Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2797

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
9000129 EA VERZ 21-45
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor wegens gebrek aan belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

zaaknummer: 9000129 EA VERZ 21-45

beschikking van: 6 mei 2021

func.: 842

beschikking van de kantonrechter

i n z a k e

1 [verzoeker 1] , wonende te [woonplaats] ,

2. [verzoeker 2], wonende te [woonplaats] ,

3. [verzoeker 3], wonende te [woonplaats] ,

4. [verzoeker 4], wonende te [woonplaats] ,

5. [verzoeker 5], wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

gemachtigde: mr. F.B. Keulen

t e g e n

1 [verweerder 1] , wonende te [woonplaats] ,

2. [verweerder 2], wonende te [woonplaats] ,

3. Stichting Pensioenfonds Grafische Bedrijven, gevestigd te Amsterdam,

verweerders,

gemachtigden: mr. D.H. Oolbekkink voor verweerders 1 en 2 en mr. J. Los voor verweerster 3.

Verzoekers zullen hierna [verzoekers] worden genoemd. Verweerders 1 en 2 zullen als de voormalig bestuurders van de Stichting Boom Ruygrok I worden aangeduid en verweerster 3 als PGB.


VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken en -handelingen liggen aan deze beschikking ten grondslag:

- het verzoekschrift met producties, ingekomen op 29 januari 2021;
- het verweerschrift van de bestuurders van de Stichting Boom Ruygrok I, met producties;

- het verweerschrift van PGB, met producties;

- de mondelinge behandeling van 8 april 2021. Aanwezig waren verzoekers 1, 3, 4 en 5 met mr. Keulen, mr. Oolbekkink namens verweerders 1 en 2 en [betrokkene] namens PGB, met mr. Los.

Na de mondelinge behandeling is de beslissing bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1 Feiten

1.1.

[verzoekers] zijn werkzaam geweest bij de voormalige drukkerij Boom Ruygrok. Zij zijn tijdens diverse reorganisaties van de drukkerij in de periode 2008-2012 ontslagen. Met hen zijn door de hierna te noemen stichting vaststellingsovereenkomsten gesloten over de beëindiging van hun dienstverbanden, waarbij aan hen een vergoeding is toegekend.

1.2.

Naast de drukkerij bestond er de Stichting Boom Ruygrok I, die onder meer tot doel had het behartigen van de belangen van de werknemers en gewezen werknemers van de drukkerij. De Stichting beschikte over financiële middelen ten behoeve van scholing en uitkeringen of aanvullingen daarop voor werknemers die werden ontslagen als gevolg van reorganisaties. De voormalig bestuurders van de Stichting Boom Ruygrok I zijn lange tijd bestuurders geweest. Op 2 december 2017 hebben zij de stichting ontbonden. De op dat moment beschikbare gelden zijn overgedragen aan PGB als koopsom ten behoeve van bepaalde gewezen medewerkers van de drukkerij, die van PGB een verhoogde pensioenuitkering hebben ontvangen.

1.3.

Verzoekers hebben eind 2017/begin 2018 van dit laatste kennisgenomen. Zij hebben aan PGB om informatie verzocht, omdat een oud-collega, de heer [naam 1] , wel een uitkering uit de stichtinggelden had ontvangen maar zij niet.

1.4.

Verzoekers hebben een aantal stukken en informatie ontvangen. Daaruit blijkt dat sinds 2014 in correspondentie tussen de Stichting Boom Ruygrok I en PGB is gesproken over de volgende vier categorieën van voormalig medewerkers van de drukkerij, die in aanmerking kwamen voor een verhoogde pensioenuitkering:

1. medewerkers die voor 1982 in dienst waren van Boom Ruygrok en hebben gewerkt tot de datum van de VUT en aansluitend met pensioen zijn gegaan,
2. medewerkers die tussentijds zijn vertrokken en bij een ander grafisch bedrijf in dienst zijn getreden, vanuit dit bedrijf met de VUT zijn gegaan en aansluitend met pensioen zijn gegaan,
3. idem, maar niet naar een grafisch bedrijf gegaan,
4. medewerkers die reeds een reorganisatie uitkering hebben ontvangen.
Opgemerkt is (in een e-mail van 29 september 2014 van [naam 2] van PGB) dat personen die reeds gebruik hadden gemaakt van een aanvulling bij ontslag (garantiefonds) werden uitgesloten.

