Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:28

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
C/13/650375 / HA ZA 18-653
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opslagen onder de Euribor-woninghypotheek niet onverschuldigd betaald / gebondenheid aan de algemene voorwaarden / geen sprake van oneerlijke handelspraktijk of misleidende omissie in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken / evenmin dwaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/650375 / HA ZA 18-653

Vonnis van 13 januari 2021

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. R.J. Leijssen te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. F.E. Vermeulen te Amsterdam.

Partijen worden hierna [eisers] c.s. en ABN AMRO genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 juni 2018, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 30 januari 2019, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 mei 2019 met de daarin

genoemde processtukken, waarbij de zaak in afwachting van het arrest van de Hoge Raad van 22 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1830) is aangehouden,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 december 2020, met de daarin

genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] c.s. is eigenaar van de woning aan de [adres] . Op 28 januari 2009 heeft [eisers] c.s., die werd bijgestaan door een hypotheekadviseur verbonden aan NBG Finance, bij ABN AMRO een offerte voor een Euribor-woninghypotheek van € 453.000,00 aangevraagd teneinde zijn lopende lening bij een andere bancaire instelling over te sluiten.

2.2.

Op 29 januari 2009 heeft ABN AMRO, voor zover van belang, de volgende offerte aan NBG Finance verstuurd:

“(…)

leningdeelnummer [nummer] Aflossingsvrije hypotheek

Nominaal rentepercentage 3,330%

Rentevastheidsperiode 1 maand, Euribor

Effectieve rentepercentage 3,4%

Leningsbedrag € 453.000,00

Economische looptijd 30 jaar

Aantal maandelijkse betalingen 350

Maandelijks bedrag (rente) € 1.257,08

Op dit leningdeel zijn van toepassing de bijgevoegde Algemene Voorwaarden ABN AMRO Bank N.V. (september 1995), Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheekproducten (1 september 2008) en Algemene Bepalingen voor geldleningen (15 oktober 2007), hierna tezamen te noemen: ‘Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheken’.”

2.3.

In artikel 4.1.4. van de bij de offerte meegestuurde Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheekproducten van 1 september 2008 (hierna ook: het opslagwijzigingsbeding) staat het volgende:

“4.1.4. Euriborrente

Is op de Lening het Euriborrentetarief van toepassing dan geldt het éénmaands Euribortarief. Het éénmaands Euribortarief wordt vastgesteld op de voorlaatste werkdag van de maand en geldt voor de volgende maand, vermeerderd met een opslag. Dit rentepercentage wordt afgerond op drie cijfers achter de komma. Het door u te betalen bedrag zal bij elke rentewijziging worden herberekend onder handhaving van de looptijd. De Bank is bevoegd de opslag te wijzigen. Over die wijziging zult u op voorhand schriftelijk geïnformeerd worden.”

2.4.

Op de toenmalige website van ABN AMRO stond onder het kopje “rentevormen” het volgende vermeld:

“(…)

 Euribor variabele rente; het rentepercentage is gebaseerd op het 1 maand Euribor (Euro Interbank Offered Rate) tarief, vermeerderd met een opslagpercentage. De hoogte van de opslag wordt individueel vastgesteld. Het rentepercentage wordt afgerond op twee decimalen. In principe wijzigt deze rente elke maand. Deze rente is alleen mogelijk bij Aflossingsvrije Hypotheken van minimaal € 100.000,-.

(…)”

2.5.

Op 30 januari 2009 heeft [eisers] c.s. de offerte van ABN AMRO van 29 januari 2009 ondertekend.

2.6.

ABN AMRO heeft voor alle standaard Euribor-woninghypotheken de opslag van 0,5% met ingang van 1 februari 2009 verhoogd naar 1% en heeft hierover een brief aan NBG Finance verstuurd.

2.7.

Op 9 maart 2009 heeft ABN AMRO een aangepaste offerte, inclusief de daarop van toepassing verklaarde Algemene Voorwaarden ABN AMRO Bank N.V. van september 1995, Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheekproducten van 1 september 2008 en de Algemene Bepalingen voor geldleningen van 15 oktober 2007 (hierna tezamen: de Algemene Voorwaarden) aan NBG Finance verstuurd. Deze aangepaste offerte heeft [eisers] c.s. op 13 maart 2009 ondertekend bij de notaris, toen eveneens de hypotheekakte werd gepasseerd.

