Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:3066

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
C/13/701978 / KG ZA 21-383
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bank mocht de kredietrelatie opzeggen vanwege een vertrouwensbreuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/701978 / KG ZA 21-383 CdK/MvG

Vonnis in kort geding van 11 juni 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres bij dagvaarding van 19 mei 2021,

advocaat mr. P.J. van der Korst te Amsterdam,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mr. B. Winters en mr. A.M. ter Haar te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Rabobank worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 28 mei 2021 heeft [eiseres] haar vorderingen toegelicht. Rabobank heeft verweer gevoerd aan de hand van een op voorhand ingediend schriftelijk verweer. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Vonnis is bepaald op heden.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig:

- aan de zijde van [eiseres] : [naam 1] , [functie 1] , [naam 2] , [functie 2] , [naam 3] , [functie 3] , en mr. Van der Korst;

- aan de zijde van Rabobank: [naam 4] , [functie 4] , [naam 5] , [functie 5] en mobiliteit, [naam 6] , [functie 6] , mr. Winters, mr. Ter Haar en hun kantoorgenoot mr. A.P.C. Godlieb.

1.3.

[eiseres] heeft aangeboden een concept-tenlastelegging en het BOVAG-rapport “Onderzoek naar de (economische) impact van de internationale voertuighandel voor de Nederlandse markt” in het geding te brengen, onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter bepaalt dat het Rabobank verboden is om mededelingen aan derden daarover te doen en de concept tenlastelegging alleen door de advocaten van Rabobank mag worden ingezien. Rabobank heeft daartegen aangevoerd dat deze stukken niet tot het geding hoeven te worden toegelaten, omdat zij drie zelfstandige gronden aan de beëindiging van de bankrelatie ten grondslag heeft gelegd en het niet verstrekken van stukken uit het strafdossier slechts één van de gronden betreft. De voorzieningenrechter heeft beslist dat de concept-tenlastelegging bij de processtukken wordt gevoegd en het hiervoor genoemde rapport niet. Ten aanzien van de concept-tenlastelegging heeft de voorzieningenrechter beslist dat deze ook door de aanwezige medewerkers van Rabobank mag worden ingezien, waarbij is bepaald dat zij de inhoud daarvan op grond van het bepaalde in artikel 28 lid 1 sub b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geheim dienen te houden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] bestaat sinds 1972 en richt zich op de in- en verkoop en het onderhoud van personen- en lichte bedrijfsauto’s. [eiseres] heeft veertien werknemers in dienst.

2.2.

De auto’s die [eiseres] inkoopt, worden door haar giraal betaald. [eiseres] verkoopt ook voormalige leaseauto’s. Deze worden vooral gekocht door buitenlandse partijen, die de auto’s met contant geld betalen.

2.3.

[eiseres] bankiert al meer dan veertig jaar bij Rabobank. Op de bankrelatie tussen partijen zijn de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) van toepassing.

2.4.

Op 1 juli 2019 deed de FIOD bij [eiseres] en nog drie andere autobedrijven een inval in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar btw-fraude en de mogelijke betrokkenheid bij witwassen en valsheid in geschrifte bij de export van auto’s.

2.5.

Naar aanleiding daarvan heeft er op 16 juli 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen een delegatie van partijen. Die zelfde dag heeft [naam 4] van Rabobank een e-mail gestuurd naar onder meer [naam 2] van [eiseres] met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

(…) Tevens hebben wij besproken dat de bank op dit moment niet kan uitsluiten dat haar dienstverlening is gebruikt voor de zaken waar (…) blijkens het persbericht van worden verdacht. De bank wenst dergelijke zaken niet te faciliteren en zal derhalve haar dienstverlening voor uw cliënten voor contant betalingsverkeer of betalingsverkeer ten behoeve van de exportactiviteiten niet langer beschikbaar stellen. Indien blijkt dat haar dienstverlening zonder uitdrukkelijke instemming van de bank desondanks wordt gebruikt voor de exportactiviteiten of contant betalingsverkeer (ook indirect) dan is de bank genoodzaakt haar relatie met klanten te heroverwegen.

