Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2922

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
AMS 19/5716
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente mocht het recht op bijstand intrekken omdat een vrouw niet heeft gemeld dat zij vanaf 1998 onroerend goed bezit in Suriname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/5716

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.J. Nierop),

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Metz).

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht op bijstand in de vorm van een AIO1-aanvulling over de periode van 1 december 1998 tot en met 30 juni 2009 ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 64.030,03.

Bij besluit van 21 november 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder de ten onrechte aan eiseres verstrekte AIO-aanvulling teruggevorderd tot een bedrag van in totaal

€ 102.172,04. Voorts heeft verweerder beslist om geen boete op te leggen.

Bij besluit van 25 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2021. Eiseres is niet verschenen. Zij is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Tevens zijn verschenen [dochter] (dochter van eiseres) en [kleinzoon] (kleinzoon van eiseres). Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, aanwezig via een telefonische verbinding.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?

1.1.

Over de periode van 1 december 1998 tot en met 31 december 2014 ontving eiseres, naast haar uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), bijstand naar de norm voor een alleenstaande in de vorm van een AIO-aanvulling. Eiseres was in het verleden gehuwd met [naam] , het huwelijk is ontbonden in 1991. De onderhavige zaak betreft de bijstand over de periode 1 december 1998 tot en met 30 juni 2009. Over de periode
1 juli 2009 tot en met 31 december 2014 is reeds eerder geprocedeerd, namelijk in 2017 bij de rechtbank en in 2018 in hoger beroep. Waarover hieronder meer.

1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag om een remigratie-uitkering door eiseres heeft het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Paramaribo (Bureau SZ) in opdracht van verweerder een onderzoek ingesteld naar bezit van onroerende zaken van eiseres in Suriname. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat eiseres sinds 2 juni 1983 (mede)eigenaar is van een perceel aan de [adres] . Het Bureau SZ heeft het perceel vervolgens laten taxeren door taxateur J.L.W.C. van Sichem namens Vastgoed Bemiddeling Bluxer (VBB). In het taxatierapport van 8 december 2014 staat dat het perceel 699,94 m2 groot is, deel uitmaakt van het Ressort Latour, er sprake is van een open rioleringssysteem en de weg in slechte conditie is. Omdat de exacte locatie niet kon worden vastgesteld, is alleen de grondwaarde getaxeerd. Uitgaande van een grondwaarde van € 20,- per m2 is de waarde per 8 december 2014 bepaald op € 13.998,30.

1.3.

Zoals hiervoor onder 1.1 al is weergegeven, is over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 december 2014 reeds geprocedeerd. Verweerder heeft bij besluit van 9 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 augustus 2016, het recht van eiseres op bijstand per 1 juli 2009 ingetrokken en over de periode van 1 juli 2009 tot en met
31 december 2014 een bedrag van € 38.142,01 teruggevorderd omdat eiseres geen melding heeft gemaakt van het perceel aan de [adres] en het vermogen van eiseres hoger is dan de voor haar geldende vermogensgrens van € 5.895,-. In bezwaar heeft eiseres een taxatierapport overgelegd van taxateur L. Khedoe van Ray’s Experts N.V., opgemaakt op

10 juli 2015. Het perceel aan de [adres] is daarin per 10 juli 2015 getaxeerd op € 10.499,- (executiewaarde € 8.399,-). Daarbij is uitgegaan van een oppervlakte van 699,94 m2 en een waarde van € 15,- per m2. Op 21 februari 2017 heeft deze rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2016 ongegrond verklaard.2 De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft de uitspraak van de rechtbank op 16 oktober 2018 in hoger beroep bevestigd.3 In hoger beroep is tevens gebleken dat eiseres sinds 1972 (mede)eigenaar is van een onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] , bestaande uit een woning met ongeveer 4.000 m2 grond. De waarde is, na een daartoe strekkende opdracht van verweerder, getaxeerd op
€ 8.500,-. Ook van deze onroerende zaak heeft eiseres geen melding gemaakt.

1.4.

In de onderhavige zaak heeft verweerder bij de primaire besluiten, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 25 september 2019 het recht op bijstand over de periode van
1 december 1998 tot en met 30 juni 2009 ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van
€ 64.030,03. Samen met het terugvorderingsbedrag van € 38.142,01 uit de eerdere procedure over de periode 1 juli 2009 tot en met 31 december 2014 komt dat op een terugvordering van een totaalbedrag van € 102.172,04.