2.8.

Op 1 mei 2009 heeft ABN AMRO de volgende brief aan [eisers] c.s. verstuurd:

“(…)

Opslag Euribor.

Het tarief dat wij maandelijks aan u berekenen stellen wij vast op de één na laatste werkdag van de maand. Op dit tarief komt een opslag van 0,5% en een risico opslag. De risico opslag is afhankelijk van de hoogte van uw hypotheekbedrag ten opzichte van de waarde van uw woning. De opslag kan worden gewijzigd als de ontwikkelingen op de financiële markt hiertoe aanleiding geven. Conform artikel 4.1.4. van de Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheekproducten zijn wij bevoegd om de opslag te verhogen. Onze klanten met een hypotheek op basis van Euriborrente hebben wij hierover schriftelijk geïnformeerd. Onze klanten met een geaccepteerde offerte gebaseerd op het Euribortarief zijn hierover geïnformeerd door hun Hypotheekadviseur. In uw geval had N.B.G. Finance dit aan u moeten melden.

Wijzigingen in offerte.

De wijziging van de executiewaarde heeft te maken met uw WOZ-verklaring. Bij het uitbrengen van de offerte heeft u een executiewaarde van EUR 875.000 opgegeven. Na acceptatie van de offerte hebben wij van u een WOZ verklaring ontvangen waarin een WOZ waarde van EUR 930.000 is opgenomen. De executiewaarde van een woning is 70% van de WOZ waarde, in dit geval EUR 675.000. Dit hebben wij aangepast in de offerte van 9 maart 2009.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eisers] c.s. vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis ABN AMRO:

I. veroordeelt tot betaling aan [eisers] c.s. van de door hem tot 1 december 2019 betaalde opslag van in totaal € 74.475,00 en de nadien betaalde opslagen, vermeerderd met de wettelijke rente,

II. gebiedt geen opslagen meer in rekening te brengen, op straffe van dwangsom van € 25.000,00 voor elke overtreding van dit gebod,

III. veroordeelt tot betaling aan [eisers] c.s. van de door hem betaalde afsluitprovisie van € 4.530,00,

IV. veroordeelt tot betaling aan [eisers] c.s. van de buitengerechtelijke incassokosten van € 5.685,00,

V. veroordeelt in de kosten.

3.2.

ABN AMRO voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de beoordeling van de door [eisers] c.s. betaalde opslagen uit hoofde van de bij ABN AMRO afgesloten Euribor-woninghypotheek. De rechtbank stelt vast dat [eisers] c.s. op de zitting de (meest subsidiaire) grondslag van zijn vordering, namelijk dat het opslagwijzigingsbeding op grond van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomst een onredelijk bezwarend beding betreft en derhalve dient te worden vernietigd, heeft ingetrokken. Dit omdat het verwijzingsgerechtshof Den Haag, in de procedure van ABN AMRO tegen de Stichting SdB en de Stichting Euribar, ook wat [eisers] c.s. betreft hierover zal beslissen. Het daarmee samenhangende voorwaardelijke aanhoudingsverzoek is eveneens door [eisers] c.s. ingetrokken. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie dient in dat geval ambtshalve vernietiging van het beding achterwege te blijven (HvJ EU 4 juni 2009, ECLI:EU:C:2009:350, Pannon GSM). Tegen die achtergrond kan het onderzoek naar het mogelijk oneerlijke karakter van het opslagwijzigingsbeding in deze procedure eveneens achterwege blijven. De rechtbank zal hierna de vordering van [eisers] c.s. in het licht van de overige grondslagen beoordelen.

De opslag en het wijzigingsbeding

4.2.