1.5.

Deze vier categorieën worden ook genoemd in een e-mail van [naam 3] van PGB aan verzoeker 1, [verzoeker 1] , van 28 februari 2018. Verzoekers behoren tot de vierde categorie en begrepen niet waarom zij geen uitkering hebben ontvangen. In stukken die zij later in 2018 van PGB hebben gekregen, staat dat aan de vierde categorie geen uitkering is toegekend, omdat die groep medewerkers met de uitkering die zij bij hun ontslag hebben ontvangen zelf voor een pensioenaanvulling konden zorgen. [naam 2] van PGB heeft aan verzoekers 1 en 2, [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , op 13 april 2018 bericht dat zijn collega [naam 3] hen onjuist en onvolledig had voorgelicht en hij heeft daarvoor zijn excuses aangeboden.

1.6.

Op 5 augustus 2019 hebben [verzoekers] bij de rechtbank Den Haag een verzoekschrift ingediend tot het verkrijgen van documenten van de voormalig bestuurders van Stichting Boom Ruygrok I. Naar aanleiding daarvan heeft de toenmalige advocaat van de bestuurders aan de gemachtigde van [verzoekers] op 17 oktober 2019 geschreven dat de Stichting Boom Ruygrok I geen compensatie aan personen van categorie 4 heeft toegekend, tenzij die personen al voldeden aan de criteria van een hogere categorie. De heer [naam 1] viel primair in categorie 1 en daarom kwam een beoordeling als categorie 4 voor hem niet meer aan de orde, zo schreef de advocaat van de voormalig bestuurders van Stichting Boom Ruygrok I.

1.7.

De kantonrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Leiden, heeft bij beschikking van 5 december 2019 het verzoek van [verzoekers] afgewezen omdat volgens de voormalig bestuurders van Stichting Boom Ruygrok I alle documenten die zij hadden al waren afgegeven en er geen aanwijzingen waren voor het tegendeel.

1.8.

Op 24 juli 2020 heeft de toenmalige advocaat van de voormalig bestuurders van de Stichting Boom Ruygrok I op verzoek van de gemachtigde van [verzoekers] een aantal vragen beantwoord.

2 Het verzoek en de standpunten van partijen

2.1.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen. [verzoekers] wensen de volgende getuigen te laten horen:

  1. [naam 3] , werknemer van PGB,

  2. [naam 2] , werknemer van PGB,

  3. [naam 4] , werknemer van PGB,

  4. [verweerder 1] , verweerder 1,

  5. [verweerder 2] , verweerder 2,

  6. [verzoeker 1] , verzoeker 1,

  7. [naam 1] , voormalig werknemer van drukkerij Boom Ruygrok.

2.2.

[verzoekers] lichten het verzoek als volgt toe. Met het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor willen zij informatie verkrijgen die zij kunnen gebruiken in een eventuele, door hen aanhangig te maken procedure tegen verweerders. Zij stellen dat verweerders geen onderbouwing hebben voor hun stelling dat [verzoekers] niet in aanmerking komen voor de pensioencompensatie die wel aan andere gewezen medewerkers van de drukkerij is verstrekt door PGB. Volgens [verzoekers] hebben zij een vordering op verweerders, omdat het er ernstig op lijkt dat het in hun nadeel is misgegaan bij de verdeling, overheveling en uitkering van de gelden die van de Stichting Boom Ruygrok I via PGB zijn verdeeld onder bepaalde groepen van die gewezen medewerkers. Zij willen de te horen getuigen bevragen over de totstandkoming van de vier categorieën, de overheveling van de gelden en de opdracht aan PGB alsmede de feitelijk route naar de uitkeringen zoals die hebben plaatsgevonden. Ook hebben zij er vragen over dat aan [naam 1] wel een verhoogde pensioenuitkering is gedaan, terwijl hij eenzelfde vaststellingsovereenkomst heeft gesloten als [verzoekers] Ter zitting hebben [verzoekers] toegelicht dat zij verweerders verwijten ten onrechte geen uitkering te hebben ontvangen. Zij merken het handelen van de voormalig bestuurders van Stichting Boom Ruygrok I aan als onrechtmatig handelen en dat van PGB als wanprestatie/onrechtmatig handelen. Het gaat hen erom dat er bij de verdeling van de gelden sprake moet zijn van gelijke monniken, gelijke kappen.

