agressief gedrag. Er is sprake van een hoog recidiverisico. Om dat te verlagen is het noodzakelijk dat verdachte behandeld wordt waarbij zijn morele ontwikkeling en zelfcontrole belangrijke elementen zijn. Er is bij verdachte onvoldoende probleembesef, ziekte-inzicht of intrinsieke motivatie aanwezig. Verdachte heeft tal van goede bedoelingen die hij kan benoemen, maar heeft weinig gedragsverandering door de tijd heen daadwerkelijk laten zien. Er is een gevaar voor een schijnaanpassing, dit gevaar is zowel klinisch als ambulant aanwezig. Eerdere ambulante behandelingen die zouden worden opgezet werden steeds vroegtijdig afgebroken vanwege een nieuwe preventieve hechtenis. Naast een schijnaanpassing is verdachte sterk in het uitspelen en manipuleren van zijn omgeving, waardoor behandelaren op het verkeerde been worden gezet en behandeling vervolgens onvoldoende resultaat biedt. Gezien het hoge recidiverisico in combinatie met de kans op het onttrekken aan behandeling is een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk. Alleen middels een gesloten behandeling bestaat er een kans dat verdachte zich toelegt op behandeling. Behandeling wordt wel als noodzakelijk

gezien om het recidiverisico te verlagen, waardoor een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt geadviseerd. Behandeldoelen zijn het versterken van de regulerende functies: impuls-regulatie, zelfcontrole, moreel redeneren, perspectiefwisselingen leren maken, leren mentaliseren (MBT), haalbare doelen stellen, scholing, versterken van het zelfbeeld na aansluiting met de meer kwetsbare kant (indien nog bereikbaar), pro-sociale keuzes maken. Onderwijs wordt gezien als een middel om in contact te komen met de kwetsbaarheden in het functioneren van verdachte, evenals non-verbale therapie. Onderzoekers hebben een voorwaardelijke PIJ-maatregel overwogen maar de inschatting is dat verdachte in een ambulante setting niet daadwerkelijk in behandeling komt (vermijding, schijnaanpassing, inpalmen). Verdachte pakt snel de regie en ruimte die hem geboden wordt, wat inherent is aan ambulante behandeling. Bovendien wordt het risico op antisociaal en gewelddadig delictgedrag hoog ingeschat, zowel op de korte als de lange termijn. Ambulante behandeling kan het recidiverisico onvoldoende inperken. Bovendien dekt de duur van de GBM niet de verwachte behandelduur van minstens een jaar.

8.2.

Standpunten door de deskundigen ter zitting

Psychiater [psychiater] heeft naar voren gebracht dat een behandeling van verdachte noodzakelijk is. Deze dient in een klinische setting plaats te vinden omdat het risico van een schijnaanpassing reëel is. Wanneer de behandeling ambulant plaatsvindt kan hij de schijnaanpassing gedurende de gesprekken volhouden. Dat maakt dat er een groot herhalingsgevaar blijft. In een klinische setting kan hij die schijnaanpassing niet voortdurend volhouden. Verdachte gebruikt nu medicatie en de tijdstippen van inname zijn van belang omdat zo ook kon worden gezien hoe hij functioneert wanneer deze is uitgewerkt. Er is weinig met verdachte over de feiten gesproken omdat hij pas op zitting is gaan bekennen. Het kleiner maken van zijn rol, zoals gezien wordt ter zitting, kan passen bij zijn persoon. Verder is nog van belang dat in de periode dat er werd gewerkt aan de totstandkoming van een begeleidings- en behandelingsplan van verdachte met zijn ambulante hulpverleners, de oplichtingspraktijken gewoon door hem werden voortgezet, wat wijst op het ontbreken van intrinsieke motivatie tot verandering op dat moment.

Psycholoog [psycholoog] acht een ambulante behandeling van verdachte niet passend en te risicovol. Hij kan dan uit het zicht van de behandelaars zijn weg gaan en tijdens de behandelgesprekken aangepast sociaal gewenst gedrag vertonen. Bij een klinische behandeling is er meer zicht op zijn doen en laten buiten de gesprekken. Hij kan daar dan in de gesprekken mee worden geconfronteerd en het kan dienen als gespreksaanleiding. Er is hoe dan ook meer grip op verdachte gedurende een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Alle minder ingrijpende alternatieven van behandeling zijn wel meegenomen in het onderzoek, maar zijn niet toereikend gevonden. Dat er tijdens een klinische behandeling ook gevaar voor schijnaanpassing is, zoals beschreven in het rapport, is als waarschuwing voor de behandelaars opgenomen. Er is nog wel een kwetsbaarheid bij verdachte waardoor er ruimte is om gevoel voor anderen te ontwikkelen, maar dan moet er intensieve behandeling plaatsvinden.

