Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2754

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
13/751050-20
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Poolse vervolgings-EAB, overlevering toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751050-20

RK nummer: 20/4830

Datum uitspraak: 20 mei 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 oktober 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2019 door the Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De zittingen van 1 en 2 december 2020

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 1 en 2 december 2020 in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 november 2020 (C-510/19, ECLI:EU:C:2020:953) in tegenwoordigheid van de officieren van justitie mrs. K. van der Schaft en M. Diependaal. De opgeëiste persoon en zijn raadsman zijn niet ter zitting verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst tot 10 december 2020. De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen en de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW (oud) uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Zitting van 10 december 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 december 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Gorsselink, advocaat te Venlo, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW (oud) uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Het onderzoek is voor onbepaalde tijd geschorst om de beantwoording van prejudiciële vragen die de rechtbank in de zaken L en P heeft gesteld, af te wachten1.

Tevens is de schorsing van de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.

Zitting van 6 mei 2021

De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 6 mei 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.H. Peute, advocaat te Venlo, die waarneemt voor mr. E. Gorsselink, en door een tolk in de Poolse taal.

Met instemming van de officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 10 december 2020.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten een Decision of the District Court Poznań-Stare Miasto in Poznań van 17 juli 2019 (referentienummers: VIII Kp 454/19 en II Kp 41/19).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

De raadsman heeft aangevoerd dat de omschrijving van de feiten in het EAB niet genoegzaam is. In onderdeel e) van het EAB staat dat het EAB ziet op ‘one offence’, maar vervolgens worden er acht verschillende feiten opgesomd. Aangezien niet duidelijk is waar het overleveringsverzoek precies op ziet, moet volgens de raadsman de overlevering worden geweigerd.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet slaagt.

Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Kort gezegd wordt de opgeëiste persoon er in Polen van verdacht dat hij in de periode van 1 april 2014 en 8 maart 2017 als koerier deel uitmaakte van een criminele organisatie die tot doel had de handel in verdovende middelen (amfetaminen en XTC-tabletten). De opgeëiste persoon wordt er daarnaast van verdacht dat hij in die periode vijf keer verdovende middelen naar Polen heeft gebracht (vanuit Nederland) en één keer vanuit Nederland naar België, alwaar hij de drugs aan ene [persoon] heeft overhandigd. Verder heeft hij in voornoemde periode één keer 3000 XTC-tabletten opgeslagen voor een mededader.

Naar het oordeel van de rechtbank is het op basis van deze omschrijving voor de opgeëiste persoon duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.

Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.

De rechtbank overweegt dat op 1 april 2021 de Herimplementatiewet in werking is getreden. Nu deze wet geen overgangsrecht bevat, heeft zij onmiddellijke werking. Omdat deze uitspraak na
1 april 2021 wordt gedaan, vindt de beoordeling plaats aan de hand van de per 1 april 2021 gewijzigde OLW Met de inwerkingtreding van voornoemde Herimplementatiewet is artikel
13 OLW veranderd van een dwingende weigeringsgrond in een facultatieve weigeringsgrond. Het tweede lid van artikel 13 OLW - dat betrekking had op de vordering van de officier van justitie - is komen te vervallen.

De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

- het onderzoek is in Polen aangevangen;

- de bewijzen zijn in Polen, en

- de verdovende middelen zijn in Polen ingevoerd.

Bovendien is het Openbaar Ministerie niet voornemens de opgeëiste persoon in Nederland te vervolgen.

De rechtbank stelt voorop dat:

- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn;

- de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten vormt daarom het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, aanhef en onder b, OLW, nu ten aanzien van de feiten 7 en 8 weliswaar sprake is van feiten die volledig buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat zijn gepleegd, maar naar Nederlands recht vervolging zou kunnen worden ingesteld indien de feiten buiten Nederland zouden zijn gepleegd.

6 Artikel 11 OLW; artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie

De raadsman heeft zich ter zitting ten aanzien van deze weigeringsgrond aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. De opgeëiste persoon kan geen concrete feiten en omstandigheden aanvoeren betreffende zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht en de feitelijke context van de uitvaardiging van het EAB, op grond waarvan zijn overlevering, gelet op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), achterwege zou moeten blijven.

De rechtbank merkt op dat met de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet ook artikel 11 OLW gewijzigd. Het eerste lid van dit artikel luidt nu als volgt:

Aan een Europees aanhoudingsbevel wordt geen gevolg gegeven in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.

Door de opgeëiste persoon zijn geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd betreffende zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht en de feitelijke context van de uitvaardiging van het EAB, op grond waarvan zijn overlevering, mede gelet op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, achterwege zou moeten blijven2.

De rechtbank is niet gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn recht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en hij geen eerlijk proces zal krijgen, dan wel dat zijn door het Handvest gewaarborgde grondrechten anderszins zullen worden geschonden.

De weigeringsgrond van artikel 11 OLW is niet van toepassing.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań (Polen).

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en M.C.M. Hamer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 mei 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Hof van Justitie van de Europese Unie, 17 december 2020, C-354/20 PPU (L) en C-412/20 PPU (P), ECLI:EU:C:2020:1033

2 Zie voor het toetsingskader: rechtbank Amsterdam, 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420