[eisers] c.s. heeft allereerst aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat partijen geen opslag en evenmin het opslagwijzigingsbeding zijn overeengekomen, waardoor de opslagen onverschuldigd zijn betaald. [eisers] c.s. is afgegaan op de informatie in de offertes van 29 januari 2009 en 9 maart 2009, waarin staat dat hij (enkel) het 1-maands Euribor is verschuldigd en hij heeft verder geen kennis genomen van de Algemene Voorwaarden. Over een opslag stond niets in de offertes vermeld. [eisers] c.s. had op grond van de door hem ondertekende offertes dan ook geen rekening hoeven te houden met het verschuldigd zijn van een opslag.

ABN AMRO heeft gemotiveerd betwist dat [eisers] c.s. de opslagen niet is verschuldigd door onder meer te verwijzen naar de toepasselijke Algemene Voorwaarden.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat op de offertes van 29 januari 2009 en 9 maart 2009 de Algemene Voorwaarden van toepassing zijn verklaard. In de Algemene Voorwaarden, meer in het bijzonder in artikel 4.1.4. van Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheekproducten van 1 september 2008, staat dat het 1-maands Euribor wordt vastgesteld vermeerderd met een opslag en dat ABN AMRO bevoegd is deze opslag te wijzigen (het opslagwijzigingsbeding, zie ook 2.3.). Tussen partijen is niet in geschil dat ABN AMRO de Algemene Voorwaarden aan [eisers] c.s. bij beide offertes ter hand heeft gesteld. Nu [eisers] c.s. de offerte van 29 januari 2009 en later ook de offerte van 9 maart 2009 voor akkoord heeft ondertekend, heeft hij de gelding van de Algemene Voorwaarden aanvaard en is hij dus daaraan gebonden. Op grond van artikel 6:232 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor de toepasselijkheid van de Algemene Voorwaarden niet vereist dat [eisers] c.s. de inhoud daarvan kende. Dat in de offerte geen melding is gemaakt van een opslag, maakt derhalve niet dat het opslagwijzigingsbeding niet is overeengekomen. Het betoog van [eisers] c.s. dat hij de opslagen onverschuldigd heeft betaald, faalt dan ook.

Misleidende handelspraktijk

4.4.

[eisers] c.s. heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat ABN AMRO, door te offreren op de wijze waarop zij dit heeft gedaan, zich schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 6:193c, eerste lid onder d BW en meer in het bijzonder aan een misleidende omissie in de zin van artikel 6:193d BW. ABN AMRO heeft door de essentiële informatie over de opslag weg te laten in de offertes en te verstoppen in de Algemene Voorwaarden, [eisers] c.s. misleid en heeft daarmee bovendien in strijd gehandeld met de Gedragscode Hypothecaire Financieringen van 2008. Dit leidt ertoe dat primair sprake van een onrechtmatige daad in de precontractuele fase die een schadevergoedingsverplichting oplevert. Subsidiair leidt dit tot een partiële vernietiging die een terugbetalingsverplichting oplevert gelijk aan de door [eisers] c.s. betaalde opslagen, aldus [eisers] c.s.

4.5.

ABN AMRO heeft daartegen aangevoerd dat zij alle relevante informatie voorafgaand aan het ondertekenen van de offertes aan [eisers] c.s. beschikbaar heeft gesteld, waardoor hij tijdig bekend had kunnen zijn met de opslag en het opslagwijzigingsbeding. Het enkele feit dat informatie, net als bij andere financiële producten, deels in de Algemene Voorwaarden is opgenomen maakt niet dat sprake is van misleiding of een oneerlijke handelspraktijk. Ook op de website van ABN AMRO stond vermeld dat er een opslag in het Euribor-tarief is inbegrepen. Bovendien bleek deze informatie en de bevoegdheid om de opslag te wijzigen uit de context, omdat het hier gaat om een tarief met een rentevaste periode van één maand hetgeen impliceert dat het tarief maandelijks kan variëren. In de beschikbaar gestelde informatie is niet de indruk gewekt dat zulks anders zou zijn, aldus het verweer van ABN AMRO.

4.6.