(…)

Voorts is besproken dat ik intern ga sonderen wat de mogelijkheden zijn om contant betalingsverkeer voor bijvoorbeeld olie of servicebeurten te faciliteren door afstortingen beperkt in bedrag en periode. Hierbij heb ik een maximaal bedrag van EUR 5.000,- per week genoemd. (…)”.

2.6.

In een e-mail van 22 juli 2019 van [naam 4] aan onder meer [naam 2] staat, voor zover van belang, het volgende:

(…)

Contant betalingsverkeer ten behoeve van het garagebedrijf (dus niet voor de handel).

De bank is van mening dat, gelet op de ontwikkelingen, de acceptatie van contanten tot een minimum beperkt moet worden. Aangegeven is echter, dat er behoefte is om een beperkte hoeveelheid contanten te accepteren van met name particuliere (oudere) klanten van het garagebedrijf. De bank is bereid de contante betalingen voor het garagebedrijf voor een bedrag tot maximaal EUR 3.000,- per week te verwerken. Indien de specifieke clientèle van uw cliënte aanleiding geeft tot een noodzakelijke verhoging van dit bedrag dan verzoeken wij u ons een gespecificeerde inschatting aan te (laten) leveren (onderbouwd met facturen over een relevante periode) van een passend weekbedrag. Na beoordeling hiervan komen wij daar op terug.

Ten aanzien van contant betalingsverkeer voor de handel is het standpunt van de bank ongewijzigd. De bank zal dit vooralsnog niet faciliteren.

(…)”.

2.7.

Bij brief van 11 september 2019 van haar advocaat heeft [eiseres] aan Rabobank, kort samengevat, bericht dat zij in liquiditeitsnood verkeert, doordat zij contante gelden niet meer volledig kan afstorten. In deze brief heeft [eiseres] Rabobank verzocht het faciliteren van contant betalingsverkeer te hervatten. Hierop heeft er op 24 september 2019 een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. Bij brief van 7 november 2019 van haar advocaat heeft [eiseres] antwoord gegeven op door Rabobank gestelde vragen over onder meer het strafrechtelijke onderzoek, de herkomst van contant geld, het beleid van [eiseres] met betrekking tot btw, afstorten van contant geld, vaststelling van de identiteit en het adres van de klant en naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). [eiseres] heeft in deze brief de hoop uitgesproken op zo kort mogelijke termijn weer volledig te mogen afstorten. Bij brief van 27 november 2019 van haar advocaat heeft Rabobank aan [eiseres] meegedeeld, kort samengevat, dat op basis van de door [eiseres] verstrekte informatie Rabobank tot de voorlopige conclusie is gekomen dat [eiseres] niet voldoende maatregelen heeft genomen om te voldoen aan haar eigen Wwft-verplichtingen en om het risico dat zij wordt betrokken bij btw-fraude en/of witwassen voldoende te beperken. Verder heeft Rabobank in deze brief gemeld dat [eiseres] een aantal vragen onbeantwoord heeft gelaten, zij daardoor haar cliëntenonderzoek niet kan afronden en heeft Rabobank naar aanleiding van de door [eiseres] verstrekte informatie nog nadere vragen gesteld.

2.8.

Eind november 2019 is [eiseres] met het Openbaar Ministerie (OM) tot een oplossing gekomen voor het bij [eiseres] aanwezige contant geld, inhoudende dat het OM het strafrechtelijk beslag op € 530.000,- giraal geld heeft opgeheven na ontvangst van € 530.000,- in contanten. Hiermee was de liquiditeitsnood van [eiseres] deels opgelost.

2.9.

Bij brief van 19 december 2019 van haar advocaat heeft [eiseres] gereageerd op de door Rabobank in haar brief van 27 november 2019 gestelde vragen. Bij brief van 10 januari 2020 heeft de advocaat van Rabobank aan [eiseres] bericht, kort samengevat, dat Rabobank onvoldoende aanknopingspunten heeft om vast te stellen dat zij contante gelden van [eiseres] kan accepteren zonder het risico te lopen betrokken te raken bij witwassen of btw-fraude. Als redenen hiervoor heeft Rabobank genoemd dat op basis van de door [eiseres] gegeven antwoorden Rabobank nog steeds niet kan vaststellen dat [eiseres] voldoende uitvoering geeft aan haar verplichtingen onder de Wwft en voldoende maatregelen treft om te voorkomen dat zij betrokken is bij btw-fraude, en dat [eiseres] verdachte is in een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD. Verder heeft Rabobank aan [eiseres] meegedeeld dat de door haar getroffen maatregelen niet zullen worden opgeheven, maar zij wel bereid blijft om met [eiseres] in gesprek te gaan.

