Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2733

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
13/290990-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak diefstal met geweld. Veroordeling voor diefstallen, mishandeling, bedreiging, beledigingen van (opsporings)ambtenaren en wederspannigheid tijdens aanhoudingen. onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Schavergoeding €200,- voor bedreiging toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/290990-20 (A); 13/036863-20 (B); 13/045590-21 (C) en 13/068308-21 (D)

Datum uitspraak: 14 mei 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[BRP-adres] ,

gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [naam PI] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 maart 2021 en 30 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Levinsohn en van wat verdachte en zijn raadsman mr. N.D. de Fluiter naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in zaak B – kort gezegd beschuldigd van:

Zaak A:

  1. diefstal van vleeswaren van Albert Heijn met (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 1] op 15 november 2020 te Amsterdam;

  2. bedreiging van [slachtoffer 1] op 15 november 2020 te Amsterdam;

  3. verzet tijdens aanhouding tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , hoofdagenten bij de politie Eenheid Amsterdam, waarbij [slachtoffer 3] letsel heeft opgelopen, op 15 november 2020 te Amsterdam;

  4. belediging van [slachtoffer 4] , hoofdagent bij de politie Eenheid Amsterdam, op 15 november 2020;

Ad informandum gevoegd feit:

5. dragen van een voorwerp van de categorie IV onder 7° van de Wet wapens en munitie op 15 november 2020 te Amsterdam;

Zaak B:

diefstal van een bliekje bier van Vomar met (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 5] en/of mishandeling van [slachtoffer 5] op 9 februari 2020 te Amsterdam;

Zaak C:

  1. belediging van [slachtoffer 6] , handhaver openbare ruimte en buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente Amsterdam, op 16 februari 2021 te Amsterdam;

  2. verzet tijdens aanhouding tegen [slachtoffer 6] , handhaver openbare ruimte en buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente Amsterdam, op 16 februari 2021 te Amsterdam;

Zaak D:

diefstal van potten koffie van winkelketen Dirk van den Broek op 10 maart 2021 te Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage van dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

In zaak A onder 1 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het stoppen van vleeswaren in de tas naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht is geweest op het wegnemen hiervan. Ook het strafverzwarende onderdeel – te weten de bedreiging met geweld – kan worden bewezen.

In zaak B heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het strafverzwarende onderdeel bij de diefstal. Wel kan de mishandeling als cumulatief onderdeel van de tenlastelegging worden bewezen.

3.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde in zaak A. Diefstal kan niet worden bewezen, omdat het ten laste gelegde oogmerk bij verdachte ontbrak. Bedreiging kan niet worden bewezen, omdat verdachte niet de intentie had om aangever vrees aan te jagen.

De raadsman heeft in zaak A onder 3 en 4 en zaken B, C en D geen bewijsverweren gevoerd.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde in zaak A onder 2, 3 en 4 en zaken B, C en D wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en zaak B ten laste gelegde in het bijzonder het volgende.

Zaak A feit 1

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte op 15 november 2020 in de Albert Heijn aan de [naam straat] te Amsterdam vleeswaren in een tas heeft gestopt. Verdachte heeft de tas in een schap gezet en is vervolgens richting de uitgang gelopen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij goederen in een tas had gestopt, maar niet met de intentie om de goederen te stelen. Hij wilde een winkelmedewerker, met wie hij een week eerder een conflict had over een spuitbus deodorant, treiteren door hem op te zadelen met het opruimen van de goederen in de tas. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van verdachte niet als (volstrekt) onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Het dossier bevat geen bewijs dat dit scenario weerspreekt. Verdachte heeft de tas met spullen ook achtergelaten in de winkel, ruim voordat hij werd aangesproken door een medewerker. Daarom zou het handelen van verdachte ook eerder kunnen worden aangemerkt als een poging tot diefstal, maar dit is niet ten laste gelegd. Verdachte zal van de ten laste gelegde diefstal (met bedreiging) met geweld worden vrijgesproken.

