Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2769

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
13/023992-20
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte toonde op de Dam in Amsterdam in aanwezigheid van aangever een afbeelding van de Israëlische vlag waarin de blauwe davidster was vervangen door een kakkerlak. Openbaar Ministerie ontvankelijk. Vrijspraak van groepsbelediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/023992-20 (Promis)

Datum uitspraak: 14 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. Velleman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. W.H. Jebbink naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 juni 2018 te Amsterdam, zich in het openbaar bij afbeelding opzettelijk

beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden en/of Israëliërs wegens hun ras en/of godsdienst, door in het openbaar een bord te tonen met daarop de afbeelding van een blauwe kakkerlak met twee horizontale blauwe strepen.

3 Inleiding

Verdachte protesteert met enige regelmaat op straat in Amsterdam, naar eigen zeggen tegen het beleid van Israël ten aanzien van Palestina. Op 7 juni 2018 toonde hij in aanwezigheid van aangever [aangever] (hierna: aangever) een afbeelding van de Israëlische vlag waarin de blauwe davidster was vervangen door een kakkerlak (hierna: de kakkerlakvlag). Aangever heeft een Joodse achtergrond en heeft aangifte gedaan van belediging op basis van ras en/of godsdienst.

4 Voorvragen

4.1.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Verdachte heeft de kakkerlakvlag ook al eens in april 2018 getoond. Hij toonde toen ook een afbeelding van een Israëlische vlag waarin het midden van de vlag was vervangen door een nazivlag met een hakenkruis. De officier van justitie oordeelde toen dat het tonen van deze afbeelding van de vlag met het hakenkruis niet strafbaar is. Tegen dit oordeel werd een klacht conform artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend, welke klacht door het gerechtshof Amsterdam op 20 maart 2019 werd afgewezen. Het gerechtshof oordeelde dat de vervolging onvoldoende toegevoegde waarde had, omdat verdachte had verklaard dat hij geen gebruik meer zou maken van de afbeelding van de vlag met het hakenkruis. Hij besefte dat hiermee veel mensen werden gekwetst. Hetzelfde gold voor de afbeelding van de vlag met de kakkerlak. Volgens het gerechtshof waren er geen aanwijzingen dat verdachte toch in herhaling zou vallen.

Volgens de raadsman ziet de beslissing van het gerechtshof mede op het tonen van de kakkerlakvlag in juni 2018. De uiting in deze zaak verschilt niet van de uiting uit april 2018 en het dossier bevat geen verantwoording van de officier van justitie waarom hij in deze zaak wel tot vervolging is overgegaan.

Door verdachte te vervolgen voor de kakkerlakvlag, heeft de officier van justitie in strijd met het verbod op willekeur gehandeld. Niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie kan volgens de raadsman ook gegrond worden op de zelfstandige grond dat het vertrouwensbeginsel is geschonden.

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167 lid 1 Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Het Openbaar Ministerie heeft een ruime discretionaire bevoegdheid om te beslissen of een verdachte moet worden vervolgd. Deze vervolgingsbeslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen, dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Ten aanzien van het verbod op willekeur geldt voorts dat het ten onrechte niet vervolgen van derden van wie de gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen verdachte.

Niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie kan zich ook voordoen wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend.

Oordeel rechtbank

De rechtbank heeft op de zitting geconstateerd dat de artikel 12 procedure was gericht tegen de afbeelding met de Israëlische vlag met het hakenkruis en dat de officier van justitie tijdens die procedure geen strandpunt heeft ingenomen over de kakkerlakvlag.

De officier van justitie heeft op de zitting uitgelegd wat volgens hem het verschil is tussen de Israëlische vlag met het hakenkruis en de Israëlische vlag met de kakkerlak. Op de vlag met het hakenkruis is te zien dat de Israëlische vlag ‘opkrult’ en dat daaronder de nazivlag te zien is. Dit zijn twee nationale vlaggen. Met de afbeelding wordt volgens de officier van justitie uitgebeeld dat Israël een vermomming is van een nazi-achtige staat. Het betreft dus kritiek op de staat Israël. Op de kakkerlakvlag is de davidster, het symbool van het joodse volk, vervangen door een kakkerlak. Dit is volgens de officier van justitie aan te merken als belediging van een bevolkingsgroep.

Gelet op de uitleg van de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van willekeur, nu de toets dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, niet wordt gehaald. De officier van justitie heeft ook niet gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Niet is gebleken dat er door het Openbaar Ministerie uitlatingen zijn gedaan waardoor verdachte erop mocht vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank concludeert dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

4.2.

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5 Vrijspraak

5.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir -op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen. De door verdachte getoonde kakkerlakvlag heeft onmiskenbaar betrekking op een groep mensen, te weten alle Joden, dan wel alle Joden in Israël. De davidster is het symbool voor het Jodendom en het Joodse volk. Nu de davidster op de Israëlische vlag is vervangen door een kakkerlak, is volgens de officier van justitie de logisch af te leiden betekenis van de vlag dat (Israëlische) Joden kakkerlakken en ongedierte zijn. De duiding dat de vlag kritiek is op de staat Israël is minder sterk. De kakkerlak is immers een levend wezen en het gebruiken van de kakkerlak als symbool past rationeel en intuïtief meer bij het brandmerken van een groep mensen dan bij het karakteriseren van een politieke entiteit. De vlag is beledigend voor een groep mensen, te weten de (Israëlische) Joden, wegens hun ras.