2.10.

Bij brief van 14 februari 2020 van haar advocaat heeft [eiseres] Rabobank bericht dat zij het niet opportuun achtte om te reageren op de brief van Rabobank van 10 januari 2020. [eiseres] meldde in deze brief dat zij haar bedrijfsvoering heeft gewijzigd, in die zin dat zij nauwelijks nog contante betalingen accepteert en buiten de toegestane € 3.000,- per week die afkomstig zijn van werkzaamheden uit het automobielbedrijf geen contant geld meer af zal storten bij Rabobank.

2.11.

Bij brief van 1 mei 2020 van haar advocaat heeft Rabobank aan [eiseres] gemeld dat het contante geld dat [eiseres] afstort dient voort te komen uit het garagebedrijf, dat biljetten van € 200,- en € 500,- worden afgestort en het ongebruikelijk is dat daarmee binnen het garagebedrijf wordt afgerekend. Rabobank heeft [eiseres] in deze brief om een toelichting gevraagd en tevens nog aanvullende vragen gesteld ten behoeve van haar cliëntenonderzoek. Bij brief van 16 juni 2020 heeft [eiseres] geantwoord dat zij ook voor de verkoop van auto’s contant geld ontvangt, in gevallen waarin Rabobank de onmiddellijke girale betaling niet faciliteert en [eiseres] aan haar Wwft-verplichtingen kan voldoen. Verder heeft [eiseres] in deze brief de overige vragen van Rabobank beantwoord.

2.12.

Bij brief van 11 september 2020 van haar advocaat heeft Rabobank aan [eiseres] verzocht een overzicht te verstrekken van alle contante betalingen die [eiseres] per maand, sinds november 2019, heeft ontvangen, uitgesplitst naar herkomst van de gelden uit verkopen van auto’s en uit het garagebedrijf. Tevens heeft Rabobank verzocht om een toelichting te geven op de herkomst van de door [eiseres] sinds begin 2020 bij Rabobank afgestorte contante gelden, voorzien van afschriften uit de administratie waaruit blijkt dat deze gelden afkomstig zijn uit het garagebedrijf. Tot slot heeft Rabobank [eiseres] verzocht om alle stukken uit het strafdossier aan Rabobank te verstrekken. Bij e-mail van 18 december 2020 van haar advocaat heeft [eiseres] aan Rabobank haar kasoverzichten over november 2019 tot en met september 2020 en de daarbij behorende kastellingen gestuurd en meegedeeld geen rechtsgrond te zien voor het verstrekken van afschriften uit het strafdossier.

2.13.

Bij brief van haar advocaat van 2 februari 2021 heeft Rabobank aan [eiseres] meegedeeld dat [eiseres] haar verkeerd heeft geïnformeerd daar waar [eiseres] in haar brief van 14 februari 2020 heeft gemeld dat zij nauwelijks nog contant geld zou accepteren. In deze brief schrijft Rabobank dat uit de door [eiseres] overgelegde kasstaten blijkt dat [eiseres] vanaf november 2019 tot en met september 2020 nog ruim € 1,4 miljoen aan contant geld heeft ontvangen, waarvan bijna € 1 miljoen afkomstig uit de verkoop van auto’s naar het buitenland. Verder schrijft Rabobank dat de reacties van [eiseres] op informatieverzoeken van Rabobank ontoereikend zijn. Tot slot heeft Rabobank gemeld dat [eiseres] een laatste kans krijgt om volledig gehoor te geven aan alle in die brief opgenomen informatieverzoeken van Rabobank, waaronder het verzoek tot het verstrekken van afschriften uit het strafdossier op grond van artikel 2 ABV.

2.14.