[eisers] c.s. doet een beroep op de bepalingen waarmee de wetgever de Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (hierna: de Richtlijn) heeft geïmplementeerd. Ingevolge artikel 5, tweede lid van de Richtlijn is een handelspraktijk oneerlijk wanneer zij in strijd met de vereisten van professionele toewijding en het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren. Wanneer de handelspraktijk op een bepaalde groep consumenten gericht is, is zij oneerlijk wanneer zij het economisch gedrag van het gemiddelde lid van deze groep wezenlijk verstoort of kan verstoren (vgl. de artikelen 6:193a, tweede lid en 6:193b BW). Een handelspraktijk is in het bijzonder oneerlijk indien sprake is van een misleidende handelspraktijk als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van de Richtlijn (vgl. de artikelen 6:193c tot en met 6:193g BW). Bij de beoordeling van de vraag of een handelspraktijk het economisch gedrag van de gemiddelde consument met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren, zijn alle omstandigheden van het geval relevant, waartoe in bepaalde gevallen ook omstandigheden die zich voordoen voor of na de aankoop van het product kunnen behoren.

4.7.

De Richtlijn hanteert in beginsel als maatman de ‘gemiddelde consument’. Van de maatman-consument, die gemiddeld geïnformeerd, omzichtig en oplettend is, mag verwacht worden dat hij bereid is zich in de aangeboden informatie te verdiepen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162). De gemiddelde consument wordt in beginsel geacht in staat te zijn om de verstrekte informatie op waarde in te schatten, om zo nodig nadere informatie te zoeken en om vervolgens informatie uit verschillende bronnen met elkaar in verband te brengen (zie het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1191 en ECLI:NL:PHR:2015:314).

4.8.

Met inachtneming van voormelde maatstaf is de rechtbank van oordeel dat [eisers] c.s., tegenover de gemotiveerde betwisting van ABN AMRO, onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, meer in het bijzonder van een misleidende omissie. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Vast staat dat het door ABN AMRO geoffreerde effectieve rentepercentage zoals vermeld in de offertes van 29 januari 2009 en 9 maart 2009 is samengesteld uit het 1-maands Euribor, vermeerderd met een opslag. Dit betekent dat uit de offertes, die door [eisers] c.s. voor akkoord zijn ondertekend, al (impliciet) volgt dat [eisers] c.s. ook een opslag is verschuldigd en dus niet alleen het 1-maands Euribor. Dat het geoffreerde rentetarief ook bestond uit een opslag en dat ABN AMRO bevoegd is om deze opslag te wijzigen, staat vermeld in de toepasselijke Algemene Voorwaarden waarvan vast staat dat deze tijdig door ABN AMRO aan [eisers] c.s. ter hand zijn gesteld. Van [eisers] c.s. mocht als gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument verwacht worden dat hij kennis neemt van de aan hem verstrekte informatie, waaronder de Algemene Voorwaarden. Dat sprake was van deze opslag stond bovendien ook op de toenmalige website van ABN AMRO vermeld. Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat ABN AMRO geen essentiële informatie heeft weggelaten of verborgen heeft gehouden op grond waarvan [eisers] c.s. als gemiddelde consument een besluit heeft genomen dat hij anders niet zou hebben genomen. Het beroep van [eisers] c.s. op een oneerlijke handelspraktijk in de zin van de Richtlijn slaagt niet, waardoor de door [eisers] c.s. primair en subsidiair beoogde rechtsgevolgen evenmin intreden.

Dwaling

4.9.

[eisers] c.s. heeft (meer subsidiair) dwaling als bedoeld in artikel 6:228 BW aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Aangezien aan de door [eisers] c.s. gestelde dwaling dezelfde feitelijke grondslag is gegeven als reeds hiervoor overwogen en beoordeeld, bestaat er evenmin grond voor het oordeel dat sprake is van dwaling van de zijde van [eisers] c.s.

Conclusie

4.10.

De slotsom is dat de vordering van [eisers] c.s. wordt afgewezen.

Proceskosten

4.11.

[eisers] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op:

€ 1.950,00 aan griffierecht

€ 2.685,00 aan salaris advocaat (2,5 punt x € 1.074,00)

€ 4.635,00 totaal.

4.12.

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als in de beslissing vermeld. De door ABN AMRO gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten wordt toegewezen als zijnde niet betwist.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 4.635,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eisers] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, voornoemd bedrag van € 157,00 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling, voornoemd bedrag van € 82,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. H. Akbuz, griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2021.1

1 type: HA coll: