Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3121

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2112
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IVA, aanvraag, ambtshalve beoordeling, dwangsom, gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/2112

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. B.C.F. Kramer),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

( [gemachtigde] ).

Partijen worden hierna [eiser] en het Uwv genoemd.

Procesverloop

Met een besluit van 8 januari 2020 (het primaire besluit) heeft het Uwv geweigerd een dwangsom toe te kennen aan [eiser] .

Met het besluit van 26 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een videoverbinding (Skype) op

20 april 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Wat aan deze zaak voorafging

1. [eiser] heeft een herbeoordeling gehad in het kader van een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). In het kader hiervan is een vragenformulier naar [eiser] gestuurd om te kijken of zijn gezondheidssituatie is veranderd. [eiser] heeft dit formulier ingevuld en het Uwv heeft dit op 24 januari 2019 ontvangen. Vervolgens heeft een verzekeringsarts de medische situatie van [eiser] beoordeeld op 13 februari 2019. [eiser] heeft hierna meerdere keren gebeld naar het Uwv om te vragen wanneer hierop besloten zou worden. Uiteindelijk heeft [eiser] een ingebrekestelling naar het Uwv gestuurd op 4 oktober 2019. [eiser] heeft het Uwv erop gewezen dat wanneer niet binnen twee weken een beslissing wordt genomen, het Uwv een dwangsom verschuldigd is. Op 8 oktober 2019 heeft het Uwv per brief aangegeven dat de ingebrekestelling is ontvangen en binnen twee weken een besluit zal worden genomen.

2. Vervolgens heeft [eiser] op 6 december 2019 beroep ingesteld, omdat het Uwv niet binnen twee weken na de ingebrekestelling een besluit heeft genomen. Met een besluit van 16 december 2019 heeft het Uwv per 13 februari 2019 een IVA-uitkering aan [eiser] toegekend. In de (buiten-zitting) uitspraak van 21 februari 20201 heeft deze rechtbank geoordeeld dat het Uwv niet tijdig heeft beslist op het verzoek van [eiser] . De rechtbank heeft het beroep van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard omdat inmiddels een IVA-uitkering is toegekend. Het Uwv is hiertegen niet in verzet gegaan. Deze uitspraak staat daarom in rechte vast.

Waar deze zaak over gaat

3. Met het primaire besluit heeft het Uwv geweigerd aan [eiser] een dwangsom te betalen, omdat er sprake is van een ambtshalve beslissing van het Uwv en niet van een beslissing op aanvraag. Volgens het Uwv kan [eiser] alleen in aanmerking komen voor de betaling van een dwangsom wanneer er sprake is van een te late beslissing op een aanvraag.

4. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. Volgens het Uwv kan het vragenformulier dat [eiser] heeft ingevuld niet gelijk worden gesteld met een aanvraag. Het telefonisch informeren naar de datum waarop een beslissing kan worden verwacht, kan ook niet worden gelijkgesteld met een aanvraag. Omdat volgens het Uwv geen sprake is van een aanvraag, is het Uwv ook geen dwangsom verschuldigd aan [eiser] .

5. [eiser] stelt dat hij wel recht heeft op een dwangsom, omdat er volgens hem wel sprake is van een aanvraag. [eiser] heeft namelijk meerdere keren telefonisch om een IVA-uitkering verzocht. [eiser] voert aan dat het in rechte vaststaat dat niet tijdig is beslist op zijn verzoek, gelet op de uitspraak van deze rechtbank van 21 februari 2020.

Wettelijk kader

6. Artikel 64, eerste lid, van de Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) bepaalt dat het Uwv op aanvraag vaststelt of recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA bestaat.

7. Artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder een aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.

8. Artikel 4:1 van de Awb bepaalt dat tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

9. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag bedraagt. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Het oordeel van de rechtbank

10. De rechtbank overweegt als volgt. [eiser] heeft meerdere keren telefonisch verzocht om een IVA-uitkering. Een aanvraag dient op grond van artikel 4:1 van de Awb schriftelijk te worden ingediend. Uit de stukken in het dossier volgt niet dat [eiser] schriftelijk een aanvraag heeft ingediend. In zoverre kan het standpunt van het Uwv worden gevolgd dat er geen sprake is van een aanvraag, maar van een ambtshalve beoordeling door het Uwv.

11. In de buiten-zitting uitspraak van 21 februari 2020 heeft deze rechtbank echter overwogen dat [eiser] ten laatste op 13 februari 2019 een aanvraag heeft ingediend. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv te laat op het herbeoordelingsverzoek van [eiser] heeft beslist en dat [eiser] terecht beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. De rechtbank heeft verder overwogen dat het Uwv een besluit dient te nemen over de reeds verbeurde dwangsommen. Als het Uwv het niet eens was met deze uitspraak dan had zij daartegen in verzet moeten gaan. Omdat het Uwv dat heeft nagelaten, is er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte meer voor het Uwv om geen dwangsom toe te kennen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

12. De rechtbank zal zelf de hoogte van de dwangsom vaststellen met toepassing van artikel 8:55c van de Awb. De ingebrekestelling is op 8 oktober 2019 door het Uwv ontvangen. Op 22 oktober 2019 is de termijn van twee weken verstreken, zodat

23 oktober 2019 de eerste dag is waarover een dwangsom is verschuldigd. Op 16 december 2019 heeft het Uwv een besluit genomen. Gelet op de termijn waarin het Uwv een besluit heeft genomen is de maximale dwangsom verbeurd van € 1.442,-.

Conclusie

13. Het Uwv had aan [eiser] een dwangsom moeten toekennen. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door [eiser] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.136,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit en stelt de door het Uwv verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;

  • -

    draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 48,- aan [eiser] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van

€ 2.136,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zaaknummer AMS 19/6541.