Bij brief van 16 februari 2021 heeft de advocaat van [eiseres] aan Rabobank geschreven dat de ontvangsten van contant geld materieel zijn afgenomen, van ruim € 265.000,- in november 2019 naar € 73.500,- in september 2020 en dat die dalende trend zich daarna heeft voortgezet. Verder zijn in deze brief vragen van Rabobank beantwoord en is aan Rabobank meegedeeld dat het [eiseres] niet vrij staat om haar strafdossier met Rabobank te delen en Rabobank daar ook geen rechtens te respecteren belang bij heeft.

2.15.

Bij brief van 18 maart 2021 van haar advocaat heeft Rabobank de bankrelatie met [eiseres] vanwege een vertrouwensbreuk en de aanhoudende belemmering van het cliëntenonderzoek opgezegd per 1 juli 2021. Rabobank heeft de volgende gronden, tezamen en ieder voor zich, aan de opzegging ten grondslag gelegd:

  1. [eiseres] heeft zich niet gehouden aan de afspraak met Rabobank over afstorting van contant geld uit het garagebedrijf;

  2. [eiseres] heeft Rabobank onjuiste informatie verstrekt;

  3. [eiseres] heeft het cliëntenonderzoek van Rabobank belemmerd, onder meer door geen inzage te geven in stukken uit het lopende strafdossier.

2.16.

Op 31 maart 2021 heeft [eiseres] van het OM het eindproces-verbaal en een concept-tenlastelegging ontvangen in haar strafzaak. Uit de concept tenlastelegging volgt dat het OM voornemens is om [eiseres] te vervolgen voor btw-fraude (toepassen 0% tarief), meermalen gepleegd, en valsheid in geschrifte, met name vervalste facturen door het vermelden van andere geadresseerden dan de werkelijke kopers, meermalen gepleegd.

2.17.

Bij brief van 21 april 2021 heeft de advocaat van [eiseres] aan Rabobank meegedeeld dat beëindiging van de bankrelatie door Rabobank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en aan Rabobank verzocht om de bankrelatie voort te zetten. Verder staat in deze brief dat de verdenking van de FIOD tegenover [eiseres] inzake witwassen ongefundeerd blijkt, omdat het OM aan [eiseres] heeft gemeld geen vervolging op die grond in te stellen tegen [eiseres] .

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - Rabobank te veroordelen om binnen een werkdag na betekening van dit vonnis over te gaan tot schriftelijke en onvoorwaardelijke intrekking, althans subsidiair tot opschorting, van de beëindiging van de bankrelatie met [eiseres] , dan wel tot voortzetting van de bankrelatie na 1 juli 2021, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van Rabobank in de proces- en nakosten, beide vermeerderd met rente.

3.2.

Rabobank voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In beginsel is Rabobank bevoegd om op grond van de artikel 35 ABV de bankrelatie op te zeggen. De vraag is of het gebruikmaken door Rabobank van deze contractuele opzeggingsbevoegdheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, in strijd is met haar zorgplicht van artikel 2 ABV en/of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek en het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929, ING/De Keijzer). Het is aan Rabobank om haar opzeggingsbevoegdheid voldoende aannemelijk te maken.

4.2.

Rabobank heeft aan de beëindiging van de bankrelatie drie gronden, tezamen en ieder voor zich, ten grondslag gelegd. Die gronden zullen hieronder worden besproken.

1) [eiseres] heeft zich niet gehouden aan de afspraak met Rabobank over afstorting van contanten uit het garagebedrijf

4.3.