Verdachte heeft de vlag getoond tijdens een demonstratie, wat maakt dat de context waarbinnen de uitlating is gedaan, het beledigende karakter van de uitlating in beginsel wegneemt. De uitlating van verdachte is echter onnodig grievend. Hij heeft de vlag getoond op de Dam in Amsterdam. Dit is uitgerekend de plek waar het nationale monument staat (mede) ter nagedachtenis aan het feit dat de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog als ongedierte zijn afgemaakt. Het opzet op de openbaarheid is volgens de officier van justitie evident. Verdachte had daarnaast ook opzet op het beledigen van een groep mensen. Door het hanteren van de uiterst suggestieve en generaliserende afbeelding heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een groep mensen zou worden beledigd.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – onder verwijzing naar de op schrift gestelde pleitnota – vrijspraak bepleit. Verdachte heeft zich niet beledigend uitgelaten over de Joden en/of Israëliërs. Hij heeft zijn kritiek geuit tegen de staat Israël in de context van het debat over Palestina en Israël. Dat de uitingen waren gericht op de staat Israël is ook volstrekt kenbaar uit de overige uitingen die verdachte tegelijkertijd heeft gedaan. De uiting van verdachte is verwerkt in de vlag van Israël. Een vlag van een land is een representatief symbool voor dat land. Naast Joden zijn er nog meer bevolkingsgroepen en religieuze groepen die onderdeel uitmaken van bevolking in Israël. De uiting van verdachte is dus niet onmiskenbaar gericht tegen een groep mensen.

Ook is er geen sprake van belediging wegens ras en/of godsdienst. Verdachte uitte met de vlag zijn kritiek op het niet naleven van het internationaal publiekrecht door de staat Israël en de mensenrechtensituatie in de door Israël bezette Palestijnse gebieden. Dat de kritiek zich louter richtte op Israël als staat wordt bevestigd door de context van de uiting, nu de overige uitingen van verdachte eveneens de politiek van de staat Israël als enig onderwerp hadden.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de uitlating van verdachte voldoet aan de vereisten van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarin belediging van een groep strafbaar is gesteld. De rechtbank stelt daarbij voorop dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder andere ECLI:NL:HR:2018:541) toetsingscriteria zijn ontwikkeld met betrekking tot de vraag of sprake is van belediging van een groep mensen. Deze sluit aan bij het door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ontwikkelde stappenplan om klachten over schending van vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te beoordelen. Achtereenvolgend moeten de volgende vragen worden beantwoord:

  1. heeft de uitlating – op zichzelf en in de context bezien – de strekking om een groep mensen te beledigen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging, hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke of verstandelijke handicap? Zo ja,

  2. is de uitlating gedaan in een bepaalde context die het beledigend karakter daarvan mogelijk wegneemt vanwege het in artikel 10 lid 1 EVRM verzekerde recht op meningsuiting? Zo ja,

  3. moet de uitlating niettemin als onnodig grievend worden aangemerkt?

Stap 1: beledigend karakter

Voor de beoordeling of sprake is van groepsbelediging moet allereest worden gekeken naar de feitelijke uitlating en naar de samenhang met de overige omstandigheden. Om te beoordelen of een uitlating woordelijk beledigend is, dient een objectieve toets plaats te vinden waarbij van belang is of een uitlating naar algemeen spraakgebruik beledigend is. De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen (ECLI:HR:2001:AB3143). De uitlating moet daarnaast over een groep mensen of haar kenmerk gaan.

Verdachte heeft tijdens een demonstratie op de Dam in Amsterdam een afbeelding van een Israëlische vlag getoond, waarbij de davidster is vervangen door een kakkerlak. De rechtbank stelt voorop dat de bedoeling achter een afbeelding van interpretatie afhankelijk is.

De kakkerlak is verwerkt in de Israëlische vlag, wat er in beginsel op duidt dat de uiting ziet op de staat Israël. Verdachte heeft zowel bij de politie als op de zitting verklaard dat hij demonstreert tegen de staat Israël en zijn politieke beleid en dat hij wil dat Nederland iets doet aan de problemen van de Palestijnen. De afbeelding met de vlag was volgens verdachte niet tegen personen gericht. Dat de uiting van verdachte was gericht tegen de staat Israël en het politieke beleid aldaar, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de overige uitingen van verdachte. Zo zijn er foto’s in het dossier gevoegd waarop te zien is dat verdachte een bord draagt met de tekst: “Free Palestine, boycott Israël” en een T-shirt met de tekst: “free Palestine, end apartheid”.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de uitlating van verdachte niet onmiskenbaar is gericht tegen een bevolkingsgroep, te weten Joden en/of Israëliërs, zodat niet wordt voldaan aan het eerste toetsingscriterium.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het feit niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] vordert € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade en € 1.815,- aan vergoeding van proceskosten. De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Verdachte wordt vrijgesproken. Aan verdachte wordt dus ook geen straf of maatregel opgelegd en ook artikel 9a Sr wordt niet toegepast. Op grond van artikel 361 Sv is de vordering van de benadeelde partij in dat geval niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan zijn vordering eventueel nog aan de civiele rechter voorleggen.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. P.L.C.M. Ficq en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 mei 2021.