1.5.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de periode van 1 december 1998 tot en met 30 juni 2009. Eiseres heeft de inlichtingenplicht geschonden door niet te melden dat zij onroerend goed bezit in Suriname. De waarde van het onroerend goed ligt boven de voor haar geldende vermogensgrens. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat indien zij wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, er recht op bijstand zou hebben bestaan. Eiseres is hierin niet geslaagd. Er is geen inzicht gegeven in de waardeontwikkeling van het onroerend goed over de in geding zijnde periode. Eiseres is wel ingegaan op de waarde van beide onroerende zaken, maar heeft dit niet onderbouwd met gegevens uit de desbetreffende periode. Er zijn geen bijzondere omstandigheden waardoor geheel of gedeeltelijk van terugvordering dient te worden afgezien. In de door eiseres aangegeven omstandigheden, waaronder de stelling dat de terugvordering onevenredig zou zijn, ziet verweerder geen dringende redenen. Niet is gebleken dat eiseres door de terugvordering in ernstige sociale en/of financiële problemen komt.

1.6.

In beroep heeft eiseres het bestreden besluit gemotiveerd betwist.

Beoordeling door de rechtbank

De omvang van het geding

2.1.

In geschil is welke terugvorderingsperiode en welk terugvorderingsbedrag in de onderhavige zaak ter beoordeling voorligt. Eiseres stelt dat nu verweerder bij het primaire besluit II, bevestigd bij het bestreden besluit, heeft beslist dat een bedrag van € 102.172,04 wordt teruggevorderd, nu de gehele bijstandsperiode van 1 december 1998 tot en met
31 december 2014 voorligt en dat dus ook de periode die in de procedure bij de rechtbank en de Raad (zie overweging 1.2) reeds is beoordeeld met als terugvorderingsbedrag
€ 38.142,01 wederom in deze procedure voorligt, zodat de rechtbank de onroerende zaken opnieuw kan beoordelen ten aanzien van de gehele periode waarover de bijstand door verweerder is teruggevorderd. Verweerder heeft dit standpunt ter zitting bestreden.

2.2.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt en overweegt daartoe als volgt. De intrekking en terugvordering over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 december 2014 is, anders dan eiseres kennelijk meent, met de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2018 in rechte komen vast te staan en daarmee ook het met die periode gemoeide terugvorderingsbedrag van € 38.142,01. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de periode in geding loopt van 1 december 1998 tot en met 30 juni 2009 met als terugvorderingsbedrag € 64.030,03. Weliswaar staat er in het bestreden besluit meerdere keren dat verweerder van eiseres een bedrag van € 102.172,04 terugvordert, maar de hoogte van dit bedrag heeft verweerder ter zitting toegelicht en afdoende in het bestreden besluit verduidelijkt, in het bijzonder met de zinswendingen “[B]ij beslissing van 21 november 2016 [is] overgegaan tot intrekking van de bijstand over de periode 1 december 1998 tot en met 30 juni 2009. Als gevolg van deze intrekking moet u een bedrag van € 64.030,03 aan de SVB betalen. Samen met de eerdere terugvordering dient u een totaalbedrag van € 102.172,04 terug te betalen.” De genoemde ‘eerdere terugvordering’, waarover de Raad reeds uitspraak heeft gedaan, kan dan ook niet in deze procedure nogmaals worden betrokken.

De intrekking

3.1.

Niet in geschil is dat gedurende de periode in geding de hiervoor genoemde twee percelen in Suriname op naam van eiseres stonden geregistreerd en dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door hiervan geen melding te maken bij verweerder.

3.2.

Volgens vaste rechtspraak is het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting een grond voor intrekking van de AIO-aanvulling indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de betrokkene recht heeft op de AIO-aanvulling.

3.3.

Eiseres voert aan dat het dossier voldoende aanknopingspunten biedt om zowel de waarde van het perceel op de [adres] als de waarde van het perceel op de [adres 1] schattenderwijs vast te stellen. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van de Raad van
12 maart 2019.4 Wanneer de waarde schattenderwijs kan worden vastgesteld, moet worden geconcludeerd dat het vermogen van eiseres in de in het geding zijnde periode niet boven de vermogensgrens uitkwam en dat er dus geen reden was om tot intrekking over te gaan. Bij het schattenderwijs vaststellen dient uitgegaan te worden van de taxatie van Khedoe (door eiseres overgelegd). De klapperwaarde is door de overheid vastgesteld op € 10,- per vierkante meter, zowel in 2005 als in 2011. Daarnaast heeft Khedoe toegelicht dat de prijzen van onroerend goed in de [adres] sinds december 1998 niet opmerkelijk zijn gestegen, omdat de infrastructuur niet is verbeterd, aldus eiseres.

3.4.