Rabobank stelt hiertoe het volgende. In juli 2019 hebben Rabobank en [eiseres] afgesproken dat [eiseres] een bedrag van € 3.000,- per week aan contanten uit het garagebedrijf mocht afstorten. Rabobank was hiertoe bereid omdat [eiseres] had meegedeeld dat er behoefte was aan de zijde van [eiseres] om een beperkte hoeveelheid contant geld te accepteren van met name particuliere (oudere) klanten van het garagebedrijf. De afstorting van contanten zag dus slechts op contanten uit het garagebedrijf en niet op contanten uit het automobielbedrijf. Onder inkomsten uit het garagebedrijf verstaat Rabobank de verkoop van olie en andere autotoebehoren en betaling van onderhoudsbeurten aan auto’s. Zo heeft [naam 4] het ook verwoord in zijn e-mails (zie 2.5 en 2.6). Op basis van door [eiseres] verstrekte informatie is het Rabobank gebleken dat [eiseres] in de periode van november 2019 tot en met september 2020 € 24.745,- aan contanten heeft ontvangen uit het garagebedrijf. In die zelfde periode heeft zij echter voor een bedrag van € 122.000,- aan contant geld afgestort bij Rabobank, verkregen uit de verkoop van auto’s. Van het totaal aan de in die periode afgestorte contanten was maar liefst 80% niet afkomstig uit het garagebedrijf, maar uit de verkoop van auto’s. [eiseres] heeft zich dus niet aan de afspraak met Rabobank gehouden, aldus steeds Rabobank.

4.4.

[eiseres] heeft het volgende gesteld. Zij verstaat onder automobielbedrijf al hetgeen te maken heeft met de Nederlandse verkoop en dienstverlening, ter onderscheiding van export. De verdenking van de FIOD had alleen betrekking op export, vandaar deze aanduiding en dit onderscheid. De contante gelden die [eiseres] heeft afgestort bij Rabobank waren louter afkomstig uit de Nederlandse verkoop van auto’s, de werkplaats en het magazijn. De verdenking van de FIOD had betrekking op de verkoop van auto’s aan buitenlandse klanten. In dat licht bezien heeft [eiseres] de afspraak met Rabobank zo mogen begrijpen dat zij wel contant geld uit de Nederlandse verkoop van auto’s mocht afstorten tot een bedrag van € 3.000,- per week. Een mogelijk misverstand is bovendien niet langer relevant, omdat [eiseres] sinds september 2020 helemaal geen contant geld meer bij Rabobank afstort.

4.5.

Geoordeeld wordt als volgt. Naar aanleiding van de inval door de FIOD bij [eiseres] is er op 16 juli 2019 een bespreking geweest tussen partijen. In dit gesprek heeft Rabobank aan [eiseres] onder meer meegedeeld dat het afstorten van contant geld niet langer mogelijk was. [naam 4] van Rabobank heeft dit in een e-mail van die zelfde dag bevestigd en meegedeeld dat hij intern zou overleggen wat de mogelijkheden waren om contant geld voor bijvoorbeeld olie of een servicebeurt toch beperkt af te storten (zie 2.5). Vervolgens heeft [naam 4] op 22 juli 2019 aan [eiseres] bericht dat vanwege haar behoefte om een beperkte hoeveelheid contant geld te accepteren van met name particuliere (oudere) klanten van het garagebedrijf, [eiseres] maximaal € 3.000,- per week aan contant geld mocht afstorten. In deze e-mail heeft [naam 4] geschreven dat het accepteren van contant geld door [eiseres] tot een minimum moet worden beperkt. Gelet op de inhoud van de e-mails van [naam 4] , mede bezien in het licht van de inval van het FIOD, is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter deze afspraak zo zal uitleggen dat het contante geld dat zij mocht afstorten uitsluitend afkomstig mocht uit garagewerkzaamheden, zoals bijvoorbeeld servicebeurten en de verkoop van olie en dergelijke en uitdrukkelijk niet uit de verkoop van auto’s, ook niet binnen Nederland.

4.6.

Rabobank heeft onbetwist aangevoerd dat 80% van door [eiseres] afgestorte contante gelden afkomstig was uit de verkoop van auto’s. Dit betekent dat [eiseres] zich niet aan haar afspraak met Rabobank heeft gehouden. Dat [eiseres] sinds september 2020 geen contant geld meer afstort bij Rabobank doet hier niet aan af. De reden dat het vertrouwen van Rabobank is geschaad is gelegen in het niet nakomen van afspraken door [eiseres] .

2) [eiseres] heeft Rabobank onjuiste informatie verstrekt

4.7.

