Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2762

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
13.751.157-21
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Pools executie-EAB, artikel 12 OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.157-21

RK nummer: 21/868

Datum uitspraak: 15 april 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 februari 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 27 november 2020 door the Regional Court of Law in Częstochowa (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,

opgegeven verblijfadres: [adres opgeëiste persoon]

gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 april 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is via telehoren gehoord en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een cumulative judgment of the District Court of Law in Myszków van 6 november 2018 met zaaknummer II K 361/18.

Aan dit verzamelvonnis liggen de navolgende vonnissen ten grondslag:

  1. the judgment of the District Court in Zawiercie van 24 februari 2005 met zaaknummer II K 427/04;

  2. the judgment of the District Court in Zawiercie van 26 september 2012 met zaaknummer II K 38/12;

  3. the judgment of the District Court in Zawiercie van 28 januari 2013 met zaaknummer II K 555/12;

  4. the judgment of the District Court in Zawiercie van 27 november 2014 met zaaknummer II K 906/14;

  5. the judgment of the District Court in Zawiercie van 16 februari 2017 met zaaknummer II K 37816;

  6. the judgment of the District Court in Zawiercie van 27 februari 2017 met zaaknummer II K 410/16.

Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het processen die tot het verzamelvonnis en de vonnissen A, B en D hebben geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van dertien jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven jaar, zes maanden en 18 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1

Inleiding

4.1.1

De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, Stb. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader van onder het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken.

4.1.2

In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

4.1.3

Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.1.4

Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.

4.1.5

In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand doen van het recht van een verdachte om in

persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.1

4.1.6

In het kader van de in overweging 4.1.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.

Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie2 of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden.3 Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.4

4.1.7

De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.5

4.1.8

Komt de rechtbank na de in de overwegingen 4.1.4 - 4.1.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met f, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd voor vonnis E. De opgeëiste persoon is weliswaar in persoon opgeroepen voor de zitting in eerste aanleg, maar er heeft ook een appelprocedure plaatsgevonden. Het is niet duidelijk of de opgeëiste persoon daarvoor is opgeroepen dan wel of hij in persoon op die zitting aanwezig was.

4.3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich alleen voordoet met betrekking tot vonnis E en de overlevering voor dit vonnis dan ook kan worden geweigerd. Het verzamelvonnis kan dienovereenkomstig in Polen worden aangepast.

4.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen die tot de vonnissen B, C, E en F hebben geleid.

Ten aanzien van vonnis B

Uit het EAB blijkt dat een door de opgeëiste persoon gemachtigd advocaat op zitting de verdediging heeft gevoerd. De omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW doet zich dus voor, waardoor de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing is.

Ten aanzien van vonnis C

Uit het EAB blijkt dat het vonnis op 6 februari 2013 aan de opgeëiste persoon in persoon is uitgereikt en dat de opgeëiste persoon daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft geen verzet of hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW zich voordoet en de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing is.

Ten aanzien van vonnis E

Uit het EAB en de aanvullende stukken blijkt dat een advocaat namens de opgeëiste persoon op de zitting in hoger beroep zijn verdediging heeft gevoerd. De rechtbank kan echter niet vaststellen of de advocaat daartoe ook door de opgeëiste persoon was gemachtigd en dus of de omstandigheid als bedoeld onder artikel 12, onder b, OLW zich voordoet. De opgeëiste persoon heeft desgevraagd verklaard dat hij een toegevoegd advocaat had, maar dat hij niet weet wat die advocaat heeft gedaan. De opgeëiste persoon had toentertijd psychische problemen en was in een inrichting opgesloten.

De rechtbank is verder ook niet gebleken dat één van de overige omstandigheden onder artikel 12 OLW, zich heeft voorgedaan. Een garantie zoals bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is niet verstrekt.

Het voorgaande betekent dat de overlevering kan worden geweigerd. Omdat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten impliceert, zal zij de overlevering ten aanzien van vonnis E weigeren.

Ten aanzien van vonnis F

Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in is persoon opgeroepen voor de zitting. Dit betekent dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW zich voordoet en de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet aan de orde is.

5 Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten waarop de vonnissen A., B., C., D. en F. op zien niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Vonnis A:

  • -

    zware mishandeling / poging tot doodslag

  • -

    diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

  • -

    diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd

Vonnis B:

- medeplegen van poging tot zware mishandeling

Vonnis C:

- overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994

Vonnis D:

  • -

    overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994

  • -

    overtreding van artikel 9, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994

Vonnis F:

  • -

    medeplegen van opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

  • -

    het in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen

6 Overige verweren

6.1

Specialiteitsbeginsel

De raadsman heeft betoogd dat het verzamelvonnis zal moeten worden aangepast na de overlevering, nu op grond van artikel 12 OLW de overlevering ten aanzien van vonnis E moet worden Dit levert problemen op, omdat – blijken een recente uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2020:4955) – het verzamelvonnis na de overlevering niet kan worden aangepast. Dat betekent dat de overlevering in zijn geheel moet worden geweigerd.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer niet slaagt. In de door de raadsman aangehaalde uitspraak werd de overlevering niet geweigerd, omdat het in Polen niet mogelijk is om een verzamelvonnis aan te passen. De overlevering werd geweigerd, omdat de Poolse autoriteiten hadden laten weten dat zij van deze mogelijkheid geen gebruik zouden maken. Een dergelijke mededeling is hier niet gedaan.

6.2

Artikel 11 OLW

De rechtbank merkt op dat met de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet, ook artikel 11 OLW is gewijzigd. Het eerste lid van dit artikel luidt nu als volgt:

Aan een Europees aanhoudingsbevel wordt geen gevolg gegeven in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.

De rechtbank is niet gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden en dat als gevolg daarvan zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast dan wel dat na overlevering een reëel gevaar bestaat dat zijn door het Handvest gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.6

De weigeringsgrond van artikel 11 OLW is dan ook niet van toepassing.

7 Slotsom

Nu ten aanzien van het verzamelvonnis en de vonnissen A, B, C, D en F (die aan het

verzamelvonnis ten grondslag liggen) is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor vonnis E moet zij worden geweigerd.

De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 47, 138, 287, 302, 311, 312 en 350 Wetboek van Strafrecht, 8 en 175 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Law in Częstochowa (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dat gedeelte van het verzamelvonnis van 6 november 2018 met zaaknummer II K 361/18, dat ziet op de feiten waarop de vonnissen A (II K 427/05), B (II K 38/12), C (II K 555/12), D (II K 906/14) en
F (II K 410/16) betrekking hebben.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van het verzamelvonnis van 6 november 2018 met zaaknummer II K 361/18, dat ziet op de feiten waarop vonnis E (II K 378/16) betrekking hebben. Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. N.M. van Waterschoot en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 april 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=178582&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=102487)(Dworzecki), punt 42.

2 Dworzecki, punt 51.

3 HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (Generalstaatsanwaltschaft Hamburg), punt 52.

4 Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, punt 53.

5 HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 74.

6 Zie voor de toetsingskaders: rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:179 resp. rechtbank Amsterdam, 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420