Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2735

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
13/266818-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beledigingen van politieambtenaren en mishandeling. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met bijzondere voorwaarden. Dadelijk uitvoerbaar. In de civielrechtelijke procedure naast deze strafzaak is een zorgmachtiging verleend voor 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/266818-20 (A); 13/259795-20 (B) en 13/278354-20 (C)

Datum uitspraak: 14 mei 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

gedetineerd in [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 november 2020, 28 januari 2021 en 18 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van der Hart en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort gezegd – beschuldigd van:

Zaak A:

Feit 1: bedreiging van [aangever 1] op 24 oktober 2020 te Amsterdam;

Feit 2: bedreiging (primair) of belediging (subsidiair) van [aangever 2] op 24 oktober 2020 te Amsterdam;

Zaak B:

belediging van politieambtenaren [politieambtenaar 1] , [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] op 17 oktober 2020 te Amsterdam;

Zaak C:

mishandeling van [aangever 3] op 12 augustus 2020 te Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage van dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde in zaak A onder feit 1 en feit 2 primair en zaken B en C wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Zaak A feit 1

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat verdachte mondkapjes van de balie sloeg, zich bij de toegangsdeur heeft omgedraaid en hem toen heeft bedreigd door hem dreigend de woorden toe te voegen: “Je weet niet wie ik ben. Ik maak jullie dood. Ik ga jullie doodmaken. Ik heb al veel mensen doodgemaakt. Je gaat zien”. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij tegen aangever zei: “Als die man niet wordt aangehouden maak ik jullie allemaal af”. Op grond van voornoemde omstandigheden kon bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat zijn leven gevaar liep. De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging dan ook wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van verdachte ter terechtzitting, dat hij dat hij zich niets meer kan herinneren van de gebeurtenis, doet aan het oordeel van de rechtbank niet af.

Zaak A feit 2

De rechtbank stelt op grond van de verklaring van aangever [aangever 2] en de verklaringen van verdachte vast dat verdachte, na te zijn aangehouden wegens bedreiging van verbalisant [aangever 1] , aangever op 24 oktober 2020 door het luik van de cel waarin hij was geplaatst in zijn gezicht heeft gespuugd, waarbij het spuug op aangevers voorhoofd terecht is gekomen. Aangever heeft zich zorgen gemaakt om zijn gezondheid vanwege een mogelijke besmetting met het coronavirus. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat aangever als gevolg van zijn handelen ziek had kunnen worden, indien hij besmet was geweest met het coronavirus.

De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat spugen in het gezicht naar haar aard een gedraging is die niet zonder meer kan worden aangemerkt als bedreiging. In dat verband is echter van belang dat niet is uitgesloten dat de feiten en omstandigheden grond kunnen bieden voor het aannemen van een bedreiging. Daarvoor is dan wel vereist dat de rechtbank in haar motivering tot uitdrukking brengt dat de ten laste gelegde gedraging kan worden aangemerkt als een bedreiging.

Met de officier van justitie, is de rechtbank op grond van voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat bij aangever onder voornoemde omstandigheden in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat het coronavirus Nederland ten tijde van het ten laste gelegde al maandenlang in zijn greep hield. Het was op dat moment een feit van algemene bekendheid dat de kans op besmetting reëel is indien een met het coronavirus besmet persoon spuugt in het gezicht van een ander. Door in het gezicht van aangever te spugen in een tijd waarin het coronavirus heerst heeft verdachte (minstens) bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zich bedreigd zou voelen.

Zaak B:

Op grond van de verklaringen van politieambtenaren [politieambtenaar 1] , [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] acht de rechtbank bewezen dat verdachte hen heeft beledigd door hen de woorden toe te voegen: “Ik neuk jullie kanker moeders. Ik neuk jullie kanker kinderen. Ik laat jullie verdwijnen en jullie kankerfamilie. Schiet mij maar dood. Pak jullie wapens maar en kijk maar of ze afgaan. Jullie zijn kanker nazi's”. De verklaringen van de politieambtenaren ondersteunen elkaar onderling.

Zaak C:

De rechtbank stelt vast, op grond van de verklaring van aangever [aangever 3] en de door verdachte afgelegde verklaring tegenover de politie, dat verdachte aangever met een ruitenwisser tegen zijn armen en schouder heeft geslagen. Aangever had als gevolg van het handelen van verdachte pijn en bij aangever is letsel geconstateerd. In een proces-verbaal waarin wordt beschreven wat te zien is op camerabeelden van het tankstation, hebben verbalisanten opgetekend dat te zien is dat verdachte aangever slaat met een ruitenwisser. Twee verbalisanten herkennen verdachte op de beelden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich de gebeurtenis niet meer kan herinneren, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de tegenover de politie afgelegde verklaring van verdachte te twijfelen. Mishandeling is daarom bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Zaak A

Feit 1

op 24 oktober 2020 te Amsterdam [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen: “je weet niet wie ik ben. Ik maak jullie dood. Ik ga jullie doodmaken. Ik heb al veel mensen doodgemaakt. Je gaat zien”;