Rabobank heeft hiertoe het volgende gesteld. Bij brief van 14 februari 2020 (van haar advocaat) heeft [eiseres] (de advocaat van) Rabobank bericht dat [eiseres] haar dienstverlening had gewijzigd en nauwelijks nog contante gelden accepteerde en tevens meegedeeld geen contante betalingen bij Rabobank af te zullen storten buiten de wekelijkse € 3.000,- afkomstig uit het garagebedrijf. Uit daarna door [eiseres] aan Rabobank verstrekte kasoverzichten is gebleken dat [eiseres] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Dat [eiseres] nauwelijks nog contante gelden accepteerde is onjuist. In januari 2020 heeft [eiseres] € 76.000,- aan contant geld ontvangen en in februari 2020 € 118.000,-. In de periode van maart 2020 tot en met januari 2021 heeft [eiseres] ruim € 1,2 miljoen aan contant geld ontvangen en over de gehele periode van november 2019 tot en met januari 2021 zelfs meer dan € 1,8 miljoen. Ook de mededeling in die brief dat [eiseres] buiten de wekelijkse € 3.000,- afkomstig uit het garagebedrijf geen contant geld bij Rabobank zal afstorten, was onjuist, aldus steeds Rabobank.

4.8.

[eiseres] heeft hier het volgende tegenin gebracht. Zij heeft Rabobank over het verloop van contante ontvangsten niet op het verkeerde spoort gezet. [eiseres] heeft Rabobank tot op de euro nauwkeurig, op transactieniveau, geïnformeerd over deze ontvangsten. [eiseres] heeft de ontvangst van contant geld majeur afgebouwd. In november 2019 ontving [eiseres] nog € 265.000,- aan contant geld. Inmiddels liggen de gemiddelde maandelijkse ontvangsten ruim onder de € 100.000,- per maand. Ook de mededeling van [eiseres] dat zij wekelijks € 3.000,- contant geld afkomstig uit het automobielbedrijf afstortte bij Rabobank is niet onjuist, omdat [eiseres] daar ook de verkoop van auto’s binnen Nederland onder verstaat, aldus steeds [eiseres] .

4.9.

Geoordeeld wordt dat de mededeling van [eiseres] dat zij nauwelijks nog contant geld ontving, niet klopte. Weliswaar is de ontvangst van contant geld door [eiseres] afgenomen, zoals zij heeft gesteld. [eiseres] heeft echter niet betwist dat zij in de door Rabobank genoemde perioden € 1,2 respectievelijk € 1,8 miljoen aan contant geld heeft ontvangen. In de hiervoor genoemde e-mail van 22 juli 2019 (zie 2.6) heeft [naam 4] geschreven dat ‘de acceptatie van contanten tot een minimum beperkt moeten worden’. Tegen die achtergrond zijn € 1,2 respectievelijk € 1,8 miljoen dermate hoge bedragen dat de mededeling ‘nauwelijks nog’ niet de lading dekt.

4.10.

Onder verwijzing naar 4.5 wordt geoordeeld dat ook de mededeling van [eiseres] dat alleen contant geld afkomstig uit het garage/automobielbedrijf bij Rabobank werd afgestort, onjuist is. Dat dit voortvloeit uit een andere lezing door [eiseres] van de gemaakte afspraak, komt voor haar rekening en risico.

3) [eiseres] heeft het cliëntenonderzoek van Rabobank belemmerd, onder meer door geen inzage te geven in stukken uit het lopende strafdossier

4.11.

Rabobank heeft hiertoe het volgende gesteld. [eiseres] verschafte op vragen van Rabobank vaak geen, ontoereikende of slechts gedeeltelijke en weinig concrete antwoorden. Rabobank heeft onder meer aan [eiseres] gevraagd om afschriften van alle ontvangen en nog te ontvangen stukken uit het strafdossier. De onschuldpresumptie doet aan dit verzoek niet af. Inzicht in deze stukken was voor Rabobank van essentieel belang om zich een eigen oordeel te kunnen vormen over de risico’s op betrokkenheid bij witwassen of ander crimineel handelen. Het stond [eiseres] vrij strafrechtelijke stukken waarover zij beschikt en komt te beschikken aan Rabobank te verstrekken. De Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafrechtelijke gegevens (Wjsg) zijn niet op [eiseres] van toepassing. De toegang tot stukken uit het strafdossier voor een verdachte wordt niet geregeld door de Wpg of de Wjsg, maar in Titel IIa van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Deze titel bevat regels over de vorming en de kennisneming van het procesdossier in strafzaken die strekken tot bescherming van de procespartijen in het strafgeding. In Titel IIa Sv is geen geheimhoudingsplicht voor de verdachte opgenomen. Zo nodig had [eiseres] persoonsgegevens van haar medewerkers of derden of andere vertrouwelijke gegevens onleesbaar kunnen maken, aldus steeds Rabobank.