De Raad heeft – gezien het multidisciplinaire rapport van 2 maart 2021– geadviseerd tot het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Er is een groot recidiverisico en een ambulante behandeling is niet voldoende ter voorkoming van herhaling. Verdachte is ondanks alle proactieve hulpverlening doorgegaan met plegen van strafbare feiten.

Het LJ&R heeft zich ook aangesloten bij het multidisciplinaire advies van 2 maart 2021. Verdachte heeft zich in de JJI goed ontwikkeld en kan zijn leidende rol daar ook ten positieve inzetten. Het lukt verdachte echter niet om buiten de JJI deze lijn voort te zetten; de delicten worden zwaarder.

De heer [persoon 3] heeft als IFA coach beschreven hoe hij in maart 2020 en vervolgens weer in mei 2020 met verdachte en alle betrokken ambulante hulpverleners een plan heeft opgesteld om verdachte te begeleiden en te laten behandelen. De plannen zijn echter niet ten uitvoer gebracht omdat dit meerdere keren werd doorkruist door de voorlopige hechtenis. Verdachte heeft daardoor nog steeds niet de kans gehad om buiten de JJI gedegen begeleid en behandeld te worden.

8.3.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens dient aan verdachte gezien de eenduidige adviezen in het multidisciplinaire rapport van 2 maart 2021 van de Raad en het LJ&R, een onvoorwaardelijke maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel) te worden opgelegd.

8.4.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel dient te worden opgelegd. Verdachte gebruikt nu medicatie, zijn gedrag is zichtbaar verbeterd en hij staat open voor behandeling. Het genoemde gevaar voor schijnaanpassing is - zo staat in het multidisciplinaire rapport - zowel klinisch als ambulant aanwezig. Bij die stand van zaken dient te worden volstaan met een GBM of voorwaardelijke PIJ-maatregel. In zo’n kader kan verdachte meewerken aan de voorwaarden die door de heer [persoon 3] zijn omschreven, namelijk het volgen van behandeling bij De Waag module Topzorg, begeleid wonen bij MultiPlusZorg, trainingen volgen bij de heer [persoon 26] , meewerken met zijn IFA coach en naar school en/of werk gaan. Verdachte heeft niet eerder de kans gehad om behandeld te worden en de feitencomplexen zijn ook niet ernstig genoeg om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel te rechtvaardigen. Eerder is ook een GBM geadviseerd op basis van zaak B. Slechts de toevoeging van de oplichtingszaak (A) kan niet de reden zijn om vervolgens een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel te adviseren, aldus de raadsman.

8.5

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat verdachte zich aan een grote hoeveelheid strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Hij heeft in oktober 2019 twee vrouwen fors mishandeld, enkel omdat hij een woordenwisseling met hen had. In april 2019 en februari 2020 heeft hij willekeurige personen van hun fiets getrapt/geduwd, terwijl hij met de scooter langs hen reed en de mededader die bij verdachte achterop zat ondertussen ter vermaak de vallende slachtoffers aan het filmen was. Verdachte heeft ook een grote hoeveelheid personen opgelicht door middel van geraffineerde fraude via Marktplaats. Al deze feiten zijn zeer kwalijk en hebben allemaal een antisociaal karakter waarbij verdachte voor eigen gewin (gelijk, plezier, geld) heeft gehandeld. De feiten zijn allemaal gepleegd terwijl verdachte in een proeftijd liep en bovendien (wat betreft de zaken A en B) in een schorsing van de voorlopige hechtenis. De in deze kaders aan verdachte gestelde voorwaarden hebben hem er niet van weerhouden om door te blijven gaan met het plegen van strafbar feiten.