Zaak A feit 2

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] volgt dat verdachte een mes heeft gepakt, een stap vooruit heeft gezet, de puntige kant van het mes in de richting van aangever hield en zei: “Jullie moeten oppassen!” en “Kom mee naar buiten”. Aangever was bang dat verdachte hem met het mes zou verwonden. De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam getuige 1] , die zag dat verdachte een mes trok en zei: “Kijk ik heb hier een mes bij me. Als jullie mij niet laten gaan kunnen en foute dingen gebeuren”. Daarnaast vindt de aangifte steun in de camerabeelden, waarop te zien is dat aangever opeens terugdeinst. Op grond van voornoemde omstandigheden kon bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging dan ook wettig en overtuigend bewezen. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de hiervoor beschreven gedragingen van verdachte volgt ook dat hij de intentie had om aangever te bedreigen.

Zaak B

Op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank de diefstal van een blikje bier van Vomar bewezen. Met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte vervolgens verbaal en fysiek geweld heeft toegepast met het oogmerk om de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het blikje bier te verzekeren. Het geweld stond los van de diefstal. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het strafverzwarende onderdeel van de diefstal.

Verder kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 5] door hem een duw te geven, in zijn linker middelvinger te bijten en door zijn geslachtsdeel vast te pakken en hierin te knijpen. De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam getuige 2] en de letselverklaring.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Zaak A:

Feit 2

op 15 november 2020 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, door een mes aan voornoemde [slachtoffer 1] te tonen en te houden in de richting van [slachtoffer 1] en tegen voornoemde [slachtoffer 1] te zeggen; “Kom mee naar buiten” en “Jullie moeten oppassen” en “Ik heb een mes bij me, als jullie mij niet laten gaan kunnen er foute dingen gebeuren”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Feit 3

op 15 november 2020 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , beiden hoofdagenten bij de politie Eenheid Amsterdam werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten belast met assistentiedienst, door nadat hij, verdachte, door voornoemde verbalisanten was aangehouden, zich meermalen proberen los te trekken en door te spugen in de richting van de voornoemde verbalisanten en zich te bewegen in een andere richting dan zij hem wilden brengen en door achterwaarts te trappen tegen het rechterbovenbeen van voornoemde [slachtoffer 3] , terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een pijnlijk rechterbovenbeen en een bloeduitstorting op het rechterbovenbeen bij die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad;

Feit 4

op 15 november 2020 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4] , hoofdagent bij de politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening belast met hondensurveillance, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: “Je bent een kankerlijer, je moeder is een kankerlijer”.

Zaak B:

op 9 februari 2020 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, heeft weggenomen een blikje bier, toebehorende aan het winkelbedrijf Vomar

en

op 9 februari 2020 te Amsterdam [slachtoffer 5] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 5]

- een duw te geven en

- nadat voornoemde [slachtoffer 5] , hem, verdachte, naar de grond had gebracht in zijn linker middelvinger te bijten en

- bij zijn geslachtdeel vast te pakken en

- in zijn geslachtdeel te knijpen;

Zaak C:

Feit 1

op 16 februari 2021 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 6] , handhaver openbare ruimte en buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, te weten belast met handhaving van de openbare ruimte, in zijn/haar tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door hem/haar de woorden toe te voegen: “Kankerhond” en “Kankermoer” en “Tabon yemak” (“je moeders kut”) en “Ghan hawi yemak” (“Ik ga je moeder neuken”);

Feit 2

op 16 februari 2021 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 6] , handhaver openbare ruimte en buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten belast met handhaving van de openbare ruimte, door toen voornoemde [slachtoffer 6] hem, verdachte, wilde tegenhouden de rechterarm van voornoemde [slachtoffer 6] weg te slaan en door zich te bewegen in een andere richting dan voornoemde [slachtoffer 6] hem, verdachte, trachtte te geleiden en door het vest van voornoemde [slachtoffer 6] vast te pakken;

Zaak D:

op 10 maart 2021 te Amsterdam potten koffie met een totale waarde van 65,39 euro, die toebehoorden aan winkelbedrijf Dirk van den Broek, gelegen aan het [adres winkel] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de maatregel

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren. Behandeling in een forensisch kader is noodzakelijk om te bewerkstelligen dat de recidive wordt beëindigd. Bovendien is de ISD-maatregel zowel gericht op de aanpak van de complexe problematiek van verdachte als op het beschermen van de maatschappij. Gebleken is dat behandeltrajecten in het verleden niet hebben geleid tot vermindering van recidive. Een klinische behandeling in het kader van een voorwaardelijke straf biedt onvoldoende waarborg.