Dit betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met het overleggen van het taxatierapport van Khedoe weliswaar gegevens heeft overgelegd over de waarde van de woning op de [adres] per 10 juli 2015, maar niet per 1 december 1998, noch over de waardeontwikkeling van het perceel over de gehele periode in geding. De rechtbank overweegt dat de taxaties voor beide percelen weliswaar uitgaan van een klapperwaarde van € 10,-, maar de taxateurs gaan uit van een verschillende marktwaarde en de taxaties laten geen waardeontwikkeling van de percelen zien over de jaren van 1998 tot aan 2009, zodat de waarde van de percelen over al die jaren niet schattenderwijs kan worden vastgesteld, zoals eiseres stelt. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Raad van 12 maart 2019 kan haar niet baten, omdat het in die zaak ging om een betrekkelijk korte periode in geding waarbij zowel voorafgaand aan die periode als na die periode een waardevaststelling bekend was. Nu de korte periode in geding daartussen lag, kon schattenderwijs worden vastgesteld wat de waarde ongeveer moet zijn geweest van het perceel over de korte periode in geding. In de onderhavige zaak doet zich een dergelijke situatie niet voor. Dat betekent dat over de onderhavige periode in geding het recht op bijstand niet schattenderwijs kan worden vastgesteld.

4.1.

Voorts heeft eiseres aangevoerd dat ook ingeval zou worden uitgegaan van de op verzoek van verweerder uitgevoerde taxatie door Van Sichem, waarbij een hogere taxatiewaarde is vastgesteld, ook dan is er geen reden om aan te nemen dat de gezamenlijke waarde van de beide percelen over de gehele periode in geding boven de vermogensgrens heeft gelegen. Immers, ook bij deze taxatie moet worden uitgegaan van een klapperwaarde van € 10,- per vierkante meter. De onroerende zaken van eiseres maken onderdeel uit van de onverdeelde boedel met eiseres haar voormalig echtgenoot, waardoor het vermogen maar voor de helft van eiseres is.

4.2.

Deze grond faalt eveneens. De rechtbank is van oordeel, zoals hiervoor in 3.3 al is overwogen, dat ook met de taxatie van Van Sichem als uitgangspunt, de waarde van de percelen in het jaar 1998 niet is vastgesteld, noch de waardeontwikkeling van de percelen over de periode in geding. Ook kan op basis van de klapperwaarde niet de waarde van de percelen schattenderwijs worden vastgesteld omdat in de taxatie van Van Sichem niet gerekend wordt met de klapperwaarde maar met een marktwaarde. Uit de gedingstukken komt naar voren dat Van Sichem heeft toegelicht dat de waarde van de meeste percelen in Paramaribo en de randdistricten vanaf 2005 tenminste zijn verdubbeld of in sommige wijken zelfs verviervoudigd zijn. Er hebben veel positieve ontwikkelingen plaatsgevonden met name de brug tussen Saron en Ramgoelam en de handelszaken die als paddenstoelen verrijzen, aldus Van Sichem. De rechtbank kan het dan ook volgen dat de taxateur rekent met de marktwaarde van de percelen, namelijk € 20,- per vierkante meter. Wanneer wordt uitgegaan van een waarde van € 20,- per vierkante meter, komt de totale waarde van de percelen (gedeeld door de helft) op dat moment boven de voor eiseres geldende vermogensgrens.

4.3.

Uit 3.3. en 4.2. volgt dat verweerder op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw gehouden was tot intrekking van de AIO-aanvulling met ingang van 1 december 1998.

Terugvordering

5.1.

In het kader van de terugvordering stelt eiseres dat in het geval wordt aangenomen dat de waarde van de percelen tussen 1998 en 2009 alle jaren de vermogensgrens oversteeg, er geen reden is om meer terug te vorderen dan het verschil tussen de waarde van de niet gemelde onroerende goederen en de vermogensgrens. De hoogte van het thans teruggevorderde bedrag is niet evenredig met de waarde van de door eiseres verzwegen percelen. Bij de vaststelling van de terugvordering had hiermee rekening moeten worden gehouden gelet op het reparatoire karakter van de terugvordering. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiseres naar de uitspraak van de Raad van 5 februari 20195 en de ter zitting genoemde uitspraak van de Raad van 12 mei 2020.6

5.2.

Deze grond slaagt. Het gegeven dat artikel 58, eerste lid, van de Pw een verplichtend karakter heeft, staat er niet aan in de weg dat bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening wordt gehouden met een eventueel aanvullend recht op bijstand. Het moet er immers voor worden gehouden dat op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw niet méér kan worden teruggevorderd dan per saldo ten onrechte aan bijstand is verleend. Hierbij is van belang dat een besluit tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw reparatoir van aard is en niet gericht op leedtoevoeging (sanctionering), maar op herstel in de rechtmatige toestand, zoals die zou hebben bestaan indien appellante van meet af aan de juiste inlichtingen had verstrekt. Het is in een dergelijke situatie aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat indien de verplichting tot het geven van inlichtingen wél naar behoren zou zijn nagekomen (aanvullende) bijstand zou zijn verstrekt. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 15 maart 20167 en 9 mei 20178.

5.3.