De rechtbank deelt de conclusies en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen in het multidisciplinaire Pro Justitia rapport van 3 maart 2021 ten aanzien van de diagnose - ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten -, ten aanzien van de toerekenbaarheid en het risico op recidive. Ook is de rechtbank van oordeel, onder verwijzing naar en met overneming van de overwegingen en conclusies ter zake in het rapport, dat een noodzaak bestaat tot klinische behandeling in een gesloten setting van minstens een jaar, mede gelet op het hoge recidiverisico en het reële risico op schijnaanpassing. Deze klinische behandeling is vereist ter bescherming van de algemene veiligheid van personen en is ook in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Vervolgens is het de vraag binnen welk kader deze klinische behandeling van verdachte dient plaats te vinden. Enerzijds kan de rechtbank de conclusie van de raadsman - dat, gelet op het eerdere GBM advies op basis van zaak B, het erop lijkt dat uitsluitend vanwege de oplichtingszaak (A) een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt geadviseerd - niet volgen. Een onderzoek op een klinische observatieafdeling, waarbij verdachte gedurende zeven weken onder andere dag en nacht is geobserveerd en veelvuldig is gesproken, betreft immers een indringender onderzoek dan het eerdere ambulante onderzoek waaruit het GBM advies is voortgekomen. Een klinisch observatieonderzoek ontbloot de persoonlijkheid en de hardnekkigheid van de stoornis van verdachte meer dan een onderzoek waarbij alleen gesprekken worden gevoerd en tests worden uitgevoerd. Daarnaast heeft het feit dat verdachte strafbare feiten is blijven plegen in een periode dat het ambulante persoonlijkheidsonderzoek werd verricht, verdachte in een proeftijd en in twee schorsingskaders met voorwaarden liep, aangetoond hoe sterk de antisociale gedragskant van verdachte is. De rechtbank kan zich dan ook voor het grootste deel aansluiten bij de bevindingen uit het rapport dat op die klinische observatie is gebaseerd, zoals hiervoor overwogen. Anderzijds, echter, is tijdens de beraadslaging gebleken dat het onderzoek ten aanzien van het kader waarbinnen de noodzakelijke klinische behandeling dient plaats te vinden niet volledig is geweest. De rechtbank acht zich namelijk nog onvoldoende voorgelicht over de (on)mogelijkheden van een verplichting tot klinische behandeling in een forensisch centrum als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel. In dat verband is het volgende van belang.

De deskundigen hebben te kennen gegeven dat zij de mogelijkheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel hebben overwogen, maar dat zij daarvan hebben afgezien omdat hun inschatting is dat verdachte in een ambulante setting niet daadwerkelijk in behandeling komt. Ook hebben zij overwogen dat de duur van een GBM niet de door hen verwachte noodzakelijke behandelduur van minstens een jaar dekt, zodat deze maatregel door hen niet toereikend wordt geacht. De deskundigen hebben daarmee klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen dat een klinische behandeling van de door hen gewenste duur – minstens een jaar – buiten het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet tot de mogelijkheden behoort, en bovendien dat een GBM het enige alternatieve kader betreft waarbinnen een klinische behandeling kan plaatsvinden. De rechtbank heeft de deskundigen in dat verband ter terechtzitting gevraagd naar eventuele mogelijkheden van een verplichte klinische behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Deskundige [psychiater] heeft daarop te kennen gegeven dat de forensische centra die bij zijn weten beschikbaar zijn voor klinische behandeling van verdachte buiten het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel (Catamaran en Fjord) niet passend zijn voor de problematiek van verdachte, en dat hij het FCA (Forensisch Centrum Adolescenten) in verband met eerdere ervaringen aldaar evenmin een adequate behandelplaats voor verdachte acht. Gevraagd naar andere mogelijkheden van een klinische behandeling binnen het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, gaf hij te kennen eerst collegiaal overleg te wensen alvorens daarop nader in te gaan. Deskundige [psycholoog] was niet meer ter terechtzitting aanwezig en daardoor niet in staat deze vraag te beantwoorden.

De Raad heeft desgevraagd ter zitting geweigerd te adviseren over eventuele voorwaarden bij het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, omdat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is geadviseerd.