2.3.

De voormalig bestuurders van de Stichting Boom Ruygrok I voeren daartegen het volgende aan. Om te beginnen hebben [verzoekers] in het verzoekschrift ten onrechte de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 5 december 2019 weggelaten. Verder hebben de voormalig bestuurders geen rechtsbetrekking met [verzoekers] en dient het verzoek geen belang, behalve om met een visexpeditie een ongegrond en zeer vaag vermoeden van onrechtmatig handelen handen en voeten te geven. [verzoekers] zijn vaag over de feiten waarvan volgens hen het bewijs nog ontbreekt en over de vorderingen die zij zouden hebben. Aan [verzoekers] is alle informatie die beschikbaar is verstrekt, zodat het houden van een voorlopig getuigenverhoor nodeloos is. De Stichting Boom Ruygrok I heeft in het kader van de beleidsvorming destijds de gepensioneerden in vier categorieën verdeeld, waarbij gemotiveerd is besloten gepensioneerden uit categorie 4 uit te sluiten (tenzij zij aan de voorwaarden van een hogere categorie voldeden, zoals de heer [naam 1] ). Vervolgens is aan de besluitvorming van de Stichting uitvoering gegeven door PGB. De voormalig bestuurders wijzen erop dat in de vaststellingsovereenkomsten tussen de Stichting en [verzoekers] , waarin compensatie van gestelde pensioenschade onderdeel van de betaalde vergoeding was, finale kwijting is opgenomen. [verzoekers] hebben al met al geen rechtens te respecteren belang bij hun verzoek, maken misbruik van hun bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor aan te vragen en handelen in strijd met de goede procesorde. De voormalig bestuurders concluderen tot afwijzing van het verzoek met hoofdelijke veroordeling van [verzoekers] in de werkelijk gemaakte proceskosten die zij begroten op € 6.050,- inclusief btw, subsidiair de proceskosten berekend volgens het liquidatietarief, en de nakosten, met rente.

2.4.

PGB voert het volgende verweer. [verzoekers] formuleren in hun verzoekschrift geen enkele concrete vraag, zij maken onvoldoende duidelijk wat zij willen onderzoeken en hun verzoek ontbeert dan ook een doel. De te horen medewerkers van PGB kunnen niets toevoegen aan de informatie die al bekend is bij [verzoekers] Verder hebben zij een aantal stukken die zij van PGB hebben gekregen ten onrechte niet bij het verzoekschrift gevoegd en zijn zij in het verzoekschrift ten onrechte niet ingegaan op het standpunt van PGB in deze kwestie. Ook hebben zij onvoldoende respectievelijk geen belang bij toewijzing van het verzoek. Een vordering op PGB heeft geen kans van slagen en de rechtspositie van [verzoekers] in een bodemprocedure zal te zwak zijn. PGB heeft slechts uitvoering gegeven aan een rechtsgeldig besluit van de Stichting. Zij heeft geen discretionaire bevoegdheid om aan [verzoekers] al dan niet een uitkering toe te kennen. PGB wordt nodeloos op kosten gejaagd. Zij concludeert tot afwijzing van het verzoek en hoofdelijke veroordeling van [verzoekers] in de proceskosten en nakosten, met rente.

3 De beoordeling

3.1.

Het uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is dat de rechter in beginsel op de voet van artikel 186 Rv, gelezen in samenhang met artikel 166 Rv, een getuigenverhoor beveelt zo vaak een partij dit verzoekt, indien de te bewijzen feiten zijn betwist, het bewijs daarvan door getuigen is toegelaten en de te bewijzen feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden. Het voorlopig getuigenverhoor strekt er vooral toe de verzoeker bij een eventueel naderhand aanhangig te maken bodemprocedure de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten en hem in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen. In beginsel heeft de verzoeker recht op een voorlopig getuigenverhoor behoudens het bestaan van een afwijzingsgrond zoals misbruik van bevoegdheid, strijd met de goede procesorde, geen procesbelang of het bestaan van een ander zwaarwichtig bezwaar.

