Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2736

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
13/751617-18
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Verenigd Koninkrijk. TKG verstrekt. Verweer art. 13 OLW verworpen. Verweer Brexit verworpen. Verweer detentieomstandigheden verworpen. OL toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751617-18

RK-nummer: 18/5693

Datum uitspraak: 25 mei 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juni 2018 door de Justice of the Peace sitting at Birmingham Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna: Verenigd Koninkrijk) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 12 oktober 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst om de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) af te wachten die zijn gesteld in de zaak C-314/18 (SF).

Zitting 8 januari 2021

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 8 januari 2021 in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon is evenmin verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst, nu de raadsvrouw van de opgeëiste persoon op voorhand de rechtbank een schriftelijk aanhoudingsverzoek heeft doen toekomen en de officier van justitie zich niet tegen schorsing heeft verzet. De opgeëiste persoon wilde graag bij de zitting aanwezig zijn, maar had last van coronaklachten.

Zitting 23 februari 2021

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de openbare zitting van 23 februari 2021 in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. M. Bouwman, advocaat te Amsterdam, die waarneemt voor de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. S. Pijl.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de op 2 december 2020 door de Director General (Prisons) HM Prison and Probation Service verstrekte terugkeergarantie.

Zitting 11 mei 2021

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de openbare zitting van 11 mei 2021 in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel, te weten een warrant of arrest at first instance van 26 juni 2018, uitgevaardigd door de Birmingham City Magistrates Court.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens en de aanvullende informatie, te weten de e-mail van de specialist prosecutor van de International Justice and Organised Crime Division van 12 september 2018, is op deze feiten naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Secretary of State, Home Office, International Criminality Unit, London, heeft op 4 maart 2021 de volgende garantie gegeven:

The UK undertakes that should [opgeëiste persoon] receive a custodial sentence in the UK, he will, in accordance with section 153C of the Extradition Act 2003, be returned to the Netherlands as soon as is reasonably practicable after the sentencing process in the UK has been completed, unless concrete grounds relating to his rights of defence or to the proper administration of justice make his presence in the UK essential pending a definitive decision on any procedural step coming within the scope of the criminal proceedings relating to the offence underlying the European Arrest Warrant. Such procedural steps may include:

(a) The exhaustion of any available avenues of appeal;

(b) Consideration of confiscation; and

(c) The procedure for setting any period of imprisonment which will fall to be served in default of payment of any financial penalty.

Full details of any sentence imposed on [opgeëiste persoon] will be provided when he is returned to the Netherlands.

De rechtbank acht de hiervoor vermelde garantie, evenals in andere uitspraken waarin eenzelfde garantie was afgegeven door deze Britse autoriteit, voldoende.1

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Aan deze voorwaarde is voldaan. De onder 4 bedoelde feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en kunnen worden gekwalificeerd als:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Standpunt van de officier van justitie


Met een beroep op artikel 13, tweede lid (oud), OLW heeft de officier van justitie op de zitting van 12 oktober 2018 gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk plaats te vinden. De volgende argumenten zijn aangevoerd:

  • -

    het onderzoek is in het Verenigd Koninkrijk aangevangen;

  • -

    de medeverdachten worden in het Verenigd Koninkrijk vervolgd;

  • -

    het bewijs bevindt zich in het Verenigd Koninkrijk;

  • -

    de verdovende middelen waren bestemd voor het Verenigd Koninkrijk, en:

  • -

    de rechtsorde is in het Verenigd Koninkrijk geschokt.

De officier van justitie heeft voorts medegedeeld dat de opgeëiste persoon niet in Nederland voor de onderhavige feiten zal worden vervolgd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. De raadsvrouw heeft hieromtrent onder meer aangevoerd dat het feitencomplex zich met betrekking tot de opgeëiste persoon volledig op Nederlands grondgebied heeft afgespeeld. De opgeëiste persoon heeft daarnaast zowel in de overleveringsprocedure, als bij de Nederlandse politie, reeds verklaringen afgelegd over de feiten waarvan hij wordt verdacht.

Oordeel van de rechtbank

Met de (onmiddellijke) inwerkingtreding op 1 april 2021 van de Herimplementatiewet is artikel 13 OLW veranderd van een dwingende weigeringsgrond in een facultatieve weigeringsgrond. Het tweede lid van artikel 13 OLW – dat betrekking had op de vordering van de officier van justitie – is komen te vervallen. De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn en voorts dat de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten vormt daarom het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.


Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

7 Brexit

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. Met betrekking tot de situatie van de opgeëiste persoon is geen regeling opgenomen in het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie2 (hierna: het Akkoord) en Kaderbesluit 2002/584/JBZ3 (hierna: Kaderbesluit EAB). Gezien de uitspraak van deze rechtbank van 20 oktober 20204 was het Verenigd Koninkrijk, gelet op artikel 127, eerste lid jo. artikel 62 van het Akkoord, slechts tot 1 januari 2021 gebonden aan het Kaderbesluit EAB. Deze datum is inmiddels verstreken. Een analoge toepassing van de uitspraak van het HvJ EU van 19 september 2018 (RO)5 is daarom in het onderhavige geval niet mogelijk.

Daarnaast is de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk6 (hierna: de Overeenkomst) niet van toepassing op de situatie van de opgeëiste persoon. De daarin beschreven overleveringsprocedure is, voor zover de verdediging heeft kunnen nagaan, nog niet geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. Voorts is die procedure, gelet op artikel 112 van de Overeenkomst, enkel van toepassing op EAB’s die overeenkomstig het Kaderbesluit EAB zijn uitgevaardigd vóór het eind van de transitieperiode, indien de opgeëiste persoon niet voor het eind van de overgangsperiode is aangehouden. Het onderhavige EAB is wellicht uitgevaardigd vóór 1 januari 2021, maar de opgeëiste persoon is ook voor die datum aangehouden.

Subsidiair, indien de rechtbank tot de conclusie komt dat er een grondslag bestaat om het Kaderbesluit EAB toe te passen, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd gelet op artikel 5 van de OLW. Het Verenigd Koninkrijk maakt geen deel meer uit van de Europese Unie (hierna: EU), is niet langer gehouden aan het Unierecht en kan dan ook onmogelijk worden aangemerkt als een uitvaardigende justitiële autoriteit van een andere lidstaat van de EU. Daarbij is van belang dat de Overeenkomst geen bepaling kent als artikel 127, zesde lid van het Akkoord, waaruit volgt dat waar wordt gesproken over lidstaten tijdens de overgangsperiode ook het Verenigd Koninkrijk wordt begrepen. Aan een basisvoorwaarde voor overlevering, verankerd in nationale wetgeving, is dan ook niet voldaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw verwezen naar de Kamerbrief implementatieverplichtingen van de Overeenkomst van 14 januari 2021.7

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon kan worden toegestaan. Op grond van artikel 62 van het Akkoord blijft het Kaderbesluit EAB ook ná het verstrijken van de overgangsperiode van toepassing op de behandeling van een EAB van een opgeëiste persoon, die vóór het verstrijken van de overgangsperiode is aangehouden. Het Kaderbesluit EAB is dus van toepassing op de opgeëiste persoon. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de officier van justitie verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 februari 2021.8

Het oordeel van de rechtbank

Onder verwijzing naar uitspraken van deze rechtbank van onder meer 18 februari 20219 stelt de rechtbank zich op het standpunt dat uit de overgangsregeling van het Akkoord blijkt dat het Kaderbesluit EAB van toepassing blijft op opgeëiste personen die op basis van een EAB uit het Verenigd Koninkrijk zijn aangehouden vóór het verstrijken van de overgangsperiode op 31 december 2020. Een redelijke en verdragsconforme uitleg van de bepalingen van het Kaderbesluit EAB en artikel 5 van de OLW brengt mee dat het Verenigd Koninkrijk bij de toepassing van de overgangsregeling moet worden aangemerkt als lidstaat van de EU. Dit geldt slechts voor de overgangsgevallen en is dus van beperkte duur. Een dergelijke verdragsconforme uitleg is naar het oordeel van de rechtbank niet contra legem. Het stuk waarnaar de raadsvrouw heeft verwezen, te weten de Kamerbrief implementatieverplichtingen van de Overeenkomst van 14 januari 2021, maakt dit niet anders.

