Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3068

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
C/13/703270 HA RK 21/195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking inzake Marengo. De raadslieden van de kroongetuige hebben een verzoek gedaan om achter gesloten deuren toe te lichten waarom hun cliënt die dag niet zou verklaren. Die toelichting zou betrekking hebben op omstandigheden van medische aard en veiligheid. De rechters wezen dit verzoek af, omdat het voor de kroongetuige niet noodzakelijk was deze dag te verklaren, omdat het proces nog doorloopt tot 2022. Hierop dienden de advocaten het wrakingsverzoek in. Zij stelden dat de rechtbank vooringenomen is en de kroongetuige niet gelijk behandelen met medeverdachte Ridouan T., die eerder wel achter gesloten deuren over zijn medische toestand mocht vertellen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een rechterlijke (tussen)beslissing nooit een grond zijn voor wraking. Dit is alleen anders als de motivering van de beslissing niet anders kan worden uitgelegd dan als blijk van vooringenomenheid, maar daarvan was in dit geval geen sprake. Dat in een eerder stadium een soortgelijk verzoek van een medeverdachte is toegewezen, maakt dit oordeel niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 11 juni 2021 schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/13/703270 HA RK 21/195 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd,

hierna: verzoeker,

die wordt bijgestaan door mrs. O.E. de Jong en P.C. Schouten,

hierna: de raadslieden,

welk verzoek strekt tot wraking van

mr. [voorzitter] , voorzitter en

mrs. [rechter 1] en [rechter 2] , rechters,

hierna: de rechters.

1 Verloop van de procedure

1.1. De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting van 11 juni 2021, waar het wrakingverzoek werd gedaan.

1.2.

De rechters hebben niet in de wraking berust.

1.3.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 11 juni 2021. Ter zitting waren aanwezig: verzoeker, zijn raadslieden en de rechters. Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mrs. [officier van justitie 1] , [officier van justitie 2] en [officier van justitie 3] , officieren van justitie (hierna steeds gezamenlijk aangeduid als: de officier van justitie). Partijen hebben hun standpunt toegelicht, de raadslieden en de officier van justitie aan de hand van nadien overgelegde notities.

Er zijn afschermende en beschermende maatregelen ten aanzien van verzoeker genomen. Verzoeker zat in de getuigencabine en was alleen voor de Wrakingskamer en de officier van justitie (vermomd) zichtbaar.

2 De feiten

2.1.

Verzoeker is verdachte en kroongetuige in het megaproces ‘Marengo’. Op de zitting van 11 juni 2021 hebben de raadslieden het verzoek gedaan om achter gesloten deuren een toelichting te mogen geven op de omstandigheid dat hij die dag niet zal verklaren als verdachte en getuige. Die toelichting zou betrekking hebben op omstandigheden van medische aard en veiligheid. Na beraad in raadkamer heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen, omdat het voor verzoeker niet noodzakelijk was om deze dag (11 juni 2021) te verklaren, gelet op het feit dat dit niet de enige gelegenheid zou zijn voor verzoeker om te verklaren in zijn eigen strafzaak, omdat het proces nog doorloopt tot 2022. Verder heeft de rechtbank opgemerkt dat niet is aangevoerd dat verzoeker om medische redenen niet in staat is terecht te staan.

2.2

Vervolgens hebben de raadslieden, na zich te hebben beraden, de rechters gewraakt.

3 Het verzoek

3.1.

Het wrakingsverzoek steunt op de grond dat de rechtbank met twee maten meet, omdat de persoonlijke situatie van verzoeker is genegeerd, terwijl een dergelijk verzoek bij medeverdachte [medeverdachte] wél werd toegestaan. Verder is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk gesteld dat medische gronden in de weg staan om te verklaren. De rechtbank had de medische gronden dan ook - achter gesloten deuren - moeten aanhoren.

3.2.

Op grond van bovenstaande hebben de rechters (minst genomen) de schijn van partijdigheid gewekt, waardoor het wrakingsverzoek moet worden toegewezen.

4 Het standpunt van de rechters

4.1.

De rechters hebben bij monde van de voorzitter het volgende naar voren gebracht. De rechtbank heeft een verzoek gekregen en daarop een beslissing genomen. Door de raadslieden wordt gesteld dat volgens de rechtbank niet gezegd zou zijn dat medische gronden in de weg zouden staan om te verklaren, maar dat is niet het geval. De rechtbank heeft enkel overwogen dat niet is aangevoerd dat verzoeker op medische gronden niet terecht zou kunnen staan. Verder wordt een vergelijking met medeverdachte [medeverdachte] gemaakt, maar dat ging om een andere situatie met andere persoonlijke omstandigheden. Dat werd bovendien, anders dan het verzoek van verzoeker, nader toegelicht en vervolgens door de rechtbank toegestaan. Al met al is de schijn van vooringenomenheid niet gewekt en het wrakingsverzoek moet dan ook worden afgewezen.

5 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

5.1.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen, omdat een rechterlijke beslissing nooit een grond kan zijn voor wraking. Verder gaat de vergelijking met medeverdachte [medeverdachte] niet op, omdat sprake was van andere persoonlijke en overige omstandigheden.

6 De beoordeling

6.1.

De Wrakingskamer constateert dat het wrakingsverzoek zich richt tegen de rechterlijke beslissing tot afwijzing van het verzoek om de deuren te sluiten en buiten aanwezigheid van pers, publiek, medeverdachten en hun raadslieden een toelichting te mogen geven op de omstandigheid dat verzoeker op 11 juni 2021 niet zou verklaren als verdachte en getuige, waarbij de toelichting betrekking zou hebben op omstandigheden van medische aard en veiligheid.

6.2.

In zijn arrest van 29 september 2018 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413) het volgende overwogen:

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Wat betreft de motivering van de (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

6.3.

Gelet op het feit dat het wrakingsverzoek is gericht tegen een rechterlijke (tussen)beslissing, is de Wrakingskamer, in het licht van het hiervoor weergegeven toetsingskader, van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen. De beslissing zelf kan geen grond voor wraking vormen en de motivering van de beslissing of gebezigde bewoordingen van de rechters geven op geen enkele manier blijk van enige vooringenomenheid jegens verzoeker.

6.4.

Dat in een eerder stadium een soortgelijk verzoek van een medeverdachte is toegewezen, maakt dit oordeel niet anders. Nog daargelaten dat zowel door de rechtbank als de officier van justitie wordt betwist dat sprake is van gelijke gevallen, gaat het om de vraag of in dit geval sprake is van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid tegen deze verdachte, welke vraag ontkennend wordt beantwoord.

6.5.

De slotsom is derhalve dat de door verzoeker aangevoerde gronden niet kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid van de rechters.

7 BESLISSING

De Wrakingskamer:

- wijst het wrakingsverzoek af.

Aldus gegeven op 16 juni 2021 door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. J.H.J. Evers en R.A. Dudok van Heel, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier

en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.