Indien de rechtbank een klinische opname toch als bijzondere voorwaarde aan een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf zal verbinden, heeft de officier van justitie gevorderd om – op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht – een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, inhoudende een gebiedsverbod in het overlastgebied in Amsterdam Oost.

7.2

Strafmaatverweer van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is niet gerechtvaardigd, omdat alternatieven – te weten een klinische behandeling in het kader van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden of een voorwaardelijke ISD-maatregel – mogelijk zijn. Er staat voor verdachte veel op het spel. Oplegging van een fors voorwaardelijk strafdeel of een voorwaardelijke ISD-maatregel zal verdachte weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten. In het kader van een voorwaardelijke straf of maatregel is verdachte gemotiveerd voor een klinische behandeling. Indien de behandeling voor de problematiek van verdachte eerder van de grond was gekomen, was verdachte mogelijk niet gerecidiveerd.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstallen, mishandeling, bedreiging, beledigingen van (opsporings)ambtenaren en aan wederspannigheid tijdens aanhoudingen. Eén van de slachtoffers heeft als gevolg van de wederspannigheid van verdachte letsel opgelopen. Uit de zaken komt naar voren dat verdachte vrijwel meteen agressief reageert op het moment dat iets hem niet aanstaat. Hij gebruikt daarbij woorden – of dit nu bedreigingen of beledigingen zijn – die een ander hard raken en hij gaat over tot fysiek geweld. Bovendien heeft verdachte de bedreiging kracht bijgezet door aan het slachtoffer een mes te tonen. Het fysieke en verbale geweld van verdachte is gericht geweest tegen winkelmedewerkers en tegen personen die werkzaamheden verrichten die verband houden met het openbaar gezag en dienstverlening. Dit zijn ergerlijke en overlastgevende feiten. Verdachte heeft met zijn gedrag getoond dat hij geen respect heeft voor het openbaar gezag en voor de eigendommen van anderen. Bovendien heeft verdachte met de mishandeling en met de wederspannigheid die letsel heeft veroorzaakt inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dit veroorzaakt onrust en angst bij degenen die het overkomt en degenen die er getuige van zijn.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het door mevrouw S. Eggink opgestelde adviesrapport van reclassering Inforsa van 28 april 2021. Hierin is gerapporteerd dat sprake is van een hardnekkige verslaving in het gebruik van alcohol en crack. Daarnaast heeft verdachte onderliggende psychiatrische problematiek, waaronder depressieve klachten. Verdachte heeft een stabiel inkomen doordat hij een bijstandsuitkering ontvangt. Desondanks is sprake van betalingsachterstanden. Hierdoor bestaat het vermoeden dat verdachte niet open is geweest over de ernst van zijn middelenproblematiek. Verdachte is gemotiveerd voor behandeling van zijn verslavingsproblematiek, maar hij is niet in staat om zijn problemen zelfstandig op te lossen.

Indien de complexe problematiek van verdachte niet wordt behandeld is het risico op recidive verhoogd. Onder invloed van alcohol of crack vertoont verdachte agressief (delict)gedrag. Verdachte is zich hiervan bewust, maar hij is niet in staat om zijn gedrag aan te passen. Interventies in het verleden hebben niet geleid tot vermindering van recidive, zoals ook blijkt uit de mislukte schorsingstoezichten in het kader van de voorlopige hechtenis in deze strafzaak. Volgens de reclassering is verdachte gebaat bij behandeling in een klinische setting in het kader van een ISD-maatregel. Binnen een dergelijke setting kan diagnostiek van psychische problematiek en behandeling gericht op middelengebruik plaatsvinden en kan gewerkt worden aan beschermd en/of begeleid wonen, ondersteuning aan het verkrijgen van een zinvolle dagbesteding en ondersteuning bij schuldenproblematiek.

De mogelijkheden binnen een drangkader zijn uitgeput. Bij een bewezenverklaring wordt oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel geadviseerd.