4.12.

[eiseres] heeft aangevoerd dat zij alle vragen van Rabobank ten behoeve van haar cliëntenonderzoek steeds uitvoerig en gedocumenteerd heeft beantwoord. Het strafrechtelijk dossier valt onder wettelijke geheimhouding. Stukken uit het strafdossier worden door het OM verschaft ten behoeve van de eventuele verdediging en niet voor andere doeleinden. Artikel 7 leden 1 en 2 Wpg en artikel 3 leden 2-6 Wjsg verzetten zich tegen het verschaffen van strafrechtelijke gegevens aan anderen. Met inachtneming van haar geheimhoudingsplicht heeft [eiseres] Rabobank geïnformeerd over de stand van de strafrechtelijke procedure. Van belemmering van het cliëntenonderzoek is dus geen sprake geweest, aldus steeds [eiseres] .

4.13.

Het zwaartepunt van de verwijten van Rabobank jegens [eiseres] in het kader van het cliëntenonderzoek is gelegen in het feit dat [eiseres] geen afschrift van het strafdossier aan Rabobank heeft willen verstrekken. Dit verwijt zal hieronder worden besproken.

4.14.

De regels over de vorming en de kennisneming van het procesdossier in strafzaken strekken tot bescherming van de procespartijen in het strafgeding, waaronder in de eerste plaats de verdachte. Daarnaast zijn er regels die tot op zekere hoogte aan anderen dan de procespartijen recht geven op inzage in en verstrekking van gegevens uit een strafdossier. Het gaat, voor zover hier van belang, met name om regels die zijn neergelegd in de Wjsg en de Wpg. Deze wetten beogen mede het belang te dienen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Terecht heeft Rabobank aangevoerd dat de Wjsg en de Wpg van toepassing zijn op de verwerking van gegevens door overheidsinstanties met bevoegdheden op het gebied van het strafrecht. [eiseres] is geen verwerker onder de Wjsg of Wpg. Deze wetten verzetten zich niet tegen het verschaffen van stukken uit het strafdossier aan Rabobank. Een verplichting om zonder meer geen informatie uit het strafdossier met derden te delen, is in het recht niet te vinden.

4.15.

Het komt erop neer dat het [eiseres] vrijstond om (delen van) het strafdossier ter inzage te geven aan Rabobank. Uit hoofde van haar bankrelatie met Rabobank dient [eiseres] rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van Rabobank. Dit heeft zij niet gedaan door geen gehoor te geven aan het verzoek van Rabobank om inzage te geven in het strafdossier. Terecht heeft Rabobank gesteld dat zij belang heeft bij inzage in het strafdossier van [eiseres] om zo haar eigen oordeel te kunnen vormen over de risico’s die voortzetting van de bankrelatie met zich mee zouden brengen. Van Rabobank kan wel worden verlangd dat zij niet op de stoel van de strafrechter gaat zitten en de strafrechtelijke onschuldpresumptie meeweegt in haar onderzoek.

4.16.

Door geen afschrift te verstrekken van het strafdossier, zo nodig deels geanonimiseerd, heeft [eiseres] het cliëntenonderzoek van Rabobank belemmerd.

Concept-tenlastelegging

4.17.

Nadat Rabobank bij brief van 18 maart 2021 de bankrelatie met [eiseres] had opgezegd, heeft [eiseres] op 31 maart 2021 een concept-tenlastelegging ontvangen van het OM. Het OM is niet voornemens om [eiseres] te vervolgen voor witwassen, maar wel voor btw-fraude en valsheid in geschrifte.

4.18.

[eiseres] heeft gesteld dat Rabobank dus geen risico loopt om betrokken te raken bij witwassen. [eiseres] is het oneens met de in de concept-tenlastelegging opgenomen verdenkingen en zal zich daartegen verweren. Maar zelfs als de rechter tot het oordeel zou komen dat [eiseres] zich hieraan schuldig heeft gemaakt, dan hoeft dit geen consequenties te hebben voor de relatie van [eiseres] met Rabobank en het girale verkeer. [eiseres] wordt er niet van verdacht dat zij op onjuiste gronden en daarmee ten onrechte fiscaal voordeel uit belastingfraude zou hebben genoten en daarmee uit enig misdrijf afkomstig geld zou hebben ontvangen. Als zij wordt veroordeeld, zal zij alsnog btw moeten afdragen over de ontvangen koopsommen voor de geleverde auto’s, aldus steeds [eiseres] .

4.19.

Rabobank heeft aangevoerd dat vervolging van [eiseres] door het OM voor btw-fraude en valsheid in geschrifte een zelfstandige grond oplevert voor de beëindiging van de bankrelatie. Het gaat om een verdenking van ernstige misdrijven, die een sterk corrumperend effect hebben en mogelijk wel aan de basis hebben gestaan van witwassen. In haar brief van 21 april 2021 heeft [eiseres] alleen meegedeeld dat zij niet vervolgd zal worden voor witwassen. Zij heeft gezwegen over het voornemen van het OM om [eiseres] te vervolgen voor btw-fraude en valsheid in geschrifte. Door deze handelswijze heeft [eiseres] het vertrouwen van Rabobank nog verder geschaad. In de concept-tenlastelegging heeft Rabobank gelezen dat facturen mogelijk vervalst zijn. Dat zou voor Rabobank aanleiding zijn geweest om nader onderzoek te doen naar die facturen ten behoeve van het cliëntenonderzoek, aldus steeds Rabobank.

4.20.

Geoordeeld wordt als volgt. De concept-tenlastelegging is zo gespecificeerd dat het voorshands zeer aannemelijk is dat het OM de strafzaak tegen [eiseres] gaat voorleggen aan de strafrechter. Of de inhoud van de concept-tenlastelegging een zelfstandige grond vormt voor opzegging van de bankrelatie kan in het midden blijven. Het is kwalijk dat [eiseres] in haar brief van 21 april 2021 aan Rabobank alleen heeft meegedeeld dat zij niet zal worden vervolgd voor witwassen. Door te verzwijgen dat het OM wel van plan is om [eiseres] te vervolgen voor btw-fraude en valsheid in geschrifte heeft [eiseres] het vertrouwen van Rabobank ernstig geschonden.

Beëindiging bankrelatie

4.21.

Het voorgaande betekent dat het gebruikmaken door Rabobank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid niet in strijd is met haar zorgplicht van artikel 2 ABV noch naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, ook niet door het niet ingaan op het verzoek van [eiseres] aan Rabobank om nader met haar te overleggen. Niet aannemelijk is dat de hiervoor beoordeelde gronden voor de opzegging door overleg anders zouden komen te liggen. Evenmin leiden de overige aangevoerde omstandigheden tot een ander oordeel.

4.22.

Wel wordt in het belang van [eiseres] - als het mindere dan het gevorderde - bepaald dat de opzegging van de bankrelatie niet eerder effect zal hebben dan vanaf 15 september 2021. Voor deze korte termijn weegt het belang van Rabobank niet zwaarder, gelet ook op de lange periode dat de huidige situatie al bestaat. [eiseres] heeft de gelegenheid intussen een andere bankier te zoeken of een andere oplossing voor de bankrelatie te zoeken. De vordering van [eiseres] wordt voor het overige afgewezen.

Proceskosten

4.23.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de proceskosten, gevallen aan de zijde van Rabobank. Tot op heden worden die begroot op € 667,- aan griffierecht en € 1.016,- aan salaris advocaat.

4.24.

De verzochte nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening, met dien verstande dat de bankrelatie niet eerder dan op 15 september 2021 eindigt,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Rabobank begroot op € 1.683,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na heden tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 85,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.1

1 type: MvG coll: MAH