Feit 2 primair

op 24 oktober 2020 te Amsterdam [aangever 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door in het gezicht van die [aangever 2] te spugen;

Zaak B

op 17 oktober 2020 te Amsterdam opzettelijk meerdere politieambtenaren, te weten [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: “Ik neuk jullie kanker moeders. Ik neuk jullie kanker kinderen. Ik laat jullie verdwijnen en jullie kankerfamilie. Schiet mij maar dood. Pak jullie wapens maar en kijk maar of ze afgaan. Jullie zijn kanker nazi's”;

Zaak C

op 12 augustus 2020 te Amsterdam [aangever 3] heeft mishandeld door hem met een ruitenwisser tegen de armen en schouder te slaan;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het ten laste gelegde in zaak A verdachte niet kan worden toegerekend, omdat de psychiater heeft geconcludeerd dat verdachte volledig handelde vanuit een psychose. Ten tijde van het ten laste gelegde in zaken B en C is de psychotische stoornis van verdachte mogelijk van invloed geweest op zijn handelen, maar niet is gebleken dat de stoornis het handelen van verdachte volledig heeft beheerst.

6.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat verdachte op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht voor alle ten laste gelegde feiten als ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte (volledig) uitsluiten voor het bewezenverklaarde in zaken B en C. Verdachte is daarom strafbaar voor deze feiten.

Ten aanzien van zaak A overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 12 maart 2021, opgesteld door psychiater E. Kuiper onder supervisie van psychiater M. van Berkel in zaak A.

De psychiater heeft, kort gezegd, gerapporteerd dat verdachte onder invloed van psychotische belevingen agressief gedrag vertoont. Geconcludeerd wordt dat verdachte lijdt aan een psychotische stoornis en aan een stoornis in het gebruik van cannabis. Daarnaast is verdachte zwakbegaafd. De gedragskeuzes van verdachte werden ten tijde van het ten laste gelegde volledig beheerst door de bij verdachte vastgestelde stoornissen en de daarmee samenhangende psychotische gedachten van verdachte, welke gedachten ook gericht zijn tegen de politie. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde, bij een bewezenverklaring, in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank volgt de conclusie uit de Pro Justitia rapportage en oordeelt dat het ten laste gelegde verdachte niet kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte voor de bewezenverklaarde bedreigingen in zaak A daarom volledig ontoerekeningsvatbaar. Verdachte is niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor deze feiten.

7 Motivering van de straf

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor de in zaken B en C ten laste gelegde feiten een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken moet worden opgelegd, met daaraan gekoppeld een proeftijd van twee jaren. Zij heeft gevorderd dat hieraan – naast de standaard voorwaarden – de volgende aanvullende voorwaarden worden verbonden: een meldplicht bij reclassering Inforsa, een klinische opname, ambulante behandeling na afloop van een klinische opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole.

7.2

Strafmaatverweer van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen straf kan worden opgelegd, omdat alle ten laste gelegde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend. Verder heeft hij benadrukt dat begeleid wonen of maatschappelijke opvang als bijzondere voorwaarde niet nodig is, omdat verdachte al jarenlang een eigen woonplek heeft.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in de zaak met rekestnummer 20-8986, die tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) is verleend voor de duur van zes maanden. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan beledigingen van politieambtenaren en aan mishandeling. De rechtbank veroordeelt verdachte voor deze twee strafbare feiten.

De bewezen geachte feiten zijn gepleegd in een periode van drie maanden. Uit de dossierstukken komt naar voren dat verdachte vrijwel meteen agressief reageert op het moment dat hem iets niet aanstaat. Hij gebruikt daarbij woorden die een ander hard raken. Daarbij komt dat de belediging is gericht geweest tegen personen die werkzaamheden verrichten die verband houden met het openbaar gezag en openbare dienstverlening. Dit is een ergerlijk en overlastgevend feit. Verdachte heeft met zijn gedrag getoond dat hij geen respect heeft voor het openbaar gezag. Bovendien heeft verdachte met de mishandeling een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Persoon van verdachte

Uit de onder 6. genoemde Pro Justitia rapportage en de ter terechtzitting gegeven aanvulling door de heer M. Eggers, behandelend psychiater van verdachte in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (hierna: PPC), maakt de rechtbank het volgende op. Het leven van verdachte wordt al langere tijd beheerst door de bij verdachte vastgestelde stoornissen. Paranoïde gedachten veroorzaken bij verdachte een gevoel van wantrouwen richting anderen. Deze gedachten worden versterkt door zijn cannabisgebruik. Verdachte heeft geen ziekte-inzicht en hij mist de vaardigheden om zijn gedrag aan te passen en zijn emoties te reguleren. Hierdoor wordt hij in ernstige mate beperkt in zijn functioneren.

Indien de psychotische problematiek van verdachte niet wordt behandeld is het risico op recidive verhoogd. Bij een terugval in zijn cannabisgebruik geldt ook een verhoogd recidiverisico. Sinds anderhalve maand slikt verdachte vrijwillig medicijnen voor zijn psychotische klachten. Sindsdien is een positieve gedragsverandering zichtbaar.

Behandeling binnen een stevig behandelkader is noodzakelijk om de kans op recidive te verminderen. Vanwege de bij verdachte vastgestelde psychotische stoornis en de stoornis in het gebruik van cannabis, zal deze behandeling moeten plaatsvinden in een klinische setting met een hoge mate van beveiliging, zoals een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) of een Forensisch Psychiatrische Afdeling (hierna: FPA). Behandeling binnen een dergelijke setting zal eerst zijn gericht op het stabiliseren van de psychiatrische problematiek van verdachte. Vervolgens kan worden toegewerkt naar het verkrijgen van dagbesteding en een terugkeer naar zijn thuissetting. Psychiater Kuiper heeft, bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde in zaak A, geadviseerd om de behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een zorgmachtiging. Behandeling in het kader van een tbs-maatregel is ook een mogelijkheid. Psychiater Eggers heeft ter terechtzitting benadrukt dat binnen een klinische setting, zoals een FPK of FPA, het meest geschikte behandelkader aan verdachte kan worden geboden. Door de Indicatiestelling Forensische Zorg (hierna: IFZ) is een indicatiestelling afgegeven voor een klinische plaatsing. Verdachte is door de Dienst Individuele Zaken (hierna: DIZ) voorgedragen voor plaatsing bij FPA Fivoor te Utrecht en is daar geaccepteerd.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het door reclasseringswerker C. Kleine opgestelde adviesrapport van reclassering Inforsa van 17 maart 2021. Indien aan verdachte in het kader van de civielrechtelijke procedure die loopt naast deze strafzaak een zorgmachtiging wordt verleend, wordt bij een bewezenverklaring in het kader van een strafoplegging geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen. Geadviseerd wordt om daar de volgende bijzondere voorwaarden aan te koppelen: een meldplicht bij reclassering Inforsa, een klinische opname, ambulante behandeling na afloop van een klinische opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole. De reclassering heeft benadrukt dat voornoemde bijzondere voorwaarden alleen uitvoerbaar zijn indien aan verdachte ook een zorgmachtiging is verleend. Oplegging van een dwangkader naast een drangkader is noodzakelijk, omdat verdachte niet wil meewerken aan bijzondere voorwaarden. Bovendien wordt op deze manier een stevig behandelkader gecreëerd. Geadviseerd wordt de bijzondere voorwaarden en het toezicht – vanwege de kans op recidive – ook dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De straf

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee weken, met daaraan gekoppeld een proeftijd van twee jaren. Met oplegging van deze straf wordt enerzijds rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten in zaken B en C en wordt anderzijds rekening gehouden met het advies van de reclassering en het verhandelde ter terechtzitting, alsook met de omstandigheid dat de rechtbank in de civielrechtelijke procedure die loopt naast deze strafzaak een zorgmachtiging verleent.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht bij reclassering Inforsa, een klinische opname met een maximale duur van zes maanden, ambulante behandeling na afloop van een klinische opname, meewerken aan middelencontrole en – indien geïndiceerd door de reclassering – meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Dit is mogelijk omdat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen en omdat blijkens de inhoud van de rapporten over de persoon van verdachte er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zal recidiveren.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangever 2] vordert ten aanzien van het in zaak A onder feit 2 ten laste gelegde € 500,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij geen schadevergoeding toekomt, omdat het ten laste gelegde verdachte niet kan worden toegerekend.

8.3

Oordeel van de rechtbank

Anders dan de raadsman heeft betoogd vormt de omstandigheid dat het ten laste gelegde verdachte niet kan worden toegerekend geen beletsel voor oplegging van de verplichting tot vergoeding van schade, zoals volgt uit artikel 6:165 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dat in deze zaak ook een zorgmachtiging is verleend staat evenmin in de weg aan het toekennen van schadevergoeding en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel (ECLI:NL:GHAMS:2021:1217).

De rechtbank is van oordeel dat de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zodat de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade toekomt. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde angst voor mogelijke besmetting met het coronavirus en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 250,00. Deze schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd (24 oktober 2020).

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat behandeling van de overige schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelde partij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen en de schade ook vergoed krijgt als verdachte die niet kan betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 5 dagen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 57, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A onder 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Zaak A onder 2 primair:

bedreiging met zware mishandeling

Zaak B:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd

Zaak C:

mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], voor het in zaak A bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Verklaart verdachte voor het in zaken B en C bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) weken.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt op afspraken met reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;

- zich indien geïndiceerd laat opnemen in een forensisch klinische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt maximaal zes maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die (de geneesheer directeur van) de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- zich indien geïndiceerd laat behandelen door Forensisch Ambulante Zorg (FAZ) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- indien de reclassering dit geïndiceerd vindt, verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- meewerkt aan controle van het gebruik van cannabis om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Geeft aan reclassering Inforsa de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;

- zich meldt bij voornoemde reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] toe tot een bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 oktober 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 oktober 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Elte-Hamming, voorzitter,

mrs. E.A. Messer en D. Abels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 mei 2021.

[...]