Allereerst overweegt de rechtbank dat uit deze twee laatstgenoemde uitspraken van de Raad blijkt dat in die zaken, anders dan in de onderhavige zaak, een aanvullend recht op bijstand kon worden vastgesteld, zodat bij de berekening van de terugvordering rekening kon worden gehouden met de omstandigheid dat wanneer wel sprake was geweest van een volledige en juiste nakoming van de inlichtingenplicht over een veel kortere periode geen recht op bijstand zou hebben bestaan dan de lange periode waarover wordt teruggevorderd. In de onderhavige zaak kan het recht op bijstand nu juist niet worden vastgesteld. Echter, gelet op de uitspraak van de Raad van 12 mei 2020, waarop door eiseres ter zitting een beroep is gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor onder 5.1 genoemde beroepsgrond slaagt nu de aan die uitspraak ten grondslag liggende zaak diverse gelijkenissen vertoont met de onderhavige zaak. Immers, in de in die uitspraak betrokken zaak kon ook het recht op bijstand niet worden vastgesteld, was ook de inlichtingenplicht geschonden doordat vele jaren het in bezit zijnde onroerend goed niet aan verweerder was gemeld en lagen er meerdere taxatierapporten waaruit geen waardeontwikkeling kon worden afgeleid. Toch heeft verweerder in die zaak wél de terugvordering berekend aan de hand van de getaxeerde waarde van de onroerende zaken minus de voor eisers geldende vermogensgrens. De Raad zet daar in zijn uitspaak van 12 mei 2020 geen streep door. Dat leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd nu een dergelijke terugvorderingsberekening in de onderhavige zaak ontbreekt. In zoverre is het beroep gegrond.

Overschrijding van de redelijke termijn

6.1.

Eiseres heeft tot slot verzocht om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

6.2.

Het gaat hier om een niet-punitieve procedure. Het is vaste rechtspraak dat in dat geval als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. In dit geval is de op 11 mei 2020 geplande zitting uitgesteld als gevolg van de naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus met ingang van 16 maart 2020 getroffen ingrijpende maatregelen. De zaak is op 19 april 2021 alsnog ter zitting behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is de coronacrisis een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie die voldoende reden geeft om een langere redelijke termijn dan een termijn van twee jaar te hanteren. De termijn wordt met vier maanden verlengd. Daarbij is rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen gesloten waren en een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen.9

6.3.

De conclusie is dat vanwege de maatregelen naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus in dit geval een langere redelijke termijn moet worden aangehouden dan een termijn van twee jaar. De redelijke termijn bedraagt twee jaar en vier maanden.

6.4.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf het moment van indienen van het bezwaarschrift op 20 december 2016 tot de uitspraak van de rechtbank zijn vier jaren en ruim vijf maanden verstreken. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren en ruim één maand. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, heeft appellante daarom recht op 5 maal € 500,-, in totaal € 2.500,-, aan schadevergoeding. De overschrijding is volledig toe te rekenen aan verweerder, omdat tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 20 december 2016 en het bestreden besluit van 25 september 2019, twee jaar en ruim negen maanden zijn verstreken. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake, omdat deze fase weliswaar iets meer dan anderhalf jaar heeft geduurd (1 maand en twee dagen langer), echter de verlenging met vier maanden geldt voor de rechterlijke fase.

6.5.

De rechtbank zal verweerder met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, veroordelen tot betaling van het bedrag van € 2.500,- als vergoeding voor de door eiseres geleden immateriële schade.

Conclusie

7. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en het bestreden besluit zal vernietigen voor zover dat ziet op de terugvordering wegens strijd met artikel 7:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval kan het geschil niet finaal worden beslecht. Het gaat hier immers, gelet op wat onder 5. is overwogen, om een financiële uitwerking die de rechtbank bij gebrek aan toereikende gegevens - in het bijzonder over de brutering - zelf niet kan maken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus en zal verweerder een opdracht geven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Nu het beroep in zoverre gegrond is, komt de rechtbank aan de bespreking van de overige beroepsgronden niet meer toe.

8. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in beroep voor verleende rechtsbijstand. Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan eiseres tot een bedrag van

€ 2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro);

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- (zegge: zevenenveertig euro) aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.068,- (zegge: duizend achtenzestig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Sloot, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen.

2 De procedure met nummer 16/5747 (niet gepubliceerd).

3 Gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:CRVB:2018:3265.

4 Te vinden via rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:CRVB:2019:1076

5 Te vinden via rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:CRVB:2019:433

6 Te vinden via rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:CRVB:2020:1140

7 ECLI:NL:CRVB:2016:995

8 ECLI:NL:CRVB:2017:1688

9 Vgl. de uitspraak van het College voor het Beroep en bedrijfsleven van 16 februari 2021 met nummer ECLI:NL:CBB:2021:158, rechtsoverwegingen 21 en 22, te vinden via rechtspraak.nl.