Vast staat dat de opgeëiste persoon voor het einde van de hiervoor genoemde overgangsperiode is aangehouden ingevolge het door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk uitgevaardigd EAB, te weten op 14 augustus 2018. Hiermee is aan de voorwaarde van artikel 62 van het Akkoord voldaan.

De rechtbank verwerpt het primaire en subsidiaire verweer.

8 Detentieomstandigheden

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot overlevering dient te worden aangehouden om aanvullende informatie op te vragen bij de uitvaardigende autoriteit in het licht van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben bij brief van 2 december 2020 kenbaar gemaakt dat de opgeëiste persoon waarschijnlijk zal worden gedetineerd in HMP/YOI Brinsford. Nu het Verenigd Koninkrijk geen onderdeel meer uitmaakt van de EU heeft dit implicaties voor de interpretatie van deze garantie, gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen. Voorts is op grond van het rapport van de European Committee for the Prevention of Tortureand Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van 30 april 2020 sprake van structurele en fundamentele gebreken ten aanzien van de detentieomstandigheden in het Vereniging Koninkrijk in het algemeen, en specifiek in HMP/YOI Brinsford. Op basis hiervan bestaat er een reëel gevaar dat de opgeëiste persoon wordt onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. De verbeteringen die worden genoemd in het Annual Report of the Independent Monitoring Board at HMP/YOI Brinsford10 (hierna: Annual Report) zijn slechts gevolgen van maatregelen die zijn getroffen in het licht van het coronavirus.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot aanhouding op grond van artikel 4 van het Handvest dient te worden afgewezen. In het licht van het Annual Report is op te maken dat HMP/YOI Brinsford een veilige gevangenis betreft, waar gedetineerden goed worden behandeld. Op grond van deze informatie en bij gebreke van andere actuele gegevens, is de officier van justitie van oordeel dat geen sprake is van een algemeen gevaar voor gedetineerden in deze instelling.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op hetgeen het HvJ EU in de zaak ML11 heeft geoordeeld, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis.

De Britse autoriteiten hebben aangegeven dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst in HMP/YOI Brinsford, omdat hij in de regio West Midlands zal worden berecht.

Gelet hierop, dient de rechtbank in de onderhavige zaak alleen de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting HMP/YOI Brinsford te onderzoeken. De rechtbank concludeert dat, mede gelet op de door de verdediging en het Openbaar Ministerie ingebrachte stukken, te weten het CPT rapport en het Annual Report, er geen sprake is van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die in de penitentiaire inrichting HMP/YOI Brinsford zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld.

Voorts is de rechtbank niet gebleken dat ten aanzien van deze penitentiaire inrichting een Urgent Notification Procedure is gestart door de HM Chief lnspector of Prisons, zoals het geval was bij de gevangenis van (onder meer) Bedford. Ook is niet gebleken dat niet voldoende voorzorgsmaatregelen worden getroffen om een corona-uitbraak te voorkomen.

Gelet op het vorenstaande slaagt het verweer niet. De rechtbank ziet geen grond om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden in HMP/YOI Brinsford.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Justice of the Peace sitting at Birmingham Magistrates’ Court.

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en N.M. van Waterschoot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 mei 2021.

De oudste rechter is buiten staat

deze beslissing mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Zie onder meer: Rb. Amsterdam 18 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1403.

2 Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van 31 januari 2020, L 29/7.

3 Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - Verklaringen van sommige lidstaten bij de aanneming van het kaderbesluit, L 190/1.

4 Rb. Amsterdam 20 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5051.

5 HvJ EU 19 september 2018, zaak C-327/18 PPU, ECLI:EU:C: 2018:733 (RO).

6 Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds van 31 december 2020, L 444/14.

7 ‘Kamerbrief implementatieverplichtingen Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU-VK’ van 14 februari 2021, kenmerk 3178167.

8 Rb. Amsterdam 16 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:667.

9 Rb. Amsterdam 18 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1403.

10 Annual Report of the Independent Monitoring Board at HMP/YOI Brinsford, reporting year 1 July 2019 to 30 June 2020’, januari 2021.

11 HvJ 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 (ML).