De rechtbank overweegt dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel de zwaarste strafrechtelijke maatregel voor jeugdigen betreft, die in de praktijk als de zwaarste sanctie wordt ervaren. Dat betekent dat minder ingrijpende alternatieven naar behoren dienen te worden onderzocht en dat bij oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel dient te worden gemotiveerd waarom deze alternatieven niet beantwoorden aan de te dienen doelen. De (on)mogelijkheden van een klinische behandeling van verdachte in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel zijn door de deskundigen echter niet onderzocht, althans daarover is niet gerapporteerd, en evenmin zijn ter terechtzitting gestelde vragen daarover (volledig) beantwoord door beide rapporteurs. Om die reden acht de rechtbank het voor de beoordeling van de zaak noodzakelijk opdracht te geven tot aanvullend advies door rapporteurs [psychiater] en [psycholoog] , ter beantwoording van de in het dictum te noemen specifieke onderzoeksvragen, binnen de daar gestelde termijn.

De rechtbank zal daarnaast de Raad opdragen om te adviseren over de te stellen bijzondere voorwaarden in het geval van een veroordeling tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een klinische behandeling als bijzondere voorwaarde, waarbij in elk geval dient te worden geadviseerd over de forensische behandelomgeving waar een dergelijke klinische behandeling kan plaatsvinden.

De rechtbank zal de zaak heropenen ten behoeve van de uitvoering van de nadere deskundigenopdrachten. De zaak zal daarbij in handen worden gesteld van de rechter-commissaris met een open verwijzing, om zodoende op de uitvoering van de opdracht van de rechtbank toezicht te houden en waar nodig ter zake nadere noodzakelijke beslissingen te nemen. Op een volgende zitting die zo spoedig mogelijk na 19 mei 2021 dient te worden gehouden, zullen de uitkomsten van het nadere onderzoek worden besproken.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 3 en in zaak A onder 4 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2, 4 tweede cumulatief/alternatief, 5 in zaak B onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en in zaak C onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van poging tot oplichting

ten aanzien van het in zaak A onder 4 tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde:

eenvoudig witwassen

ten aanzien van het in zaak A onder 5 bewezen verklaarde:

medeplegen van het met het oogmerk dat daarmee computervredebreuk wordt gepleegd computerwachtwoorden, toegangscodes of daarmee vergelijkbare gegevens waardoor toegang kan worden gekregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verwerven en voorhanden hebben

ten aanzien van het in zaak B onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezen verklaarde:

telkens: medeplegen van poging tot zware mishandeling

ten aanzien van het in zaak C onder 1 en 3 bewezen verklaarde:

telkens: mishandeling

ten aanzien van het in zaak C onder 2 bewezen verklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd doch maximaal voor een termijn van negentig dagen.

Geeft de reeds in deze zaak benoemde deskundigen drs. [psycholoog] en drs. [psychiater] opdracht tot het uitbrengen van een nader rapport binnen uiterlijk vier weken na datum van dit vonnis waarin de volgende onderzoeksvragen worden beantwoord:

  1. Kan een verplichting tot klinische behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel het geconstateerde recidivegevaar beperken en dienen ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte?

  2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: wat zou de minimale en de maximale duur van een dergelijke klinische behandeling naar uw deskundige inschatting zijn?

  3. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: binnen welke forensische behandelomgeving zou deze klinische behandeling kunnen plaatsvinden?

Geeft de Raad opdracht tot het uitbrengen van een nader schriftelijk advies uiterlijk 1 week voor de datum van de nadere terechtzitting waarin de volgende onderzoeksvragen worden beantwoord:

1. In het geval de rechtbank overgaat tot oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met als bijzondere voorwaarde een verplichting tot medewerking aan een klinische behandeling, binnen welke forensische behandelomgeving zou deze klinische behandeling kunnen plaatsvinden, en welke overige bijzondere voorwaarden zouden daarbij nodig zijn ter beperking van het recidivegevaar en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte?

Stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris teneinde op de uitvoering van de opdrachten van de rechtbank toezicht te houden en in het kader daarvan noodzakelijke aanvullende beslissingen te nemen.

Beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nadere terechtzitting gelegen zo spoedig mogelijk na 19 mei 2021 en uiterlijk binnen drie maanden vanaf de datum van dit vonnis.

Beveelt de oproeping van verdachte, ouder(s), deskundigen [psychiater] en [psycholoog] , de Raad, LJ&R tegen voornoemd tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman.

Beveelt dat de benadeelde partijen de dag en het tijdstip van de volgende zitting schriftelijk wordt medegedeeld.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. Beunk, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. V. Zuiderbaan en A.S. Dogan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2021.

[...]