3.2.

In dit geval hebben [verzoekers] onvoldoende onderbouwd dat zij belang hebben bij toewijzing van hun verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Uit de al vaststaande feiten volgt dat door de voormalig bestuurders van Stichting Boom Ruygrok I is besloten om de gelden die de Stichting ten tijde van de ontbinding nog ter beschikking stonden over te maken aan PGB, teneinde daaruit pensioenuitkeringen te doen aan voormalige werknemers van de drukkerij. Ook hebben zij besloten dat de uitkeringen werden gedaan aan medewerkers die in categorie 1 tot en met 3 vielen. Medewerkers die niet in één van deze categorieën vielen maar wel in categorie 4 zijn dus niet geselecteerd voor uitkering. De besluiten hebben de voormalig bestuurders genomen namens de Stichting. PGB is in overeenstemming met deze besluiten tot uitkering overgegaan.

3.3.

Iets anders kan uit de vaststaande feiten niet worden afgeleid. Uitgaande van die feiten heeft de Stichting de besluiten rechtsgeldig genomen. Van willekeur of onzorgvuldigheid getuigen de besluiten niet. Natuurlijk zouden [verzoekers] liever hebben gewild dat medewerkers in categorie 4 wel een aanspraak op uitkering zouden hebben, maar dat maakt niet dat de besluiten ongeldig zijn. Zij verwijten PGB ook niet dat PGB de uitvoering van die besluiten niet goed heeft gedaan.

3.4.

Wat [verzoekers] verweerders wel verwijten is dat zij ten onrechte geen uitkering hebben ontvangen. Dit verwijt lichten zij echter niet toe, anders dan dat zij stellen dat het er ernstig op lijkt dat het in hun nadeel is misgegaan bij de verdeling, overheveling en uitkering van de gelden van de Stichting Boom Ruygrok I. Als onderbouwing daarvan stellen zij dat de stukken, waaruit de besluitvorming en de uitvoering daarvan kan worden afgeleid, in hun ogen gebrekkig zijn en dat zij geen uitkering hebben ontvangen, maar [naam 1] wel. De uitleg van verweerders, dat er verder geen stukken zijn en dat [naam 1] in categorie 1 viel en daarom wel in aanmerking kwam, trekken zij in twijfel maar zij hebben die twijfel niet toegelicht. Hun vermoeden dat er iets in hun nadeel is misgegaan hebben [verzoekers] dan ook niet deugdelijk onderbouwd. Er zijn geen aanknopingspunten voor een mogelijke aansprakelijkheid van de voormalig bestuurders wegens onrechtmatig handelen jegens [verzoekers] of een onrechtmatig handelen danwel toerekenbare tekortkoming jegens hen door PGB. Het houden van een voorlopig getuigenverhoor zou een visexpeditie naar die concrete aanknopingspunten zijn, maar daarvoor is het voorlopig getuigenverhoor niet bedoeld.

3.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van [verzoekers] zal worden afgewezen wegens gebrek aan belang. De overige verweren hoeven met deze uitkomst geen bespreking meer.

3.6.

[verzoekers] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, moeten worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten van verweerders worden begroot met toepassing van het gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Er is onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken met een volledige proceskostenveroordeling. [verzoekers] zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het salaris van de gemachtigden van verweerders, dat voor elk van hen wordt begroot op € 300,-.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst het verzoek af,

II. veroordeelt [verzoekers] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de voormalig bestuurders van Stichting Boom Ruygrok I begroot op € 300,00 en aan de zijde van PGB eveneens begroot op € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de betekening van deze beschikking tot aan de voldoening,

III. veroordeelt [verzoekers] hoofdelijk tot betaling van de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van de beschikking, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [verzoekers] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan deze beschikking hebben voldaan en betekening van de beschikking pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden,

IV. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Walraven, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.