Ter terechtzitting van 30 april 2021 heeft reclasseringswerker mevrouw P. M. van Doleweerd zich aangesloten bij het advies van reclasseringswerker Eggink. Zij heeft benadrukt dat, vanwege de ernst van de problematiek en het daarmee samenhangende recidivegevaar, met oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel het meest geschikte behandelkader en hulpverleningstraject aan verdachte kan worden geboden. Door voortschrijdend inzicht over de ernst van de middelenproblematiek van verdachte ziet de reclassering geen mogelijkheden (meer) voor behandeling binnen een drangkader. Mevrouw Van Doleweerd ziet geen heil in oplegging van een klinische behandeling in het kader van een reclasseringstoezicht of een voorwaardelijke ISD-maatregel, omdat verdachte niet in staat is om zich aan de afspraken te houden. Verder heeft de ISD-maatregel als voordeel dat een veroordeelde als het niet goed gaat teruggeplaatst kan worden in de ISD-instelling, van waaruit opnieuw gekeken kan worden naar het traject.

Motivering

De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van verdachte van 11 mei 2021 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad van verdachte is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag worden opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank ziet geen reden om de ISD-maatregel niet op te leggen.

In het bijzonder vindt de rechtbank het opleggen van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk om het overlast veroorzakende delictgedrag van verdachte te doorbreken en de maatschappij te beveiligen. Verdachte heeft zich in korte tijd meermaals schuldig gemaakt aan overlastgevende strafbare feiten. Dat het niet eerder tot een klinische opname gekomen is, hoewel dit wellicht wenselijk was geweest, maakt niet dat de ISD-maatregel nu (nog) niet passend is. Verdachte werd telkens weer opgepakt en een vruchtbaar behandeltraject is niet van de grond gekomen. Inmiddels is gelet op de complexe problematiek duidelijk dat een klinisch traject in het kader van een voorwaardelijke straf onvoldoende soelaas biedt. Opgelegde gevangenisstraffen en interventies in het verleden hebben niet geleid tot het terugdringen van de recidive. Ter terechtzitting heeft de verdediging naar voren gebracht dat de ISD-maatregel tot gevolg zal hebben dat verdachte zijn woning zal kwijtraken en dat verdachte het risico loopt dat zijn verblijfsrecht wordt beëindigd. Deze omstandigheden maken het oordeel van de rechtbank niet anders. Binnen de ISD-maatregel kan verdachte gedurende langere tijd intensief worden behandeld en begeleid om de nodige stappen te zetten die dienstig zijn aan een (veilige en) zo stabiel mogelijke terugkeer in de maatschappij.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de
ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 200,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaalbedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij, vanwege de in zaak A onder 1 en 2 bepleite vrijspraken, niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In het geval dat een benadeelde aangeeft dat sprake is van een aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’, zal diegene met concrete gegevens deze aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ moeten onderbouwen. Hiervan is in ieder geval sprake in het geval dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een medisch erkend ziektebeeld.

In dat verband is van belang dat niet is uitgesloten dat de aard en ernst van het strafbare feit en de daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen voor de benadeelde grond kunnen bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Ook in het geval dat geen sprake is van een medisch erkend ziektebeeld is dat mogelijk. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zodat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde in zaak A onder 2 vergoeding van immateriële schade toekomt. Op grond van de door de benadeelde gestelde angstgevoelens die hij had als gevolg van het bewezenverklaarde en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 200,00, zodat het gevorderde bedrag wordt toegewezen. Deze schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd (15 november 2020).

De rechtbank zal ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat de benadeelde partij de opgelopen schade als gevolg van het bewezenverklaarde in zaak A onder 2 niet zelf hoeven te innen en de schade ook vergoed krijgt als verdachte die niet kan betalen. Gelet op het feit dat verdachte op basis van dit vonnis een langdurige (klinische) behandeling tegemoet ziet en het niet te verwachten is dat verdachte in de enigszins nabije toekomst zal kunnen beschikken over enige verdienmogelijkheid, zal de rechtbank de duur van de bij gebreke van betaling en verhaal toe te passen gijzeling telkens vaststellen op maximaal één dag.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen, 36f, 38m, 38n, 57, 180, 181, 266, 267, 285, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde in zaak A onder 1 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 2, 3, 4, en 5, zaak B, zaak C onder 1 en 2 en zaak D ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zaak A onder 2

bedreiging met zware mishandeling

zaak A onder 3

wederspannigheid en;

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben

zaak A onder 4 en zaak C onder 1:

telkens: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

zaak B:

diefstal en;

mishandeling

Zaak C onder 2:

wederspannigheid

Zaak D:

diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 november 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 200,00 (tweehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Elte-Hamming, voorzitter,

mrs. E.A. Messer en D. Abels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 mei 2021.

Bijlage – Tenlastelegging

[(---)]

.